Terug naar hoofdinhoud
  • Archivaris
  • 362

Reis naar Auschwitz (deel 2)

In het vorige Kleintje kon je lezen wat voorafging aan het besluit een reis naar Auschwitz te maken. Het werd uiteindelijk een tocht die door een groot deel van Polen voerde, langs verschillende nazi-vernietigingskampen. In dit en het volgende Kleintje het verslag van de reis.

door Lia van der Heijden

5 mei
De reis is begonnen. We overnachten in Weimar in een heerlijk hotel na urenlang in de auto gezeten te hebben. Aan de andere kant van de stad, boven op een berg, ligt voormalig kamp Buchenwald.

"Onbekende Kinderen", p. 37: Marita Deen wordt in 1942 ondergebracht bij een Brabantse familie met dertien kinderen. De familie Deen is van oordeel dat de Brabantse familie niet deftig genoeg is voor Marita en ze wordt er weer weggehaald. Dat de familie Deen zichzelf nog een dergelijke arrogantie toestond, is tekenend voor de onwetendheid die er was over het lot dat de joden die werden opgeroepen om in Polen tewerkgesteld te worden, wachtte.

7 mei
Gisterochtend het graf van Goethe en Schiller bezocht. Ze bleken hemelsbreed nog geen tweehonderd meter verwijderd te liggen van de plek waar ik die nacht geslapen had.
Het Weimar Haus is een nog nieuw fenomeen. Het is een Eftelingachtige tocht door de geschiedenis van Weimar, gericht op scholieren. De tocht stopt echter in de eerste helft van de negentiende eeuw. Niets over de twintigste. Na Goethe, Schiller, Wieland en Herder is er kennelijk niets meer gebeurd in de hoofden en harten van de Weimar'ers, althans dat suggereert het Weimar Haus. De Republiek van Weimar. Het nationaal-socialisme met het dieptepunt kamp Buchenwald op acht kilometer afstand, waar mensen met allerlei achtergronden maar met het gemeenschappelijk kenmerk dat ze werden beschouwd als vijand van nazi-Duitsland, waren geïnterneerd. Politieke tegenstanders, joden, homoseksuelen, jehovagetuigen. Politieke joodse homoseksuelen. Niets van dat alles in het overzicht van de Weimarer geschiedenis. Misschien is het anders in het stadsmuseum. Helaas hadden we geen tijd dat nog te bezoeken.

's Middags in de regen naar Buchenwald. Ik heb nooit geweten dat het kamp zo dicht bij Weimar lag. Het is enorm koud en het waait hard. Het kleine parapluutje dat we bij ons hebben biedt nauwelijks bescherming.

We lopen naar de spoorlijn, aangelegd door gevangenen. In 1995 hebben middelbare scholieren en groepen antifascistische jongeren het tracé weer blootgelegd. Vanaf het perron werden de gevangenen over de Carachoweg richting het gevangenenkamp gejaagd. Een gevangen kunstenaar kreeg de opdracht om uit hout een richtingaanwijzer voor de Carachoweg te snijden. Het moest een pijl worden met rennende gevangenen erop. Het resultaat is te zien op de tentoonstelling.
Als je de toegangspoort van het kamp nadert, zie je in het smeedwerk in spiegelbeeld de tekst 'Jedem das seine'. Kennelijk was het de bedoeling dat de gevangenen daar steeds opnieuw op gewezen werden. Ze zagen de tekst gedurende de vele uren dat ze op appèl stonden. De appèlplaats was voor de ingang van het kamp.
Vanaf de appèlplaats gezien links van de toegangspoort buiten de prikkeldraadafrastering, maar goed zichtbaar voor de gevangenen, bevond zich de diergaarde van de SS. Ze hielden daar voor hun vermaak en dat van hun gezinnen een aantal ongetwijfeld goed gevoede dieren.
We lopen naar het crematorium en komen binnen in de ruimte waar de snijtafel staat. Aan de muur hangt een levensgrote, wandbedekkende foto van een stapel uitgemergelde lijken. Een meisje van een jaar of zes staat ernaar te kijken en bestudeert vervolgens, terwijl ik naar de foto kijk, de uitdrukking op mijn gezicht. Als ik haar aankijk, wendt ze haar ogen af. Ik kom haar die middag vaker tegen en steeds weer zie ik haar de uitdrukkingen op de gezichten van de volwassenen onderzoeken.
Onder het crematorium is een kelderruimte waar haken in de muren zijn geklonken. Mensen werden aan die haken opgehangen en zo gewurgd. Met een lift konden ze vervolgens getakeld worden naar de ruimte waar de ovens staan.
Aan de andere kant van het crematorium kom je binnen in een huisartsenkamer. Op een tafel liggen een stethoscoop en een bloeddrukmeter. Aan de muur hangt een afbeelding van de anatomie van het menselijk lichaam en de welbekende kaart met steeds kleiner wordende letters om ogen te testen. In een met een houten hek afgescheiden ruimte hangt een meetlat tegen een smal muurtje. Precies in het midden van de lat is over de lengte van de bovenste helft een spleet van ongeveer 2 cm. dikte aangebracht. Achter het muurtje blijkt een soort wachtershokje te zijn waarin een deurtje voor de spleet is gemonteerd.
De gevangenen werden, nadat hun longen beluisterd waren, hun bloeddruk gemeten en hun ogen getest, tegen de meetlat gezet en door de spleet met een nekschot vermoord.

