Terug naar hoofdinhoud

Iedereen die ook zo’n vijf jaar geleden deze site bezocht, weet hoeveel last wij van het Kleintje hebben gehad van ene Jan Best. Hij liet geen gelegenheid onbenut om online vooral mijn persoontje door het slijk te halen en was ook niet vies van bedreiging.
Bij ons weten is Best al weer bijna twee jaar geleden gestorven. We hoeven dus niet te vrezen weer door hem gestalked te gaan worden. Maar dat is niet de reden om hier aandacht voor de man te vragen.
Die is gelegen in het feit dat Wikipedia de enige bron is waaruit wij zijn verscheiden kunnen vernemen. En dat terwijl met Jan Best een groot wetenschapper en dito docent heenging die ook nog es regelmatig voor ophef en vertier in het Amsterdamse academische wereldje zorgde.
Zijn anonieme dood gaat er bij mij niet in, hoeveel ruzie ik op het eind van zijn leven dan ook met hem heb gehad. Jan was een klootzak voor wie het met hem aan de stok kreeg -en helaas voor hem was dat vrijwel iedereen waar ie mee te maken had- maar ook klootzakken verdienen meer dan oorverdovende stilte bij hun vertrek uit het ondermaanse.
Om een voorbeeld te geven van de rol die Best aan de UvA had. Het mes gaat in onze universiteiten weer in de kleine talen en cultuurgebieden. Lees er bijvoorbeeld Stine Jensen maar over. Vergeten is alweer dat vijfendertig jaar geleden ook zo’n kaalslag plaatsvond. Toen verdween onder veel meer ook het studierichtinkje van Best. Maar niet dan nadat juist Best de kwestie op memorabele wijze onder de aandacht van het grote publiek had gebracht.
De jonge Jan Best vertegenwoordigde in de jaren zestig ‘zijn’ UvA in het toenmalig achtuurjournaal omdat ie internationale faam kreeg als schrift-ontcijferaar. Ga er maar aan staan: succesvol concurreren met de nieuwsfeiten van de Roaring Sixties met een gort en gort en nog es gortdroge materie.
Begin jaren tachtig deed ie dat nog es dunnetjes over. In Rotterdam (!) organiseerde hij toen een tentoonstelling van prehistorische vondsten uit Bulgarije (!) waarop 300.000 bezoekers afkwamen.
Ik voel me als zijn oud-student (en medeplichtige aan menige door hem geïnitieerde storm in de UvA-vijver) verplicht om een serietje aan Jan Best te wijden. Noem het (de aanzet tot) een biografie, van de mens die in mijn leven en in dat van nog wat figuren om hem heen een onuitwisbare indruk heeft nagelaten.

(JoopFinland)

  • Datum: .

Jan Best zou de afgelopen week genoten hebben. En weer een hoofdrol voor zichzelf opgeëist. Genoten van wat? Van De Rellen in Adam. Geen opstootje te onbeduidend of Best verzekerde de omstanders ervan dat hij aan de wieg ervan stond maar ook het slachtoffer was.
Dé rel in het leven van Best was die rond het bouwvakkersoproer/de bestorming van het kantoor van De Telegraaf/de dood van Jan Weggelaar, in juni 1966. Weggelaar stierf aan een hartstilstand, de Telegraaf loog dat ie door een steen van zijn collega’s was omgekomen, die pikten dat niet.
Ik zie nog steeds Jan Best zijn versie van die gebeurtenissen opdissen, in geuren en kleuren. We zaten in café De Doelen, aan het begin of het einde van de Nieuwe Doelenstraat. Aan de raamkant, met uitzicht op het Muntplein.
We zaten daar elke vrijdagmiddag, ter afsluiting van een college van Best. Die colleges vonden plaats op vijftig meter van de kroeg, boven het Universiteitstheater. Het waren colleges in Mediterrane Pre- en Protohistorie, de vroegste geschiedenis van het Middellandse Zeegebied dus.
‘We’ waren de twee hoofdvakstudenten, een paar mensen die ‘Mediterrane Pre en Prut’ (aldus Best zelf) als bijvak deden en twee zogenaamde toehoorders, een heel oude meneer en een nog oudere mevrouw die een smak geld neertelden om zich in de schaduw van Best geniaal te mogen voelen.
De ene hoofdvakstudent was ik, de ander heette Fred Woudhuizen. Over hem zal het in dit serietje nog vaker gaan. Wie wil kan nu al op zijn naam googelen om te ontdekken dat ie in het vakgebied van Jan Best een ‘grote naam’ zou worden.
Ik had die ambitie niet. Ik keek en luisterde naar Jan Best. Naar hoe hij zichzelf consequent, in wat voor context dan ook, op de voorgrond plaatste en de hoofdrol toebedeelde. Best was de eerste narcist en pathetische leugenaar in mijn leven.
Hij had in de junidagen van 1966 ‘natuurlijk’ geen stenen gegooid op de Dam, maar wel vooraan gestaan. Hij had Weggelaar zien neerzijgen, meteen aan het oog onttrokken door een geweldige menigte. Nee, hij was niet mee opgetrokken met die menigte naar het gebouw van de gehate krant.
Best was in die roerige zomer ‘de rechterhand’ van Ton Regtien, ‘de leider’ van de SVB, de studentenvakbond. Toen Regtien had gehoor gegeven aan ‘de lokroep van een baantje’ aan de uni van Groningen, was Best ‘natuurlijk’ in A’dam gebleven, om ‘het verzet aan te voeren’.
Ik was in 1983, toen ik zijn verhaal aanhoorde, vijfentwintig, net zo oud als Best in 1966. Ik was aktief in onder meer de kraakbeweging, maar Best moest daarvan niets hebben. ‘Die heeft toch helemaal geen voeling met de arbeiders, jongen?’
(JoopFinland)

