Terug naar hoofdinhoud
  • Archivaris
  • 370

Hoe fout is Urenco?

Dat de kernproeven in Pakistan hun oorsprong hebben in de spionage activiteiten van Abdul Quadeer Khan in de Almelose vestiging van de Uranium Enrichment Company (Urenco) is bekend. En dat Nederlandse verrijking draait op de methode van Professor Kistemaker is ook geen nieuws. Maar dat de Brits-Duits-Nederlandse Urenco concerns en haar aandeelhouders het niet zo nauw nemen met non-proleferatie-aspecten en op nazi-fundamenten zijn gebouwd is minder bekend.

door Theo Radestra

"Wij zijn zo vrij, Uw aandacht te vestigen op de nieuwste ontwikkelingen in de kernfysica, die het naar onze mening mogelijk zal maken een explosief te vervaardigen dat in vele orden van grootte krachtiger zal zijn dan de conventionele. [...] Het land dat er het eerst gebruik van maakt, heeft een niet meer in te halen voorsprong op de anderen behaald. [...] - Heil Hitler" (1).
Met deze brief van 24 april 1939 aan Reichmarschall Hermann Göring, mede ondertekend door kernfysicus Wilhelm Groth, begint de geschiedenis van Neerlands uraanverrijking te Almelo.
In de herfst van 1941 worden Duitse kernfysici opgeroepen voor een geheime militaire conferentie die zich buigt over de vraag hoe zuiver uraan-235 te verkrijgen voor de productie van de 'uranium-bom'. Het apparaat dat werd besproken is de ultracentrifuge, aanvankelijk gascentrifuge genoemd. Het principe ervan werd al in 1919 door Britse geleerden gepubliceerd. De nazi Wilhelm Groth en de communist Max Steenbeck zijn Duitse centrifugisten. Het tegenstroom centrifuge principe van Steenbeck had theoretisch het grootste scheidend vermogen en leek op industriële schaal toepasbaar. Het voordeel van gascentrifuge ten opzichte van gasdiffusie is dat het minder energie kost, minder ruimte in beslag neemt en gemakkelijker kan worden uitgebreid naar gelang de behoefte. Door deze drie eigenschappen moest het de meest goedkope methode zijn om uraan te verrijken voor de productie van een kernwapen.

