Terug naar hoofdinhoud
  • Archivaris
  • 350

'vredesproces' in Israël

Met het recente geweld in Israël is het vredesproces tussen de joodse staat en de PLO stil komen te staan. In dit artikel analyseert Peter Edel de ontstaansgeschiedenis van het vredesproces en vraagt hij zich af in hoeverre de Palestijnse bevolking beter is geworden van de akkoorden die in dit verband zijn gesloten. Tenslotte gaat Edel na of er een alternatief is voor het vredesproces.

door Peter Edel

Het vredesproces tussen Israël en de Palestijnen is onverbrekelijk verbonden aan de naam van oud-premier Yitzhak Rabin. Samen met zijn partijgenoot Shimon Peres, zal hij de geschiedenis in gaan als de 'architect van de vrede'; als degene die het geweld in Israël definitief wilde beëindigen. Er bestaan veel misverstanden rond Rabin. Zoals de indruk dat hij uit humanitaire gevoelens jegens de Palestijnen tot zijn denkbeelden zou zijn gekomen. Niets is echter minder het geval, want het door Rabin vormgegeven beleid is altijd in de eerste plaats gericht geweest op de belangen van de joodse staat. Rabin is nooit afgeweken van de zionistische ideologie, die voorschrijft dat compromissen ten aanzien van niet-joden alleen toelaatbaar zijn, als deze het belang van de joodse gemeenschap in Israël dienen. Dat hij bij de belangen van de Palestijnen niet al te lang stilstond, blijkt uit de volgende ongenuanceerde uitspraak van Rabin: "I don't mind if the Gaza Strip is submerged into the sea." Ook de vroege carrière van Rabin geeft geen aanleiding tot vermoedens dat zijn politiek iets te maken had met menslievende gevoelens. Nadat de staat Israël in 1948 was uitgeroepen, voerde hij het bevel over commandotroepen van de zionistische 'Hagannah' beweging, in welke positie hij verantwoordelijk was voor het opblazen van huizen in verschillende Palestijnse dorpen.
De ideeën van Rabin kwamen voor het eerst naar voren na de glorieuze overwinning van het Israëlische leger in de 'Zesdaagse Oorlog' van 1967. De leiders van de joodse staat stonden toen voor de vraag hoe men de Arabische bevolking in de bezette gebieden voortaan moest controleren. Volgens Rabin deed Israël er verkeerd aan om met een groot aantal soldaten tot een "conquest from the inside" te komen. In plaats daarvan zag hij meer in een "domination from the outside", waarbij Palestijnse dorpen werden omsingeld door joodse nederzettingen en het Israëlische leger, terwijl de directe controle in handen kwam van de Palestijnse autoriteiten. Ook andere Israëlische politici waren destijds tot op bepaalde hoogte van mening dat de controle over de Palestijnen het meest efficiënt door Palestijnen zelf kon worden uitgevoerd. Moshe Dayan, de "man met 't ooglapje", die destijds minister van defensie was, dacht er ook al ongeveer zo over. De Israëlische bezettingsmacht onder zijn bestuur wees destijds Palestijnen aan, die als tussenpersoon kwamen te functioneren in de bezette gebieden. Van de vooraanstaande Palestijnen die hiertoe werden benaderd, was bekend dat zij op goede voet stonden met de Israëlische autoriteiten. Wanneer Palestijnen een verzoek aan de Israëlische leiders wensten te richten, dan kon dat via dergelijke tussenpersonen. In ruil hiervoor stelden deze hun politieke en sociale invloed binnen de Palestijnse gemeenschap in dienst van Israël. Vooral tijdens de jaren waarin Dayan in de regering zat, werkte dit systeem heel goed en ook daarna bleek het nog jaren efficiënt. Dat veranderde begin jaren tachtig, toen de toenmalige minister van defensie Ariel Sharon, de macht van de Palestijnse tussenpersonen aan banden begon te leggen. Hij verving hen door 'Village Leagues', die vaak waren samengesteld uit nogal onzuivere elementen binnen de Palestijnse gemeenschap. De Israëlische mensenrechtenactivist Israel Shahak heeft de Palestijnen in de 'Village Leagues' dan ook omschreven als: "the dregs of society."