  • Datum: .

Dat de universiteit alleen nog maar hapklare brokken voorzet is niet nieuw, maar wel de geslagenheid waarmee het academische wereldje haar uitholling accepteert. Dat ging in de jaren tachtig wel anders. En Jan Best was toen nou juist een sprekend voorbeeld van strijdlust.

Hoezeer de tijden ten slechte gekeerd zijn bleek mij reeds tien jaar geleden. Het fascistische uitgevertje Perry Pierik vroeg mij toen om actie te ondernemen tegen Best: die zou ‘gewapende Koerden’ naar Pieriks toko in Soesterberg willen sturen.

Koerden en Jan Best: die combinatie deed bij mij een mooie herinnering opkomen. Dus vertelde ik Pierik Junior in kleuren en geuren hoe Best rond 1982 de wegbezuiniging van zijn studierichtinkje had aangekaart bij zijn bazen op de Letterenfaculteit van de UvA.

Zonder ons al te veel te vragen werden Fred Woudhuizen en ik op een morgen in een speelgoed-uniform van een peshmerga gekleed en in een bestelbusje, met aan het stuur Ben, de portier van het Universiteitstheater, naar de Letterenfaculteit aan het Spui gereden.

Naast Ben zat Best, in zijn gewone kloffie (spijkerbroek met hip jasje), en met hem voorop ging het naar het zaaltje waar het bestuur van de faculteit in vergadering bijeen zat. Voordat iemand begrepen had waarover het ging, sprong Best op de dure tafel, met in zijn knuisten een blaffer.

Nou ja, ook uit de feestwinkel dus, die kloeke revolver. Best gelastte Fred en mij om de toegangsdeur ‘bezet te houden’ en stak een kleine redevoering af waarvan de kern was dat men aan de tafel van wetenschap geen kaas van had gegeten en hem dus gewoon zijn ding moest laten doen.

We waren net zo snel weer weg. Maar natuurlijk wel gekiekt door de fotograaf van Folia Civitatis, het toen nog toonaangevende blad van de UvA. Ook op het instituut waaronder Best ressorteerde had hij na onze actie de lachers op zijn hand.

‘Alleen een dwaas deed in die dagen aangifte van iemand die op een speelse manier een vergadering opvrolijkte’, zei ik tegen Perry Pierik. ‘Dat waren nog es tijden, joh. Je had bijvoorbeeld ook Bingel die hetzelfde flikte in de Tweede Kamer ..'

Maar Pierik Junior had nooit van Bingel gehoord en had het woord ‘terrorist’ al vele malen in de hoorn geblazen. Dus ik had voor hem nog een toegift: ‘Dit is maar de helft van het verhaal’, sprak ik. ‘Nu komt de moraal.’

De voorzitter van de club in het zaaltje heette Nico van den Boogaard. Ik heb die naam zo goed onthouden omdat veertien dagen na onze performance wij Best in diens kantoortje lijkwit in zijn stoel aantroffen.