Kistemakers SS-avontuur
Een 18 jarige Noord-Hollandse boerenzoon, genaamd Jacob Kistemaker, begon in 1935 zijn studie te Leiden. Waar hij tot in de oorlogsjaren als assistent van de directeur van het Kamerlingh Onnes-laboratorium werkt. In een brief van 13 mei 1944 nr. 2027 afd. HO schrijft een NSB-secretaris-generaal in het Duits dat in het Leidse laboratorium "de laatste jaren ononderbroken waardevolle wetenschappelijke arbeid is verricht; de daar aan verbonden professoren en het verdere personeel, ook de 'Instrumentenmakersschool' hebben zonder uitzondering volkomen loyaal hun plicht vervuld..." (2). De niet-collaborerende onderdelen van de Leidse universiteit werden in 1944 door SS-Hauptsturmführer dr. Bötcher geplunderd en naar het Duitse Jülich (ter hoogte van Heerlen) verscheept. Dr. Bötcher had in de voorafgaande bezettingsjaren bij het Leidse laboratorium gewerkt. De in 1937 te Amsterdam opgerichte N.V. Handelsonderneming Cellastic werd in de Tweede Wereldoorlog een door de Duitsers van alle faciliteiten voorziene organisatie, waarbij wetenschappelijk-industriële spionage werd uitgevoerd in het Cellastic-gebouw Rue Quentin-Bauchart te Parijs. Sinds 22 juni 1940 stond het kernfysische laboratorium van Frederic Joliot-curie te Parijs onder Wehmacht-beheer. De nazi's besloten de installaties te laten functioneren en te gaan toezien op eventuele resultaten. Onder de niet-Duitse geleerden, maar die wel tot collaboratie met de nazi's bereid waren, bevond zich de jonge drs. J. Kistemaker. 'Cellastic' treed dan in actieve oorlogsfuntie. Kistemaker behoorde tot de dagelijkse bureaustaf van het Parijse Cellastic-gebouw (3). Vanuit het leidse laboratorium werd, tussen 1941 en de bevrijding van Parijs in augustus 1944, een groot aantal malen zonder problemen naar de Franse hoofdstad gereisd (4). Onder dit reisgenootschap bevond zich ook de Duitse nazi Wilhelm Groth, de medeondertekenaar van de brief aan Göring in 1939, die zowel in Leiden als in Parijs onderzoek verrichtte.
In 1945 promoveerde Kistemaker aan de universiteit van Leiden. De nazi's Groth en Bötcher zetten hun onderzoek voort, voor de firma DEGUSSA te Bonn. Waarschijnlijk werd reeds in 1947 Groths centrifuge-onderzoek in het geheim in Nederland ondergebracht, aan de Hoogte Kadijk in Amsterdam, het eerste eigen na-oorlogse FOM-laboratorium van Kistemaker. Kistemaker was op 1 januari 1947 in dienst getreden van deze door de staat ingestelde stichting Fundamenteel Onderzoek Materie (FOM). Hij begon als research-fysicus en is vanaf 1953 belast met het onderdeel 'Massascheiding', waaronder ook de scheiding van uraan-isotopen behoorde. In 1954 hervatte Groth zijn onderzoek in Hanau, de vestigingsplaats van DEGUSSA-dochter NUKEM (5). In 1955 krijgt Kistemaker van de directeur van de firma Werkspoor (dat later zou opgaan in Stork) een voorschot van 22.500 gulden voor zijn onderzoek naar de scheiding van zware isotopen. In datzelfde jaar wordt het Reactor Centrum Nederland (RCN), door Staat en bedrijfsleven, opgericht. Sinds 1956 staat de post 'ultracentrifuge' op de begroting (118.500). Het jaarverslag van het FOM over 1957 meldt: "Door het RCN werd met Duitse instanties overleg gepleegd aangaande samenwerking op het gebied van de ultracentrifuge-ontwikkeling, waarbij zal worden voortgebouwd op een reeds langer bestaand onofficieel contact tussen prof. Kistemaker en prof. Groth van de universiteit van Bonn, die eveneens experimenten en studies op dit gebied verricht. "In 1958 is de ultracentrifuge post opgelopen tot 300.000 gulden. Dit is het jaar van geruchten over een Duits-Nederlandse proeffabriek (6). In het jaarverslag van het Reactor Centrum Nederland over 1961 (ultracentrifuge post 340.000 gulden) wordt vermeld, dat Kistemaker gebruik maakt van "de tegenstroom wervel volgens de methode-Steenbeck". Met 'de methode van Professor Kistemaker' wordt dus bedoeld, de door Kistemaker ontworpen centrifuge volgens het Steenbeck principe, die hij samen met de Duitse nazi Wilhelm Groth ontwikkelde.

