Requiem voor een klootzak (017)
De ruige zomer van 1990 vond zijn hoogtepunt in de voorlopig laatste ontmoeting van mij met Jan Best.
Mijn afstuderen, de trip door Bulgarije, het einde van de Reizende Universiteit Nederland mede door mijn toedoen (er was een briefwisseling met Jan waarin ik schreef: ‘Ik laat mij niet píepelen’ en hij schreef: ‘Je bent een eersteklas loser, Joop’) – het leek allemaal niets te hebben betekend toen ik op een laat-zomerse middag gewoon weer in de bibliotheek aan de oude Turfmarkt op mijn vertrouwde plek uit het raam zat te staren, en links achter me het al even vertrouwde stemgeluid van Jan hoorde.
-Hallo Jan.
-Dag Joop. Goed om je hier aan te treffen.
-Ben je …
-Ik ben gevlucht, Joop. Gister terug gevlogen. Bulgarije is nu een afgesloten hoofdstuk voor mij en Nanny.
Ik zat nog na te denken over hoe Nanny de Vries in het verhaal paste, toen Jan al aan het vertellen was.
Zijn verhaal kwam er kort en goed op neer dat hij met zijn nieuwe Bulgaarse liefde in een taxi door Sofia was gereden en dat de auto was ‘geramd’ door een andere.
-Het was een aanslag, Joop. Wonder boven wonder is er niemand gewond geraakt. Maar het was een aanslag op mijn leven.
Volgde een lange uitleg over wie en wat hij achter de attentat vermoedde, maar ik luisterde maar met een half oor. En kon het toen hij even pauzeerde niet nalaten op te merken:
-Tja Jan, je wilde van een nobody een somebody worden, en als somebody loop je natuurlijk wel in de smiezen.
Hierna hebben we elkaar zo’n kwart eeuw niet gezien.
(JoopFinland)