Israëlische voorwaarden
Ook aan het door Sharon ingevoerde systeem kwam een einde toen in 1987 de 'Intifada' uitbrak. Deze Palestijnse opstand maakte het van het ene op het andere moment onmogelijk om Palestijnen door Palestijnen te laten controleren, zoals dat in de voorafgaande decennia in verschillende vormen was gebeurd. Voor de Israëlische machtselite was dit een probleem van niet geringe omvang. Om de Palestijnen in de bezette gebieden onder de duim te houden, was men voortaan genoodzaakt tot het inzetten van grote aantallen soldaten, die het vervolgens erg moeilijk kregen om hun taak uit te voeren. Men hield deze soldaten liever achter de hand voor het geval het echt nodig mocht zijn; voor in het geval er een 'echte' oorlog mocht uitbreken. Bovendien begon de inzet van al die soldaten behoorlijk in de papieren te lopen, want tijdens het hoogtepunt van de Intifada waren er zo'n 180.000 soldaten nodig om de opstand in de bezette gebieden te bedwingen, terwijl daar eerder 15.000 Israëlische soldaten waren gestationeerd. Voor het Israëlische politieke establishment bestond er daarom alle reden om terug te keren naar de situatie zoals die vóór de Intifada bestond. Rabin's "domination from the outside" werd daarmee actueler dan ooit tevoren. Toen hij in 1992 premier werd, lag hem dan ook niets in de weg om zijn plannen uit de jaren zestig uit te werken.

In de praktijk kwamen de ideeën van Rabin erop neer dat de Palestijnen een vorm van autonomie kregen toebedeeld, welke op veel punten vergelijkbaar was met de thuislandenpolitiek die de Zuid-Afrikaanse racisten in het verleden hanteerden. Een strikte clausule in Rabin's plannen bepaalde dat Israël volledig greep hield op de Palestijnse autoriteiten. Met de corrupte en op macht beluste leiders van de PLO was dat geen enkel probleem. In ruil voor geld, zowel als macht over de eigen gelederen, toonde PLO voorzitter Yasser Arafat zich zonder meer bereid om zijn eigen achterban uit naam van Israël te onderdrukken. Toch betekende het aangaan van afspraken met Arafat een grote verandering in de joodse staat. Eerder was alleen het denken aan contacten met de PLO daar al taboe; op een toenadering van Palestijnse organisaties heeft in Israël zelfs jarenlang een straf gestaan. Vanaf het moment dat Rabin het voor het zeggen kreeg, veranderde dit beeld evenwel drastisch en werd Yasser Arafat een belangrijk pion in het Israëlische streven naar zowel stabiliteit, als een dominante positie in het Midden-Oosten. Palestijnse autonomie zorgde er bovendien voor dat de Israël van een hoop problemen verlost raakten. Zolang de autonome gebieden door joodse nederzettingen en het Israëlische leger omsingeld bleven en de geheime politie van de PLO daar terreur zaaide, was het de Israëlische leiders allang best. Bovendien waren zij op deze manier niet langer verantwoordelijk voor de mensonwaardige omstandigheden waaronder veel Palestijnen leven. Zo kon Israël de handen in onschuld wassen wat betreft de bittere armoede in de Gazastrook, inclusief de kindersterfte die daar veel hoger is dan onder joden in Israël.