Dicht bij de desinfectieruimte is een boomstronk te zien. Het overblijfsel, na een granaatinslag aan het eind van de oorlog, van wat ooit een dikke eik was. Het verhaal gaat dat Goethe met zijn geliefde Charlotte uren onder deze eik heeft doorgebracht, boven op de berg, met Weimar aan zijn voet.
Goethe en Buchenwald. Als zijn tombe ooit nog geopend wordt, zal hij op zijn buik blijken te liggen.

In de desinfectieruimte zijn tekeningen en beeldhouwwerk tentoongesteld, gemaakt door gevangenen tijdens hun verblijf in het kamp en daarna. Het dagelijks leven mocht niet getekend worden, maar de uitdrukkingen op de portretten spreken voor zich. En het heimwee: 'Landschap in de Karpaten'. Na de oorlog hebben de overlevenden alles getekend en gebeeldhouwd.
In het aangrenzende gebouw is over twee enorme verdiepingen een tentoonstelling ingericht. Ik haal maar één verdieping. Wilma is teruggegaan naar het informatiecentrum. Om zes uur gaat de poort van het kamp dicht. Het is kwart voor zes. De toezichthoudsters doen tralies voor de ramen van de tentoonstellingsruimte. Ik word onrustig. Buiten mij zijn er nog maar twee bezoekers. Opeens moet ik weg. Ik denk 'zo meteen word ik niet opgemerkt en zit ik hier opgesloten'.
Als ik buitenkom blijkt de regen te zijn overgegaan in een dichte mist. Ik zie geen hand voor ogen. Eigenlijk wil ik nog langs het joods en het zigeunermonument, maar durf het niet. In de mist ziet al helemaal niemand mij. Ik volg precies zoals we gekomen zijn de paden terug naar de toegangspoort. Alsof ik mijn ogen dicht heb, versterkt de mist de voorstelling van wat zich in dit kamp heeft afgespeeld, hoe de mensen zijn vermoord, hoe ze naar lichaam en geest zijn gecrepeerd.

Vanavond om acht uur zijn we aangekomen in Oswiecim. We logeren in hotel Glob, een enorme grijze kolos. Bij de eerste aanblik stokt mijn adem, maar als we de hoofdingang door gaan, lijkt het alsof we een film uit de jaren vijftig binnenstappen. De inrichting met lambrizering in rood en daaronder donkerbruin nephout roept herinneringen op aan de cafés uit mijn jeugd. En aan James Bond. Koude-Oorlogclichés in mijn hoofd, en ook de onvergetelijke zin uit een nummer waarvan ik niet weet hoe het heet: "The Russian spy and I, we both wonder why the world is split in two."
Inmiddels is het bange gevoel voor de confrontatie met Auschwitz waarmee ik de afgelopen tijd heel wat ochtenden ben wakker geworden, behoorlijk toegenomen.

8 mei
We nemen de verkeerde uitvalsweg uit Oswiecim en keren om. Terug op de rotonde slaan we linksaf, daar waar we eigenlijk vanuit het dorp rechtsaf hadden gemoeten. Mijn ogen speuren de weg af. Plotseling doemt aan de rechterkant een muur op met erbovenuit stekend de bogen van de betonnen palen die erachter staan, met prikkeldraad erop. Ik schrik: Auschwitz.
Het blijkt Auschwitz I, een voormalige Poolse kazerne die in 1940 door de Duitsers wordt ingericht als concentratiekamp voor politieke gevangenen. In 1941 bouwen de gevangenen van Auschwitz I het vernietigingskamp Auschwitz II, drie kilometer verderop bij het dorpje Brzezinka, Birkenau. Een deel van de inwoners van Brzezinka moet daarvoor zijn huis uit. De huizen worden gesloopt. In 1942 wordt Auschwitz III-Monowitz ingericht, waar gevangenen dwangarbeid verrichten voor de op het kampterrein gevestigde fabriek van IG-Farben.