Hij las ons met bevende stem voor uit de NRC: een rouwadvertentie voor die Van den Boogaard. De man was bezweken aan een hartaanval. Maar Jan Best was er voor de volle honderd procent van overtuigd dat het hartfalen veroorzaakt was door hem.

‘Zal ik zijn vriendin bloemen bezorgen?’ vroeg hij ons met tranen in de ogen. ‘Of zou ze het prettig vinden als ik bij haar langs ga?’ Met onze bezweringen dat de oorzaak van ‘s mans verscheiden vast niet ons akkefietje was geweest, kon Best maar weinig.

‘Ziedaar het fenomeen Jan Best’, zei ik tegen Pierik. Maar die had geen oren naar mijn relativerende woorden. ‘Ik doe aangifte tegen die gek’, stamelde hij, ‘en waarom ook niet maar gelijk tegen jou.’

JoopFinland

  • Datum: .

Jan Best was bij mijn weten zijn hele volwassen leven begaan met de Koerdische zaak. Maar zijn dweperij met het Jodendom was van de laatste decennia, misschien zelfs van na de dood van zijn echtgenote, Nanny de Vries. Joost mag weten hoe hij ertoe kwam om zichzelf te zien als Joods.

Was het een reactie op de rassenwaan van zijn ouders, notoire nationaal-socialisten? Of was -in het geval hij zich meer tot het Joodse geloof als het Joodse ras had bekeerd- de vrijage van een geboren en getogen agnost met religie?

Ik heb Best nooit anders over geloof en gelovigen horen spreken in andere dan meewarige woorden. Bij Best en De Vries thuis, in de Amstelveense Michelangelostraat, zocht je vergeefs naar enig teken van religieus leven.

Ook bij Nanny de Vries heb ik nooit een Joodse achtergrond kunnen vermoeden. In de tachtiger jaren verbleef ze weliswaar veel in de omgeving van criminologe Irma Dessaur, maar dat was ver voordat die als Andreas Burnier schreef over haar Joodse wortels.

Wellicht werd de belangstelling van Best voor het Jodendom ingegeven door dezelfde behoefte die veel leden van de Nederlandse culturele elite koesteren: men ziet zich in die kringen als onderdeel -en drager- van de ‘christelijk-joodse beschaving’.

Zo bezien werd Best van de charmante non-conformist zoals ik die in 1977 had leren kennen tot het bange vriendje van politie en advokaten dat mij tussen 2016 en 2020 op deze site stalkte.

(JoopFinland)

  • Datum: .

De plaatselijke bieb legde voor vijftig cent het boek Het verdriet van Koerdistan op straat en opeens was ik tien jaar teruggeworpen in de tijd. We gaan in deze aflevering naar een restaurant in Baarn, waar Jan Best in juni 2014 zijn afscheidsfeestje (1) gaf.

Best had naast hemzelf en mijn vrouw en mij vijf mensen rond een tafel verzameld. Aan weerszijden van de gastheer zaten twee ‘vriendinnen’ van hem: ‘wijven die ik nog es moet naaien’, zoals hij de relatie in een mail aan mij had beschreven.

Tegenover mij zat Perry Wijnand Pierik, de uitgever van wie ik toen nog niet wist dat ie fascisten als Sid Lukkassen, Tom Zwitser en Pepijn van Houwelingen een podium bood. Best noemde Pierik een ‘leuke, anarchistische jongen’ en had me overgehaald om contact met hem te zoeken.

Pieriks uitgeverij Aspekt had ook Het verdriet van Koerdistan op de markt gebracht. Naast hem zaten de auteurs van het boek, Maria E. Luten en Azad Kardoi. Luten was een pseudoniem en ik ging er van uit dat ook de Koerd onder schuilnaam zijn relaas had gedaan.

Ik had Het verdriet gelezen en goed bevonden. Vooral het einde, waarin ‘Kardoi’ zich voorneemt voor zijn vlucht naar Europa zijn ouders nog eens te ontmoeten maar bij het ontwaren van zijn vader in zijn geblindeerde auto aan hem voorbijrijdt.

Een tof boek dus, en tijdens een kleine rookpauze op de binnenplaats van het restaurant raakte ik met de jonge Koerd in geanimeerd gesprek. Ook zworen wij elkaar daar dat wij eeuwig trouw zouden zijn aan onze gezamenlijke vriend Jan Best.