De beroemde overeenkomsten die in het afgelopen decennium zijn gesloten, zoals de 'Oslo akkoorden', vloeiden direct voort uit Rabin's aanpak. De wereld was vol van het "hoopvolle vredesproces", nadat Rabin en Arafat elkaar in aanwezigheid van Bill Clinton de hand hadden gedrukt. Voor de meeste Palestijnen betekende het op gang brengen van het vredesproces echter niet dat er veel veranderde. Want voortaan werden zij onderdrukt door hun eigen autoriteiten, in plaats van de Israëlische. De leiders van de joodse staat maakten absoluut geen probleem van de overduidelijke dictatoriale trekken van Arafat's bewind in de autonome gebieden. Sterker nog: gedurende het vredesproces heeft Israël er altijd op toegezien dat er geen democratisering binnen de Palestijnse gemeenschap plaats zou vinden. Alleen als Arafat met strakke hand over zijn achterban bleef heersen, viel er voor Israël over autonomie te praten.

Gigafada
In economisch opzicht heeft het vredesproces evenmin verbeteringen gebracht voor de Palestijnen. De Palestijnse elite heeft onder aanvoering van Arafat weliswaar royaal van de ontwikkelingen weten te profiteren, maar de meeste Palestijnen zijn er door het vredesproces alleen maar armer op geworden. Dat komt vooral door het afsluiten van de bezette gebieden, een Israëlische politiek die in de negentiger jaren hand in hand is gegaan met het vredesproces. De armoede die het gevolg is van dit beleid, komt Israël goed van pas. Als het in economisch opzicht beter zou gaan in de autonome gebieden, dan zou men daar wellicht overgaan tot maatschappelijke hervormingen en dat ziet Israël niet graag gebeuren. De joodse staat houdt de Palestijnen het liefst in precies hetzelfde feodalisme waar ze zich altijd al in bevonden hebben. De autonome gebieden staan in economisch opzicht eveneens onder volledige Israëlische supervisie, door een totale controle op de grenzen en de wegen die er naartoe voeren. Verder hebben de Israëlische leiders ervoor gezorgd dat alleen de joodse staat als afzetgebied voor Palestijnse producten overblijft. Wat de import betreft zijn de Palestijnen grotendeels aangewezen op producten die door ondernemingen van Yasser Arafat uit Israël worden betrokken. Langs dergelijke wegen weet Israël zijn greep op de autonome gebieden te behouden, terwijl Yasser Arafat in de gelegenheid werd gesteld om zich op een schandalige manier te verrijken. Want dat de zaken, die met het vredesproces op gang werden gebracht, hem geen windeieren hebben gelegd, moge duidelijk zijn. En dat terwijl er in de autonome Palestijnse gebieden bittere armoede heerst. Maar dat kan niemand wat schelen; Arafat misschien nog wel minder dan zijn Israëlische onderhandelingspartners.

Het spreekt voor zich dat veel van de fijne plannen tussen Arafat en de Israëlische leiders in duigen zijn gevallen met het recente uitbarsten van 'Intifada II'. Gelijk bleek weer eens hoe bruikbaar Arafat voor Israël is, want hij viel gelijk weer terug in de rol van 'katvanger', die hij al voor het vredesproces was. Ondanks alle aanwijzingen dat de PLO-leider de controle over de Palestijnse menigte volledig is kwijtgeraakt, schoof Ehud Barak hem dan ook direct alle schuld in de schoenen voor het ontstane geweld. De woedende uitlatingen van de Israëlische premier contrasteren sterk met de beelden die voorafgaand aan de Camp David II op de televisie te zien waren. Daar haalde een melige Arafat, in bijzijn van Bill Clinton, allerlei grappen en grollen met Barak uit. Natuurlijk zegt dit jolige gedoe niet zoveel over de betrekkingen die momenteel tussen Israël en de PLO bestaan. Maar aan de andere kant kan de mogelijkheid, dat de beschuldigingen die Arafat en Barak de laatste tijd hebben uitgewisseld voor een deel uit theater bestaat, niet worden uitgesloten. Duidelijk is in ieder geval dat de leiders van de joodse staat ook onder de huidige omstandigheden bezorgd zijn om de veiligheid van de PLO voorzitter. Dat bleek toen een vestiging van de PLO onlangs met Israëlische raketten bestookt werd. Arafat kreeg toen van Israëlische zijde de wijze raad om zich uit de voeten te maken. Kennelijk speelt de PLO-voorzitter nog altijd een rol in de plannen van de Israëlische regering, anders was men daar wellicht niet zo voorkomend geweest.
