Terug naar hoofdinhoud
  • Archivaris
  • 363

Reis naar Auschwitz

In Kleintje Muurkrant 361 kon je lezen wat voorafging aan het besluit een reis naar Auschwitz te maken. Het werd uiteindelijk een tocht die door een groot deel van Polen, langs verschillende nazi-vernietigingskampen voerde. In het vorige Kleintje een verslag van de reis door Duitsland langs Buchenwald naar Auschwitz, in dit Kleintje het vervolg en slot langs Majdanek, Sobibór en Treblinka.

door Lia van der Heijden

10 mei
Gistermiddag dacht ik: "De joden zijn gestorven in Polen, maar ze hebben er ook geleefd. Morgen in Krakau ga ik daarnaar op zoek." Ik dacht eigenlijk vooral aan een museum, maar gisteravond kwamen we, zoekend naar een overnachtingsmogelijkheid even buiten het centrum, in de hoop dat die wel enigszins te betalen zijn, bij toeval in een joodse wijk terecht. Veel muziek, veel mensen op terrasjes, en een hotel - tot de nok toe vol met prachtige spiegels, meubels, kleden en kant - dat nog niet was volgeboekt. Hoewel de keuken al gesloten was, kregen we nog een bord ontzettend lekker eten voorgeschoteld. "Niks museum", dacht ik, "We zitten midden in het Poolse joodse leven."
Vandaag bij daglicht blijkt dat er van de vooroorlogse joodse wijk niet veel meer over is dan het plein waaraan ons hotel staat, en wat straten eromheen. Wat resteert is toch een beetje een museum geworden. In de oorlog is op bevel van Hans Frank, gouverneur van Polen onder de Duitse bezetting, de hele wijk ontruimd, de culturele instellingen gesloten en de aanwezige kunstschatten geroofd en naar Duitsland overgebracht. 65.000 joden zijn uit Krakau en omliggende dorpen weggevoerd. Nu heeft Krakau 800.000 inwoners. Stel dat het er in 1940 600.000 waren, dan is tien procent van de bevolking gedeporteerd.

12 mei
Vanuit de camping bij Lublin waar we onze tent hebben opgeslagen, rijden we de buitenwijken van de stad in. Ergens in een van de stadsdelen rechts gelegen moet het kamp Majdanek liggen. Het is moeilijk te vinden. Bij een bushalte vraagt Wilma de weg. Twee vrouwen vertellen haar in rappe Poolse zinnen hoe we moeten rijden. Uit de woordjes prawo en lewo, rechts en links, die we inmiddels kennen, en de gebaren waarmee het aantal kruisingen wordt aangeduid, hebben we de goede richting een heel eind gereconstrueerd, zo blijkt als we ineens een richtingaanwijzer 'Majdanek' zien. We volgen de bordjes. Wilma zegt: "Hier moet het toch ergens zijn", en op dat moment zie ik het kamp aan onze rechterhand, iets lager gelegen dan de stad. Opnieuw schrik ik. Zwarte houten barakken. We parkeren de auto en lopen het terrein op. Meteen in de eerste barak blijkt een gaskamer gebouwd te zijn. Op de buitenkant hang een bordje met daarop 'Desinfektion'. Aan de andere kant van het kampterrein is het crematorium met nog een gaskamer. De mensen die de lijken moesten verbranden, werden als ze klaar waren met hun werk zelf vergast, om te voorkomen dat ze zouden kunnen navertellen wat ze hadden gezien.
Het kamp maakt, anders dan Auschwitz, een krakkemikkige indruk, veel minder efficiënt, wat het zo mogelijk nog luguberder maakt. Opmerkelijk is de kleur van het gras: binnen en buiten de dubbele prikkeldraadafrastering is het groen, ertussenin is het geel, dood.
Bij het kamp is een informatiecentrum ingericht waar een montage wordt vertoond, van filmopnamen die gemaakt zijn door filmers die met het Poolse leger in juli 1944 het kamp binnentrokken. De montage begint met beelden van de gevangenis van de Gestapo in Lublin, waar op de avond voor de bevrijding van de stad en het kamp alle gevangenen zijn doodgeschoten. Vervolgens worden beelden uit het kamp vertoond. De montage is in 1960 gemaakt. Het commentaar is Engelstalig. Het geheel duurt 24 minuten. Slechts één keer, aan het begin, worden de joden met name genoemd. Zelfs bij de vermelding van de massamoord op 3 november 1943 spreekt het commentaar neutraal over 'prisoners'. In werkelijkheid zijn op die dag, vanaf het ochtendappèl tot vijf uur 's-middags, 18.400 joden, voor een deel nog diezelfde dag opgepakt en naar het kamp gebracht, geëxecuteerd op het veld achter het crematorium. Het was de laatste fase in de vernietiging van de joden uit het district Lublin. Op de gedenksteen die bij het veld is opgericht, is wel vermeld dat het joden betrof. Het commentaar bij de filmmontage is een historisch document op zich: 'de communistische propagandamachine verbood dat er in de geschiedschrijving onderscheid gemaakt werd naar achtergrond en specifieke politieke context van de gevangenen van het fascisme.'