Best was evenwel een heel andere mening toegedaan met betrekking tot zijn jonge Koerdische vriend. Hij placht mij in die tijd elke avond te bellen en zodra wij vanuit Baarn waren teruggekeerd naar Finland hing hij aan de lijn.

Ik gaf aan dat tijdens het natuurlijk met veel tranen gelardeerde samenzijn vooral de ontmoeting met ‘Kardoi’ me had aangegrepen, maar Best zei: ‘Hij is een gladjanus, Joop. Hij heeft iedereen om de tuin geleid, ook die vrouw aan wie hij dat boek dicteerde omdat hij zelf niet kan schrijven.’

Een vreemde episode inderdaad. Net zo vreemd als de tekst van Jan Best (De Vries) op de achterzijde van het boek. Centraal daarin staat de scabreuze vergelijking tussen de Koerden en de zionisten.

‘In het Westen heerst de misvatting dat Israel gehaat zou zijn bij alle omliggende landen. Het is nagenoeg onbekend dat dit niet opgaat voor de bewoners van Koerdistan, de Koerden. Die zien in de Joden en in de staat Israel een navolgenswaard voorbeeld.’(2)

(1) Best liet in die tijd het bericht de ronde doen dat hij ‘nog maar enkele maanden’ te leven zou hebben.
(2) Zie voor de hele tekst deze link naar bol com (waar je je nog vrolijk blauw mag betalen aan een exemplaar van het boek!)

JoopFinland

  • Datum: .

Hij zou vandaag 66 zijn geworden, Fred Woudhuizen. Een ongeneeslijke ziekte nam hem in 2021 weg, maar voor mij stierf ie al midden jaren negentig. Door toedoen van Jan Best.

We kenden elkaar vanaf de eerste dag van onze studie geschiedenis aan de UvA, Fred en ik. Onze kennismaking was voor mij, als Achterhoeker, die met de Westfries. Fred was erg blond en sprak op slepende toon. We zaten voor het eerst tegenover elkaar bij Hoppe aan het Spui, en Fred maakte op mij de indruk dat ie daar, met zijn ‘biertje’ en wat ‘aanspraak’ zoals hij zijn favoriete drank en mijn gezelschap noemde, volledig in zijn sas was.

Fred was er trouwens de mens niet naar om ‘geluk’ tot onderwerp van een lange beschouwing te maken. Laat staan het na te streven. Hij was een stoïcijn, zonder ook aan die eigenschap erg veel woorden te besteden. Hij had het wel eens over het fatum, maar dan vooral gekscherend. Mij beschouwde Fred als een romanticus, die eeuwige liefde en de revolutie najoeg en daarover ook nog eens boeken wilde schrijven.

Maar ook een stoïcijn wordt op de proef gesteld. Hij bedoelde het niet als een verwijt wanneer hij tegen me zei: ‘Jou komt het allemaal aanwaaien, ik moet er mijn best voor doen’. Met dat ‘allemaal’ bedoelde hij niet geluk of liefde, maar studieresultaten. Mij interesseerde onze studie feitelijk geen reet, maar eind jaren zeventig moest je studiepunten halen om je beurs te behouden. Dus legde ook ik tentamens af en haalde voor die dingen zesjes of een zeven min.

Je mag het best wel een minderwaardigheidscomplex noemen waaraan Fred leed. En waar dat tussen Fred en mij dus niet leidde tot onhebbelijkheden, daar legde het wel de basis voor zijn afhankelijkheid van Jan Best. Best voelde als geen ander aan hoe hij Fred kon manipuleren. Best lag op de UvA met iedereen in de clinch en speelde maar wat graag de underdog. Fred zag in het grotendeels verzonnen lot van zijn docent zijn eigen achterstelling bij anderen weerspiegeld.

Fred werd dus wetenschapper, ik leg nog wel eens uit waarin precies. Hij studeerde af en promoveerde ook, bezocht internationale congressen en schreef wetenschappelijke boeken. Maar altijd aan de hand van Jan Best. Die was nooit ver weg, en dreef ‘zijn’ student Woudhuizen wel eens af dan werd deze weer bij de les en in het gareel geroepen. Meestal volstond daartoe een ‘biertje’ en wat ‘aanspraak’, maar midden jaren negentig verkeerde het allemaal in geweld …

JoopFinland

  • Datum: .