Aanleiding tot de recente Palestijnse opstand was het zorgvuldig geplande wandelingetje van Likoed-havik Ariel Sharon over de tempelberg (hetgeen hij gezien de aanwezigheid van 3000 soldaten nooit zonder toestemming van de Israëlische regering had kunnen doen). Het is zonneklaar dat deze provocatie van Sharon niet meer was dan het vonkje dat nodig was om het kruitvat vol Palestijnse frustraties te laten ontploffen. De 'tweede Intifada' is dan ook verre van een verrassende ontwikkeling. Een nieuwe ontwikkeling is dat de economische onvrede zich thans niet beperkt tot de Palestijnen in Israël, maar zich tevens heeft uitgespreid naar de onderste laag van de joodse bevolking, waar men de grootst mogelijke moeite heeft met de voor het Midden-Oosten hoge Israëlische levensstandaard. De armoede onder Israëliërs is niet in de laatste plaats veroorzaakt door het vredesproces in de laatste decennia tussen Israël en andere landen in de regio. Door de gesloten akkoorden, is het voor Israëlische industriëlen interessant geworden om zich te vestigen in een land als Jordanië of Egypte, omdat de lonen daar veel lager liggen dan in Israël. Het gevolg is een toename van de werkeloosheid in Israël, die zich niet beperkt tot de Palestijnen, maar ook de onderste laag van de joodse bevolking treft, zoals de vaak in armoede levende oriëntaalse (niet uit Europa afkomstige) joden met hun veelal enorme gezinnen. In deze richting moet het anti-Arabische geweld worden gezocht van Israëlische jongeren, waar in het begin van 'Intifada II' regelmatig over werd bericht. Hun handelen is niet alleen een reactie op de Palestijnse opstand, maar ook een protest aan het adres van de Israëlische regering, die haar 'vredespolitiek' jarenlang met het argument heeft verkocht dat het zou leiden tot grotere economische welstand. Iets soortgelijks geldt voor de Palestijnen, bij wie de recente frustraties niet alleen zijn veroorzaakt door de racistische politiek van Israël, maar ook door de onvrede met het corrupte beleid van Yasser Arafat en zijn PLO. In Israël gaat alles echter altijd andersom. Onvrede onder Palestijnen ten aanzien van de PLO draagt daardoor bij tot geweld tegen joden, terwijl geweld tegen de Palestijnse bevolking mede gevoed wordt door de frustraties onder Israëliërs over het beleid van de regering Barak. Wat dat betreft houden de recente ontwikkelingen gelijke pas met de al even paradoxale Israëlische politiek, waar de laagst betaalden op het rechtse Likoed-blok stemmen, terwijl de achterban van de 'linkse' Arbeiderspartij doorgaans uit de sociaal economische elite afkomstig is.

