Sovjet-Tsjetsjenië en de verschrikkingen
De tweede Tsjetsjeense oorlog Deel 4
Tijdens de pogingen om Tsjetsjenië in te lijven bij het Russisch Imperium is het Tsjetsjeense volk weinig bespaard gebleven. Massa-executies, deportaties en verkrachtingen moesten het volk op de knieën krijgen. Wie denkt dat daarmee het ergste achter de rug was komt bedrogen uit: tijdens de Sovjetperiode moest het ergste voor de Tsjetsjenen nog komen.
door Bas van der Plas
De strijd tussen de Tsjetsjenen en het Rode Leger van de communisten duurde tot 1925. In de zomer van dat jaar gaf Stalin het bevel om een grootscheepse ontwapeningscampagne in de Noordelijke Kaukasus uit te voeren. De operatie werd uitgevoerd door manschappen van het Militaire District Noord-Kaukasus, in nauwe samenwerking met de geheime politiedienst OGPU. Behalve het in beslag nemen van wapens had de operatie ook tot doel om potentile tegenstanders van het Sovjetregime op te pakken. Volgens latere rapporten uit Moskou werden er 21.000 geweren en 3.000 revolvers in beslag genomen. Slechts met de inzet van veel troepen en een hevige repressie kon Moskou haar greep op het gebied behouden. In december 1929 bleek weer een militaire operatie noodzakelijk tegen Tsjetsjenië. Ditmaal was het verzet tegen de collectivisatie van landbouwgronden en gedwongen russificatie de aanleiding.
showprocessen
In 1931 was de executie van rebellenleider Istamulov door de geheime politie het startsein voor de campagne om het gebied te zuiveren van 'contrarevolutionaire elementen' en 'islamitisch-nationalistische ideologen'. Zo'n 35.000 mensen werden gearresteerd, de meesten vrij snel na hun arrestatie geëxecuteerd. Daarna ontkwam Tsjetsjenië ook niet aan de Stalinterreur van de tweede helft van de dertiger jaren. Medio 1937 kwam een operatie op gang onder de naam "Algemene operatie voor de verwijdering van anti-Sovjet-elementen". In één nacht tijd werden 14.000 Tsjetsjenen opgepakt. Een aantal werd geëxecuteerd, de anderen verdwenen naar concentratiekampen.
In 1938 was er het geruchtmakende proces tegen 'het bourgeois-nationalistisch centrum van Tsjetsjenië-Ingushetië', andere showprocessen volgden. Tussen 1937 en 1939 daalde de Tsjetsjeense bevolking als gevolg van de executies tijdens de Stalinterreur met bijna 40.000.
deportatie
De Duitse aanval op de Sovjet-Unie van juni 1941 gaf Stalin de ultieme argumenten om af te rekenen met een aantal opstandige of ongewenste volkeren binnen het Sovjet-imperium, waaronder de Tsjetsjenen. Als argument werd 'steun aan de Nazi-indringers' opgevoerd. Hoewel de Nazi's Tsjetsjenië nooit hebben bezet, was volgens Stalin 'het hele Tsjetsjeense volk collaborateur'. In 1943 werd door de geheime politie, de NKVD, een plan opgesteld om het hele Tsjetsjeense volk te deporteren. De operatie begon op 23 februari 1944. In een aantal gevallen werd niet eens de moeite genomen tot deportatie over te gaan, maar werden hele dorpen uitgemoord. Omsingelde dorpen werden in brand gestoken en eenieder die aan de vlammenzee trachtte te ontkomen neergeschoten. In andere dorpen werden huis aan huis handgranaten naar binnen geworpen of mensen categorisch geëxecuteerd. De eerste dag van de operatie werden al 95.000 Tsjetsjenen ter deportatie op transport gezet, samengepakt in vrachtwagens. In bergdorpen, waar de vrachtwagens niet konden komen, werden mensen te voet in konvooi naar de wegen geleid en wie niet snel genoeg ter been was werd onderweg neergeschoten. Zesduizend vrachtwagens werden ingezet voor de deportatie. De NKVD had bepaald dat niet alleen de Tsjetsjenen die in Tsjetsjenië zelf woonden moesten worden gedeporteerd, maar ook die in de omliggende republieken. Zo werden bijvoorbeeld uit Dagestan 30.000 etnische Tsjetsjenen weggevoerd.
'natuurlijk verloop'
De Tsjetsjenen werden naar afgelegen gebieden in Centraal-Azië gebracht, zowel per trein als per vrachtwagen. Half maart 1944 was ruim een half miljoen Tsjetsjenen op transport gesteld voor deportatie. Doordat mensen dagenlang dicht opeengepakt zaten in treinen zonder sanitaire voorzieningen braken onderweg tyfus-epidemieën uit en in sommige gevallen haalde de helft van de op transport gestelden de eindbestemming niet. Volgens de verantwoordelijke lokale autoriteiten was dit een 'natuurlijke manier om van ze af te komen'. De meeste Tsjetsjenen werden naar Kazachstan en Kyrgyzstan gedeporteerd, anderen naar Oezbekistan en Tajikistan. Op de plaats van bestemming ontbraken alle voorzieningen: er was geen voedsel, geen huisvesting, geen sanitair. Het zou nog tot 1958 duren voordat zo'n 90% van het totaal aantal gedeporteerden was gehuisvest. Maar dan is het al vijf jaar na Stalin's dood en is de korte periode van dooi onder Chroestjov aangebroken. In de jaren ervoor waren al veel kinderen overleden door ondervoeding en ziektes, zodat het 'natuurlijk verloop' onder de Tsjetsjenen groot was.