Fred Woudhuizen was luwoloog. In Wikipedia (1) kun je vrij uitgebreid vernemen wat dat inhoudt en waar het toe leidt. Zelf ben ik in die tekst halverwege de weg kwijt, aan mij was de discipline die schriftontcijfering heet ten enenmale niet besteed. Ook al omdat de beoefenaren ervan niet de spannendste mensen waren. In deze aflevering wat couleur locale.

Jan Best gaf vanaf ongeveer 1980 college op de zolder van het Universiteitstheater, in de Amsterdamse Nieuwe Doelenstraat die uitloopt op het Muntplein. Om de hoek, aan de Oude Turfmarkt, zetelde in wat nu het Allard Pierson Museum is het instituut voor Oude Geschiedenis (Grieken en Romeinen), klassieke talen en archeologie.

Je schrikt je eigen terstond ook dood wanneer je de zeg maar Wall of Fame van de UvA raadpleegt (2). Figuren als Leo Noordegraaf en de Vlaamse olijkerd A. Demyttenaere, die eind jaren zeventig maar enkele jaren ouder dan hun studenten veel beloofden, hebben nauwelijks of geen naam gemaakt, of zijn hoogstens (medievist Peter van der Eerden) als bestuurder de boeken ingegaan.

Aan de Oude Turfmarkt was het niet anders. Je had er de volgevreten (en -gedronken) proleet Hemelrijk die voor archeoloog doorging. En de autistische graecus Ruijgh, die -naar verluidt- verantwoordelijk was voor de verbanning van Jan Best uit het instituut naar de vliering boven het theater.

Ruijgh was degene die Fred (en mij) introduceerde in de ontcijfering van oud-Kretenzische schriften (Myceens). Volgens Ruijgh schreven de Myceners Grieks, volgens Jan Best dus niet, vandaar de vete tussen de twee. In de tot kantine omgeturnde kelder van het huidige museum was Best dagelijks erop uit om in de rij voor de koffie zijn tegenspeler te schofferen.

Volgens mij stak Fred nog het meest op van Philo Houwink ten Cate, Die zat in een heel klein hokje in de nok van het gebouw, in de hoedanigheid van hethietoloog (3). Wij noemden het stoffige oudje flepkleptrep,naar de verbuigingen in het hethietisch die de man ons zonder een spier te vertrekken presenteerde. Maar net als Jan Best was Houwink ten Cate een geziene gast op congressen.

Met betrekking tot onze medestudenten ontwikkelde Fred Woudhuizen een gezonde aversie jegens ene Eelco Beukers. Ook die heeft geen naam gemaakt in het vak waartoe hij werd opgeleid. In zijn website presenteert hij zich als tekstschrijver en organisator. Tekstschrijvers, dat zijn de voorlichters onder de literatoren.

Zelf heb ik een speciale herinnering aan Esther Jansma, de onlangs ons veel te vroeg ontvallen dichteres. Zij liep een college bij Hemelrijk en ik werd door haar op een zonnige morgen pardoes uitgenodigd voor een kop thee op het terras aan het Rokin. Haar was opgevallen dat ik lange dagen op ons instituut alleen maar dromerig uit het raam zat te staren … A poet’s eye on me

(JoopFinland)

(1) https://nl.wikipedia.org/wiki/Fred_Woudhuizen
(2) Een lijst van heengegane oud-medewerkers die op de site van de universiteit stond maar onlangs blijkbaar is verhuisd of bij de vuilnis gezet.
(3) Prehistorische cultuur in Noord- en Centraal-Turkije.

  • Datum: .

Midden jaren negentig van de vorige eeuw ging het voor Fred Woudhuizen vreselijk mis. Van het precieze tijdstip en van het precieze verloop van de gebeurtenissen heb ik maar een beperkt beeld omdat ik toen reeds in Finland woonde.

Maar tijdens een bezoek aan Nederland in 1997 kon ik geen contact krijgen met Fred. Ik belde zijn broer en die lichtte me in dat mijn vriend ‘erg ziek was geweest maar aan de beterende hand’. Een telefoongesprek met de ex-vriendin van Fred leerde me meer.