Het was allemaal bekend, maar toch maar half. De ontmenselijking en vernietiging hebben een gezicht gekregen. Een gedetailleerder gezicht.
De instrumenten waarmee de nazi's op minutieuze wijze hun gevangenen vernietigden.
De massaliteit van de vernietiging van de Europese joden.
De mate waarin de vernietiging van de joden de geest van Hitler heeft beheerst.
De fanatieke, tot in details uitgewerkte efficiëntie waarmee de SS de vernietiging uitvoerde.
De houten quarantainebarakken, paardenstallen waren het, van 200 vierkante meter waarin 1000 zieke mensen werden gepropt. De wanden en steunbalken voorzien van teksten: 'Sauberkeit ist halbes leben', 'Reden ist silber, schweigen ist golt', 'Achte deine Vorgesetzten'.
De barak waar de Poolse kinderen met hun moeders gevangen zaten. Op de muren tekeningen in kleur van spelende en schoolgaande kinderen.
De barak waarin de SS joodse kinderen, bestemd voor experimenten, gevangen hield. Op de muur een tekening in zwart, van een SS'er die een jood slaat. En het alfabet, in kapitalen en kleine letters.
Het verslag in het handschrift dat steeds in de tentoonstellingsvitrines terugkeert - ik heb niet goed opgelet van wie het was, maar ik denk van de kampcommandant van Birkenau - waarin uiterst gedetailleerd het verloop van de vernietiging in de gaskamers, vanaf het moment van binnenkomst in de ontkleedruimte tot de beroving en verbranding van de lijken, beschreven wordt. Hoe het uitkleden verloopt. In wat voor gemoedstoestand de gevangenen vervolgens de gaskamer binnengaan. Hoe de zyklon B door luiken in het plafond naar binnen wordt gegooid. Kijkend door een luikje in de toegangsdeur wordt vastgesteld hoe lang het duurt voor de zieken dood zijn, de gezonde volwassenen dood zijn, de kinderen dood zijn, de bejaarden dood zijn. De constatering dat zyklon B geen brandwonden veroorzaakt. Het is het verslag van een soort wetenschappelijk onderzoek, en het is bedoeld om de hoge heren in Berlijn op de hoogte te houden.
De roofzucht waarmee de nazi's aan Griekse en Hongaarse joden land verkochten in Polen en hen lieten betalen voor ze op transport werden gesteld.
De enorme stapel koffers met namen en adressen van de eigenaren erop. De verwachting van het leven die daaruit spreekt, ondanks de dagelijkse ellende van antisemitisme en oorlog die de nieuwkomers al hadden meegemaakt. Ik probeer enkele namen in mijn hoofd te prenten om er althans een paar te bewaren, maar ik kan ze niet vasthouden. Behalve Eva(?) Komkommer uit Holland.
De kinderkleertjes.
De gebedsdoeken.
De waarschuwingsbordjes voor het prikkeldraad in Auschwitz I: aan de buitenkant witte bordjes met rode letters: "Vorsicht, Hochspannung, Lebensgefahr". Aan de binnenkant houten verveloze bordjes met zwarte letters: "Halt! Stoj!" en een doodskop.
De dodenbarakken in het vrouwenkamp in Birkenau waar de nazi's het niet nodig vonden nog enige sanitaire voorziening aan te brengen. Later realiseer ik me dat de vrouwen die daar terecht kwamen waarschijnlijk al zodanig uitgeteerd waren dat ze geen ontlasting meer hadden.

Voor Wilma krijgt de geschiedenis van Auschwitz op een eigen manier een verbinding met die van haarzelf. Ze is opgegroeid op het terrein van kamp Vught, oftewel "Konzentrationslager Herzogenbusch", dat al snel ook Durchgangslager was. In betere tijden was haar vader er directeur van de jeugdgevangenis Nieuw-Vosseveld. Nu is er een van de extra beveiligde inrichtingen, de EBI's, gevestigd. Het prikkeldraad in Auschwitz en sommige stukken van de muur daarachter zien er hetzelfde uit als de muren en het prikkeldraad die ze zich uit haar kindertijd herinnert. Haar gelukkige jeugd komt in schril contrast te staan met, zoals ze het verwoordde, de pijn die in Auschwitz uit de muren van de barakken sijpelt. Voor we weggaan wil ze het prikkeldraad en de muur nog even aanraken, maar we kunnen er niet bij.

(Wordt vervolgd in het volgende Kleintje)

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 362, 23 november 2001