terugkeer
Na de dood van Stalin kwam een voorzichtige discussie op gang over de terreur en de repressie die een integraal onderdeel van het regime waren gaan vormen. Veroordeelden in showprocessen werden postuum gerehabiliteerd en ook het vraagstuk van de gedeporteerde volkeren kwam aan de orde. Een aantal gedeporteerde Tsjetsjenen wilde een oplossing niet afwachten en vanaf 1954-55 kwam een stroom terugkerende Tsjetsjenen naar hun geboortegrond op gang. Na het Twintigste Congres van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie, waar Chroestjov Stalin veroordeelde, kwamen nog eens zo'n 25.000 Tsjetsjenen terug naar Tsjetsjenië. Zij vonden hun huizen door anderen ingenomen, maar bouwden hutten in de omgeving van hun vroegere woningen. In eerste instantie veroordeelde de Sovjetregering deze 'illegale terugkeer', maar het zorgde wel voor een discussie in de hoogste kringen van het Sovjet-imperium over de problematiek van de gedeporteerden. Uiteindelijk leidde dat tot een resolutie van het Centraal Comité over een 'gefaseerde terugkeer' van de Tsjetsjenen in de periode 1957-1960. Zij die 'gefaseerd' terugkeerden, liepen tegen dezelfde problemen aan als degenen die 'illegaal' waren teruggekomen: geen huisvesting, geen werk. En degenen die in Tsjetsjenië waren 'geherhuisvest' na de deportatie, voornamelijk etnische Russen, stonden vijandig tegenover de terugkerenden. Dat leidde in augustus 1958 zelfs tot anti-Tsjetsjeense pogroms in Grozny. Een Russisch comité eiste de verwijdering van alle Tsjetsjenen uit de republiek.
werkloosheid
De periode Brezjnjev, in de Sovjet-Unie de periode van 'stagnatie' genoemd, zorgde voor enige rust onder de Tsjetsjeense bevolking. Er waren niet meer de repressieve campagnes uit het verleden, maar veeleer werd nu aandacht gevraagd voor de sociaal-economische situatie. Nog altijd waren de etnische Tsjetsjenen slecht gehuisvest en was de werkloosheid onder hen hoog. Veel Tsjetsjenen zochten noodgedwongen hun heil elders en gingen werken in de industrie in Siberië of in de gebieden aan de Noordelijke IJszee, waar het moeilijk was aan arbeiders uit andere delen van de Sovjet-Unie te komen. Eind jaren 70 woonde nog maar 80% van de oorspronkelijke bevolking in Tsjetsjenië zelf, eind jaren 80 was dat nog zo'n 75%. De levensomstandigheden in Tsjetsjenië werden tot de slechtste van de Sovjet-Unie gerekend.
'onafhankelijkheid'
Na de dood van Brezjnjev in 1982 begon via de tussenpauzen Andropov en Tsjernjenko in 1985 een geheel nieuwe periode in de Sovjet-Unie met het aan de macht komen van Gorbatsjov. Het bekende programma van 'perestrojka' (verbouwing) en 'glasnost' (openheid) werd ontwikkeld in een poging de vermolmde structuren van de oude Sovjet-Unie bijeen te houden. Door de besluiteloosheid van Gorbatsjov werd de perestrojka evenwel een middelpuntvliedende kracht die uiteindelijk in 1991 de Sovjet-Unie zou versplinteren. In Tsjetsjenië leidde de perestrojka in 1989 tot een openlijke afkeuring van de Communistische Partij, uit wier naam de deportaties van het Tsjetsjeense volk, de nationale tragedie, waren uitgevoerd. In augustus 1989 vond een eerste congres plaats van de volkeren van de Noordelijke Kaukasus, waar gesproken werd over een federale staat Kaukasus. In de loop van 1989/90 ontstond een aantal politieke organisaties die er openlijk voor uit kwamen dat zij voor de Tsjetsjeense, respectievelijk Kaukasische onafhankelijkheid waren. Een sterke radicaal-nationalistische beweging kwam op gang en het Tsjetsjeense Nationale Congres werd opgericht. Toen het, na de augustuscoup van 1991 in Moskou, gedaan leek met de Sovjet-Unie, riepen de Tsjetsjenen op 1 november van dat jaar de onafhankelijkheid uit. Op 27 oktober was Dzokhar Dudayev al tot president gekozen. In reactie op de onafhankelijkheid sloot op 1 december het westelijk deel, Ingushetië, zich aan bij de Russische Federatie, omdat de Ingusheten bang waren door de radicale Tsjetsjenen te worden overheerst. Vanaf dat moment is er sprake van de Tsjetsjeense republiek Ichkeria, de facto onafhankelijk, maar voor de Russen nog altijd hún territorium...
Bas van der Plas is coördinator van Insudok, informatie- en documentatiecentrum over de voormalige Sovjet-Unie en het GOS.
Bezoek ook onze website: www.stelling.nl/insudok
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 344, 5 mei 2000