Fred was ergens in 1995 of 1996 helemaal de weg kwijtgeraakt, zo vertelde ze. ‘Hij had zich in zijn woning opgesloten en die woning gebarricadeerd’. Hulpdiensten konden hem met moeite bereiken en hij was opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis in de omgeving van Alkmaar.

Die opname had bijna een jaar geduurd. Toen ik Fred in de zomer van 1997 op een Amsterdams terras sprak zat hij van boven tot onder onder de medicijnen. Zijn ‘biertje’ bleef bij eentje en af en toe moest ik hem bij de les roepen omdat hij in slaap scheen te vallen.

Ik kreeg niet veel uit hem over het recente verleden. Fred had zich altijd een beetje leedvermaakt met mensen die het soms niet helemaal meer weten, en het was nu moeilijk voor hem om naar zichzelf te kijken als (ex-)psychiatrisch patiënt.

Hij had aan achtervolgingswaan geleden, zo veel werd wel duidelijk, ook uit het relaas van zijn ex. Hij dacht dat ‘ze’ achter hem aan zaten, en die ‘ze’ waren mensen uit zijn vakgebied. Een van die collega’s deed bij mij de alarmbellen afgaan.

Ergens in de jaren tachtig maakte de Roemeen Dragan zijn opwachting in het kamertje van Jan Best. Ik keek mijn ogen uit naar het mannetje. Het was allemaal vreselijk duur wat ie droeg -driedelig pak, sjieke schoenen, ringen en kettingen en allerlei penetrante geurtjes.

Best had Fred en mij opgedragen om er voor de gelegenheid ook es uit te zien alsof we zo de Yabyum in konden. Fred was naar de kapper geweest en ik droeg een heuse pantalon met daaronder gepoetste schoenen.

Dragan was door Best uitgenodigd omdat ie geld had en congressen organiseerde. Wetenschappelijke congressen, in ons vakgebied. ‘Niet omdat ie iets weet’, aldus Best, ‘maar omdat ie zijn geld in het Westen kwijt wil.’

De ontmoeting met Dracula leverde toen niets op en ik verloor al snel weer mijn belangstelling voor congressen georganiseerd door een Roemeense witwasser. Maar Fred en Best hoorde ik met enige regelmaat over de kwestie spreken.

En begin jaren negentig toog Fred naar verluidt naar zo’n congres van Dragan, ergens op een eiland in de Middellandse Zee. Wat daar gebeurd is zullen we waarschijnlijk nooit weten maar feit is dat vier, vijf jaar nadien Fred in zijn belager Dragan had herkend.

Zijn voormalige vriendin maakte het verhaal wat steviger. En linkte het aan Jan Best. Of eigenlijk: aan diens vrouw of ex-vrouw, Nanny de Vries. In haar versie had met name De Vries Fred doodsbang gemaakt …

(JoopFinland)

  • Datum: .

Over de teloorgang van Rojava zou Jan Best niet uitgepraat raken. Hij zou bij iedereen en alles de as Koerden-VS-Israel bepleit hebben als dé oplossing voor de problemen in het Midden-Oosten. En hij zou zichzelf nog een keer naar Qamishlo getransporteerd hebben om er te kunnen sterven.

Hij zag mij daar ook graag naartoe verhuizen. Naar Qamishlo, een stadje op twee uur rijden van Erbil. Jan had daar volgens eigen zeggen een ‘universiteitje’ opgericht. Hij zou daar archeologen gaan opleiden, ‘en daarna neem jij het van me over, Joop’.

Hij stuurde me foto’s van een van zijn bezoeken aan Rojava, ergens rond 2015. Erbil ziet er daarop uit als een moderne Westerse stad. Jan beschreef de jonge Koerd die hem vanuit zijn woonplaats Baarn begeleidde met ‘ja, die houdt eigenlijk alleen van feestjes’.

Qamishlo was volgens de beelden en de verhalen van Jan andere koek. Een weg de woestijn in, nog een weg naar nergens, witte, lage gebouwen, weinig tot geen mensen op straat. Jan’s ‘universiteit’ was de verdieping van wat leek op een winkel of bakkerij.

Wellicht heeft de academische droom van Best ten grondslag gelegen aan zijn vete met de Pieriks, van uitgeverij Aspekt, waarvan de lezers van KM in die tijd ongewild getuigen moesten zijn. Volgens Jan begon die ruzie met het door Perry Pierik ‘laten verdwijnen van een bibliotheek’.