Het einde van het zionisme
Voordat Intifada II uitbrak geloofden veel Palestijnen nog dat zij via afspraken tussen Israël en de PLO uiteindelijk iets zouden krijgen dat op hun rechten leek. Ondertussen zal onder hen echter het besef zijn gegroeid dat het vredesproces nooit meer is geweest dan een lapmiddel, dat vooral bedoeld was om de politieke doelen van de elites aan beide kanten te dienen. Zij die naar aanleiding van de recente geweldsexplosie veronderstellen dat het vredesproces in aangepaste vorm toch nog tot iets zou kunnen leiden, beseffen niet hoe de zionistische ideologie in elkaar steekt. Het vredesproces, zoals Israëlische leiders dat in het afgelopen decennium hebben gepropageerd, zal ook als het weer opgepakt wordt, nooit kunnen leiden tot een einde van het racisme jegens de Palestijnen. Dat zou betekenen dat de zionistische ideologie een forse deuk oploopt en dat willen de Israëlische leiders vooralsnog tegen iedere prijs voorkomen. Dit geldt niet alleen voor de Arbeiderspartij, het Likoedblok en de ultrarechtse partijen, maar ook voor de linkse en Arabische leden van de Knesset, want ook zij onderschrijven het zionistische dogma dat Israël per definitie een joodse staat is. Dat moet ook wel, want in Israël staat de volksvertegenwoordiging alleen open voor groeperingen die het joodse karakter van de staat Israël geaccepteerd hebben. Dat laatste werd benadrukt toen er begin jaren tachtig een minuscule groep joden in Israël opstond, die zich niet met dit beginsel kon verenigen. In de Knesset werd toen met overweldigende meerderheid een wet aangenomen, die bepaalt dat aan de verkiezingen alleen partijen deel mogen nemen, die de status van Israël als joodse staat accepteren. Politieke stromingen die streven naar een land waar de rechten van álle inwoners binnen de grenzen van het land gewaarborgd zijn, zijn niet welkom in de Israëlische politiek. Hoever de invloed van de zionistische ideologie in Israël gaat, blijkt uit de opstelling van mensenrechtenbewegingen, als 'Gush Shalom' en 'Vrede Nu'. Ondanks alle goede bedoelingen, wenst men daar evenmin afstand te nemen van het beginsel dat Israël in principe een staat voor joden dient te zijn.
Dat men in Israël steeds hardnekkiger lijkt te worden bij het vasthouden aan de ideologie die het land in zijn greep houdt, kan heel goed als een indicatie worden gezien dat er binnen zionistische kringen gevoelens van onzekerheid leven. Want het zal niemand daar ontgaan zijn dat de houdbaarheidsdatum van politieke ideologieën, die in de negentiende eeuw zijn ontstaan, ondertussen ruim verstreken is; zeker als fundament van een natie. Als de laatste decennia iets hebben geleerd, dan is het dat wel. Israël is momenteel het enige land ter wereld waar raciale en religieuze grondslagen een nadrukkelijk onderscheid tussen verschillende bevolkingsgroepen voorschrijven. Het verval van de ideologische basis van de joodse staat is echter al geruime tijd waarneembaar. Veel van de idealen die de oorspronkelijke zionisten koesterden zijn ondertussen voltooid verleden tijd. Zo heeft geen Israëliër het tegenwoordig nog over het 'Avoda'-thema, de mythische verbondenheid tussen de joodse landarbeider en de Israëlische bodem waar de grondleggers van het zionisme zo vol van waren. In plaats daarvan maakt men zich in Israël vooral druk over de vraag of landarbeid door Palestijnen moet worden verricht, of dat daarvoor andere goedkope arbeidskrachten moeten worden betrokken. Een andere reden waarom het zionisme zijn langste tijd gehad lijkt te hebben, schuilt in de mate waarin deze ideologie op de jodenvervolgingen uit het verleden steunt. Eén van de belangrijkste zionistische dogma's bepaalt dat Israël gemachtigd is tot middelen, die voor andere staten ontoelaatbaar worden geacht, omdat de niet-joodse wereld de Europese joden in de steek liet toen Hitler zich aan hen vergreep. Sinds de oprichting van de staat Israël heeft dit argument decennia achtereen goed gewerkt. Vrijwel iedere kritiek op de behandeling van de Palestijnen kon langs die weg bijvoorbeeld jarenlang de mond worden gesnoerd. Recentelijk is er in dit facet van de zionistische ideologie echter behoorlijk de klad gekomen, hetgeen niet in de laatste plaats komt door het feit dat antisemitisme in de diaspora een uitstervend fenomeen is. Het zionistische dogma dat alleen een joodse staat de veiligheid van joden kan waarborgen, omdat de niet-joodse wereld per definitie als antisemitisch wordt beschouwd, kent dan ook nauwelijks nog enige overtuigingskracht. Sterker nog: als er tegenwoordig sprake is van een oplevend antisemitisme in Europa, dan blijkt dat meestal veroorzaakt te zijn door de Israëlische politiek. Dat blijkt wel uit de recente aanslagen op synagoges in Frankrijk.