Ook nu weer bedenk ik me dat de bewoners van Lublin, net als die van Oswiëcim, hebben moeten leren leven met de aanwezigheid van een vernietigingskamp zo dicht op hun huid. Meer dan ooit realiseer ik me dat Polen een bezet land was, waarin een aantal plaatsen een vernietigingskamp kreeg opgedrongen. Ik probeer me voor te stellen met wat voor beeld van de geschiedenis ik zou zijn opgegroeid als er een vernietigingskamp was geweest bij Duizel, het dorpje in de Brabantse Kempen waar ik vandaan kom. Het zijn feiten die ik me nooit bewust voor de geest heb gehaald. Ik associeerde Polen tamelijk automatisch met antisemitisme. Maar tegenover fel antisemitisme stond in de Poolse geschiedenis ook gastvrijheid tegenover de joden die de pogroms in Rusland en Zuid- en Midden-Europa ontvluchtten. Ook in Polen deden zich pogroms voor, maar tegelijkertijd hebben nergens in Europa zoveel joden gewoond.
Een spoor van de manier waarop Oswiëcim vandaag de dag omgaat met Auschwitz werd zichtbaar toen we, terwijl we op de Markt een kopje koffie dronken, een groep kleuters keurig twee aan twee in de rij de Markt zagen oversteken. Een paar kinderen hadden de folder van het Joods Historisch Centrum in de hand. Het centrum is gevestigd in de enige van tientallen synagogen in Oswiëcim die niet geheel verwoest is in de oorlogsjaren. Ze hadden, jong als ze zijn, de tentoonstelling over het vooroorlogs joodse leven in hun woonplaats bezocht.

15 mei
Sobibór. In anderhalf jaar zijn hier 250.000 joden en 1000 Polen vermoord. Om het kamp draaiende te houden werd een permanent aantal van 600 gevangenen in leven gehouden. Bij afname van hun arbeidskracht werden ze vergast en vervangen door daarvoor geselecteerde nieuw aangekomen gevangenen. Wie niet nodig was voor het kamp werd meteen na aankomst vergast in een van de zes gaskamers van Sobibór.
Op 14 oktober 1943 komen de gevangenen in opstand. Ze vermoorden een deel van de kampbewakers en SS'ers en driehonderd gevangenen vluchten. De rest wordt neergeknald. Van de opstandelingen van wie de namen bekend zijn, hangen foto's op de tentoonstelling. Onder hen zes vrouwen: Selma Engel, Regina Feldman, Eda Lichtman, Zelda Metz-Kelberman, Estera Raab, Hela Felenbaum-Weiss. Ik zie ze voortdurend, rennend door de uitgestrekte bossen hier, de dood op hun hielen, maar de vrijheid tegemoet.
Ik zie ook voortdurend die Amsterdamse straat waar een razzia bezig is en de achtjarige Meijer van West, weggelopen van zijn onderduikadres, op weg naar huis, de hoek om komt en ziet hoe zijn oma in een vrachtwagen wordt gesmeten. Hij begint te rennen en springt erbij. Dapper jongetje. Hun eindstation was Sobibór. Tegen beter weten in koester ik de hoop hier een spoor van hem te vinden. Waarom? Voor Carla die hem nog altijd zoekt, in de bus, op straat.
Geen spoor van Meijer en van geen enkel ander kind.

Op de tentoonstelling hangt een kopie van de notulen, door Eichmann opgesteld, van de Wannsee-conferentie in januari 1942. Op deze conferentie werd besloten tot de vernietiging van de gehele Europese joodse bevolking, maar dat is niet expliciet in de notulen te lezen. De vergadering begint met een overzicht van de stand van zaken wat betreft de 'Auswanderung' van de joden uit Duitsland en de door de nazi's bezette gebieden. Vervolgens wordt besloten tot de definitieve verwijdering van de joden uit "das Altreich und das Lebensraum des Deutsches Volkes." De bedoeling is ze allen naar kampen in Oost-Europa te deporteren en het arbeidspotentieel onder hen aldaar tewerk te stellen. Degenen die niet in staat zijn te werken zullen een andere behandeling krijgen. Welke, wordt niet met name genoemd. Ook later wordt in dit verband verhullend gesproken over "andere Möglichkeiten der Endlösung der Jüdenfrage." (Citaten bij benadering, puttend uit mijn herinnering). Bij Von der Dunk lees ik dat de eindbestemming van de gedeporteerden in ambtelijke stukken in het algemeen versluierd wordt beschreven.
De gaskamers waren op dat moment al in werking. Von der Dunk (p.176) schrijft dat Rudolf Höss, commandant van Auschwitz I, in de zomer van 1941 bij Himmler wordt ontboden. Die deelt hem mee dat de Führer de Endlösung der Jüdenfrage heeft bevolen en die taak heeft toebedeeld aan de SS. Dat komt overeen met de ongedateerde fragmenten in handschrift die in de vitrines van de tentoonstelling in Auschwitz liggen, waarin de schrijver meldt dat hij naar Berlijn ontboden werd en daar, overigens niet van Himmler maar van de Führer in hoogsteigen persoon, het bevel krijgt een begin te maken met de vernietiging van de joden in de gaskamers van Birkenau.
Een ander opvallend punt uit de notulen is dat joden boven de 65 jaar vrijgesteld worden van arbeid in Oost-Europa en in andere kampen moeten worden ondergebracht. Als voorbeeld van een kamp waar ze kunnen worden geïnterneerd, wordt Theresienstadt genoemd. Ook dat is anders dan de feitelijke praktijk was. Verder komt in de notulen minutieus aan de orde wie ingevolge de Neurenberger rassenwetten van 1935 beschouwd moet worden als voljoods, welke "Mischlingen" gelijkgesteld moeten worden met de joden en welke met "de Duitsers." Zo staat het er. De Duitse joden waren geen Duitsers meer.