Best had volgens eigen zeggen na haar overlijden ‘de bibliotheek’ van Nanny de Vries wegens ruimtegebrek in hun flat in Baarn laten verkassen naar een pakhuis op het erf van Pierik, in Soesterberg. Van daaruit zouden de boeken worden verscheept naar Rojava.

Maar de jonge Pierik zou de verzameling boeken over archeologie en vrouwengeschiedenis hebben ‘verkwanseld’. Dat zou ook best kunnen, want in een telefoongesprek met mij in die tijd vroeg Perry P zich hardop af ‘wat die Koerden nou met boeken van lesbo’s moeten’.

Best was ook een hardcore seksist (misschien lag dat wel aan de basis van zijn band met de Pieriks?). Hij kon verlekkerd vertellen over de ‘Zweedse meisjes van achttien die zich eerst laten naaien voordat ze als peshmerga de bergen ingaan.’

Zo’n beschrijving zette voor mij de ontwikkelingen in Rojava al snel in een ander daglicht. Al googelend stuitte ik er op meer mensen die ik in Finland of Nederland had meegemaakt als ‘wereldverbeteraar’, maar in werkelijkheid in wapens en/of harddrugs handelden.

Maar Jan Best wilde naar het oord om er te sterven. Hij zag voor zich hoe hij het lichaam van De Vries er kon laten herbegraven en dat hij zichzelf daarna op haar graf een kogel door het hoofd zou jagen.

In die jaren belde hij me iedere avond op, in Finland, voor een monoloog van hem die twee uur duurde. Een keer had hij gedronken, kon amper meer uit zijn woorden komen en liet me horen hoe je een Kalashnikov moest ontgrendelen.

Wie weet heeft hij wel de moed gehad om zijn plan te verwezenlijken. Maar het zou me verbazen.

(JoopFinland)

  • Datum: .

Hoe Nanny de Vries te introduceren in deze serie? Met een opsomming van door haar -voor het grootste deel samen met Jan Best- geschreven boeken? Of met de beschrijving van de hete lange zomer van 1990 in Bulgarije, waar Best en De Vries verwikkeld waren in een driehoeksverhouding?

Laten we het deze keer hebben over die boeken. Googel je op Nanny M. W. de Vries dan kom je eerst op de titel Langs de koningswegen van het oude Perzië. Met dit boek is iets vreemds aan de hand: het verandert in 2013 van naam: Achter de islamitische façade, het werkelijke Iran en Turkije.

De Vries is dan al dood, dus de naamswijziging moet toegeschreven aan Jan Best. Qua inhoud maakte het niet uit: ook Koningswegenwas reeds een klein monument van muslimbashing. En net zo groot in een soort feminisme dat vooral heel erg elitair is.

Meest opvallend in Achter de islamitische façade is niet enige archeologische vondst maar de rol van Best. Hij is letterlijk de drager van de koffers van het stel, op de achtergrond. Wanneer de verblijfplaats van het paar getroffen wordt door een aardbeving, moet hij ‘een taxi bellen’…

Vervolgens de reisboeken. Toeristische gidsen, dus. Voor de Dominicus-reeks. Ik heb de genese van deze serie meegemaakt dus ik kan de lezer uitleggen waarom Best en De Vries hiertoe hun toevlucht namen.

Rond 1990 werd de zogenoemde twee fasen-structuur in het academisch onderwijs ingevoerd. Een bedenksel van de toenmalige minister van onderwijs Deetman waartegen heftig protest rees. De verandering betekende het einde van de ‘eeuwige student’. Maar ook van menige studierichting.

Zoals die van Best. Ik werd juli 1990 de laatste die afstudeerde in Mediterrane Pre- en Proto-historie. En Best en De Vries bedongen een riant wachtgeld van de UvA. Na hun ontslag moest er echter wel brood op de plank en vandaar dus die reisboeken.

Ze zijn overal geweest, de twee. In Zweden, in Frankrijk, in Denemarken, in Finland … Voor wat Zweden en Frankrijk aangaat weet ik het niet -in de Dordogne had het gidsenpaar een tweede huis- maar in Finland hebben ze nooit een voet gezet.

De reisgids Finland uit 1986 werd geschreven door Eeva Tuovinen en Karin Evers. Het hoofdstuk over Åland van de eilanden-kenner Jan Best is precies wat het is: quatsch …

(JoopFinland)

  • Datum: .