alternatief: seculiere democratie
Het ligt in de lijn der verwachtingen dat de zionistische ideologie op den duur in al haar gedaanten zal ophouden te bestaan, waarna een ieder die in Israël woont dezelfde rechten zal krijgen. Temidden van al het recente geweld zal een dergelijke omwenteling op velen als volstrekt onvoorstelbaar overkomen. Het ligt zelfs voor de hand dat de voorstanders van een dergelijke antizionistische revolutie niet helemaal serieus worden genomen. Maar begrijp wel dat als iemand aan het begin jaren tachtig voorspeld zou hebben dat het communisme tien jaar later uit het Oostblok verdwenen was, hij of zij evenmin veel gehoor zou hebben gekregen. De recente geschiedenis laat zien dat grote omwentelingen zonder meer mogelijk zijn. Het relatief plotselinge einde van de apartheid in Zuid-Afrika bevestigt dit. Het is nu aan Israël om een einde te maken aan de achterhaalde raciale ideologie die het land beheerst.
Er zijn praktische redenen waarom een democratie in Israël, die los staat van wat voor religieus beginsel dan ook, op den duur onvermijdelijk zal zijn. Demografische veranderingen tonen aan dat Israël sowieso steeds minder als joodse staat kan worden aangemerkt. Dat komt vooral door de stroom immigranten uit de voormalige Sovjetrepublieken, waarvan een groot gedeelte niet-joods is. Hun komst naar Israël kent dan ook een grotendeels economische motivatie, die niets met zionistische idealen van doen heeft. Als deze tendens zich voortzet, zal de niet-joodse bevolkingsgroep in Israël binnen een aantal decennia aanzienlijke proporties hebben aangenomen. Onder die omstandigheden lijkt de vestiging van een seculiere democratie in Israël een logische stap, want het ligt voor de hand dat ook deze niet-joden in de toekomst de rechten op zullen eisen die aan het Israëlische staatsburgerschap zijn verbonden. Alleen de vestiging van een (werkelijk) seculiere democratie kan een langdurige vrede in Israël garanderen. Op het moment zullen zelfs de meest idealistische voorstanders van dit concept echter toe moeten geven dat er nog heel wat dient te gebeuren voordat het zover is. Daarbij is vooral het verwerpen van de racistische elementen uit de zionistische ideologie cruciaal. Het feit dat de meeste zionisten dit principe vooralsnog wensen te behouden is een gegeven, maar neemt niet weg dat de keuze voor Israël beperkt is. De Israëlische mensenrechtenactivist Israel Shahak herkent voor zijn land twee mogelijkheden: "It can become a fully closed and warlike ghetto, a Jewish Sparta, supported by the laboqr of Arab helots, kept in existence by its influence on the US polical establishment and by threats to use its nuclear power, or it can try to become an open society. The second choice is dependent on a honest examination of its Jewish past, on the admission that Jewish chauvisnism and exclusivism exist, and on a honest examination of the attitudes of Judaism towards the non-Jews."
Er bestaat weinig twijfel over dat de religieuze fanatici en de seculiere zionisten een "open society" zullen interpreteren als de vernietiging van Israël, zoals die jaren achtereen door extreme Arabische organisaties en landen is gepropageerd. De vestiging van een seculiere democratie in Israël sluit echter zeker niet uit dat er joden in dit land wonen en is om die reden iets heel anders dan het einde van Israël. Waar het wel op neer komt is dat Israël het land zou worden van de mensen die er wonen, wanneer de zionistische ideologie eenmaal overboord is gegooid. Dit stuit dan op religieuze en nationalistische bezwaren, maar vanuit een rationeel en vooral humanitair perspectief kan geen mens bezwaar tegen hebben tegen een ontwikkeling die de levensomstandigheden van zo velen zou verbeteren.