16 mei
Treblinka. Tienduizend stenen, grote en kleine, alle maten, zijn hier opgericht ter herinnering aan de joden en zigeuners die in dit vernietigingskamp het leven lieten.Tachtig keer zoveel mensen als er stenen staan werden hier vermoord in de dertien maanden tussen juli 1942 en augustus 1943, in dertien gaskamers. Ook hier brak een opstand uit, waaraan 840 gevangenen deelnamen. Van hen konden er 200 ontsnappen en 100 onder hen maakten het einde van de oorlog mee. Na de opstand werd het vernietigingskamp langzaam ontmanteld en in november 1943 definitief opgeheven. Het strafkamp bestond van 1941 tot 1944. Tienduizend Polen vonden daar de dood. Het monument is prachtig.

Er staat ook een steen voor elke plaats waarvandaan de joodse bevolking naar Treblinka werd gedeporteerd. Daartussen Jedwabne. Waren daar nog joden over na de massamoord op 10 juli 1941 die, zoals onlangs is vastgesteld, niet door de Duitsers maar door de Poolse inwoners van het dorp is begaan? Wat is waar in deze geschiedenis? Polen en de joden. Gastvrijheid en pogroms. Polen ging zwaar gebukt onder de Duitse bezetting en heeft net als alle bezette landen gecollaboreerd, maar zich ook verzet. Zes miljoen Polen, drie miljoen joods, drie miljoen niet-joods, kwamen om. Onder hen elfhonderd voor de vrijheid van Nederland. Maar konden er in 1939 joden onderduiken in Polen? Waarschijnlijk soms wel, net als in andere landen het soms kon. In geen van de tentoonstellingen is er echter een spoor van te vinden. Het is een verstandhouding waarover nog veel gezegd en geschreven zal moeten worden.

De voorstelling dat de joden zich zonder verzet massaal hebben laten vernietigen, is een mythe. Dat is me op deze reis heel duidelijk geworden. Een mythe die gevaarlijk is omdat hij niet zelden irritatie blijkt op te roepen onder niet-joden en omdat hij als uitermate radicaliserende factor leeft onder de joods-nationalistische na-oorlogse generatie in Israël (Von der Dunk, p.207).
Onwetendheid in combinatie met onvoorstelbaarheid van het einddoel van de deportaties naar Polen is ongetwijfeld bepalend geweest voor het feit dat er voorafgaand aan de deportaties relatief weinig verzet was. Er waren wel degelijk joodse verzetsgroepen, maar dat is vermoedelijk te weinig bekend onder het niet-joodse deel der naties. Echter in de vernietigingskampen zelf zijn opstanden uitgebroken met niet gering gevolg. In Birkenau had een opstand van een Sonderkommando de verwoesting van het crematorium van een van de vijf gaskamers tot gevolg, waarmee de gaskamer, die 2000 mensen tegelijk kon bevatten, feitelijk onbruikbaar werd. In Sobibór leidde de opstand tot de dood van een aanzienlijk deel van de kampbewaking en de SS, waardoor het kamp, en daarmee zes gaskamers, al in oktober 1943 werd ontmanteld. In Treblinka gebeurde hetzelfde als gevolg van de opstand in november 1943. Daarmee werden dertien gaskamers ontmanteld. Dat alles geschiedde een half jaar tot een jaar voor het definitieve einde van de oorlog in Polen. Als je die periode en de gezamenlijke capaciteit van de ontmantelde gaskamers in ogenschouw neemt, is het niet irreëel te veronderstellen dat de opstanden onder de joodse gevangenen de dood van nog eens honderdduizenden, misschien wel een miljoen mensen hebben voorkomen.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 363, 20 december 2001