Er is simpelweg geen andere mogelijkheid da een seculiere staat. Alternatieven, waarbij de zionistisch ideologie in stand wordt gehouden, kunnen uiteindelijk alleen maar leiden tot verdere onderdrukking van de Palestijnen en het "Jewish Sparta" dat Israel Shahak in het vooruitzicht stelt. Bovendien blijft een grootschalige oorlog in het Midden-Oosten op de loer liggen zolang de zionistische ideologie de koers in Israël blijft bepalen. Voorlopig zal het overigens niet zo'n vaart zal lopen, want de Amerikaanse invloed in het Midden-Oosten verhindert dit. Dat bleek tijdens de Arabische top die onlangs in Cairo werd gehouden. Een voorstel om de betrekkingen tussen de Arabische landen en Israël volledig te verbreken, werd daar getorpedeerd door Saudi-Arabië, Egypte, en Jordanië; samen met Israël en Turkije precies de landen die de Amerikaanse machtspolitiek in het Midden-Oosten vertegenwoordigen. Wanneer er echter toch, onder wat voor omstandigheden dan ook, een oorlog in het Midden-Oosten uit mocht breken, dan zouden de gevolgen daarvan wel eens een nimmer vertoonde omvang kunnen krijgen; niet alleen voor Israëliërs en Palestijnen, maar ook voor de rest van de wereld. Daarbij dient vooral gedacht te worden aan het nucleaire arsenaal waar de joodse staat over beschikt. Daar komt bij dat het inzetten van kernwapens geen theoretische kwestie is. In 1973 bijvoorbeeld, wist Israël de Amerikaanse regering te chanteren, door met het inzetten van dergelijke massavernietigingswapens te dreigen. Nog griezeliger is dat er tijdens de Golfoorlog zelfs daadwerkelijk is overwogen om kernwapens in te zetten. Ehud Barak, de huidige premier van Israël, was destijds als generaal in het Israëlische leger, bereid om nucleaire wapens in te zetten tegen Irak. Ook onder de Israëlische bevolking bestaat een groeiende consensus om kernwapens te gebruiken. Dat wil zeggen: wanneer de dag aanbreekt waarop Israël van alle kanten wordt aangevallen en in politiek opzicht totaal geïsoleerd is geraakt. Vanaf dat moment zou de jarenlange indoctrinatie van de Israëlische bevolking - die minder is gebaseerd op de geschiedenis van Masada dan op het Bijbelse verhaal over Samson - wel eens tot een (nucleaire) collectieve zelfmoord kunnen leiden. Uiteindelijk dienen daarom niet alleen de Palestijnen, maar vooral ook de joden in Israël, tegen de zionistische ideologie te worden beschermd.

bronnen:
- "The Fateful Triangle, The United States, Israel & The Palestinians", Noam Chomsky, Boston: South End Press, 1983.
- "Israël wordt steeds minder joodse staat", Haagse Courant, 8 december 1999.
- "The Samson Option", Seymour Hersch, London: Faber and Faber, 1993.
- "Jewish History, Jewish Religion, The Weight of Three Thousand Years", Israël Shahak, London: Pluto Press, 1994.
- "Open Secrets", Israel Shahak, London: Pluto Press, 1997.
- "Jewish Fundamentalism in Israel", Israel Shahak en Norton Mezvinsky, London: Pluto Press, 1999.
- "The 'Peace process' and the CIA" (interview met Israel Shahak), Harry Clark, Against the Current, jan/feb 1999
- "Israel policy in the territories: Domination from the outside", Israel Shahak, Middle East International, 11 december 1998.
- "Gedreven door rechtvaardigheisgevoel", Soera nummer 2, 2000.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 350, 17 november 2000