Ultracentrifuge en kernwapens
In 1976 is in Almelo, na een bouw van 2 jaar, de gezamenlijke Nederlands-Duitse demonstratie fabriek 'SP1' (Seperation Plant 1) in bedrijf genomen. De centrifuges zijn van Wilhelm Groths ontwerp (7). Het Duitse centrifuge project was tot 'staatsgeheim' verklaard en niet tot 'militair geheim', omdat de Bondsrepubliek zich ertoe had verplicht kernenergie slechts voor vreedzame doeleinden te gebruiken (8). De Duitse en Nederlandse verrijkingsvestigingen van Urenco mogen bomzuiver uraan-235 produceren, mits deze uitsluitend voor burgerlijke of wetenschappelijke doeleinden en niet voor wapenproductie is bestemd (9). Toen de heer J.E.E. Meilof, technisch directeur Urenco Nederland BV, in 1977 werd gevraagd of de centrifuge technologie gebruikt kon worden voor kernwapenproductie, zei hij: "Nou, ik ben geen expert op het gebied van de wapenindustrie maar ik dacht dat die jongens meer dan 90 procent verrijkt uranium nodig hadden. Voor de verrijking moet je duizenden centrifuges achter elkaar schakelen, door elke centrifuge wordt het uranium een stapje verder verrijkt. Als je het proces herhaalt of als je het verder uitbouwt dan kom je tot over de 90 procent als je dat wilt. [...] als je een bom zou willen maken, heb ik als niet-deskundige begrepen, dan zou je inderdaad van centrifuges gebruik kunnen maken."
De vraag of Urenco ook technologie aan Brazilië verkoopt, ontkent de toenmalige Urenco directeur, maar het zou mogelijk zijn dat "dochterondernemingen" dat wel doen aan betrouwbare landen (10). Het contract tussen Urenco en de Braziliaanse Nuclébras dateert van 20 september 1976. Uranit (Urenco's Duitse aandeelhouder) verkoopt, in ruil voor een deel van de uraanerts productie, verrijkingstechnologie aan Brazilië. Tot de Braziliaanse verrijking is gebouwd, levert de Urenco-Group uraan aan Brazilië, dat Brazilië gedeeltelijk doorverkoopt aan Irak. In 1997 ondertekent Brazilië het Non-Proliferatieverdrag omdat het de mogelijkheid bezit kernwapens te maken (7).

Atoombom en apartheid
In 1978 verkoopt Uranit kennis over het ultracentrifuge procedé aan Zuid-Afrika. Dat hiermee al snel uraan produceert voor kernwapens, waarmee het kernproeven uitvoert. In datzelfde jaar wordt bekend dat BNFL (Urenco's Britse klant en aandeelhouder) uraan betrekt uit de grootste uraanmijn ter wereld (De Rössing-mijn van de Britse multinational Rio Tinto Zinc) in het door Zuid-Afrika bezette Namibië. Volgens decreet nr. 1 uit 1974 van de Verenigde Naties is daarom de export van grondstoffen uit Namibië verboden.
Omdat Urenco alleen maar haar verrijkingsdiensten verkoopt van de door haar klanten ingekocht materiaal, wordt de Nederlandse Staat niet vervolgd wegens heling van geroofde delfstoffen. Mocht de VN erachter komen dat Urenco het verarmde uraan van haar klanten opkoopt, heeft Urenco zich ingedekt met de mededeling dat er in de ultracentrifuges een mix aan uraan uit diverse landen wordt gebruikt. De herkomst zou niet meer te traceren zijn (7, 11). In de jaren zestig is het de Amerikaanse mijnbouwmaatschappij Rio Tinto die deelneemt aan de Westduitse firma NUKEM te Hannau (aandeelhouder Uranit), dochteronderneming van DEGUSSA te Bonn (12). Uranit is sinds haar oprichting in 1969 gevestigd in Jülich, waar SS-Hauptsturmführer dr. Alfred Richard Bötcher in de jaren veertig het geplunderde universiteits instrumentarium naartoe verscheepte. Tot eind jaren zestig is dr. Bötcher DEGUSSA directeur (13).

Controle en schijnheiligheid
In 1988 wordt de directeur van DEGUSSA-dochter NUKEM in Hanau geschorst vanwege het verdwijnen van twee vaten radioactief afval, waarschijnlijk richting het Pakistaans kernwapenprogramma. De NUKEM-directeur blijft directie-voorzitter van de Urenco-Group. Op verzoek van CDA-minister Van den Broek (Buitenlandse Zaken) naar aanleiding van de NUKEM-affaire, hebben de regeringen van Zweden, Zwitserland en de Verenigde Staten schriftelijk vastgelegd het uit Almelo ontvangen verrijkt uraan niet meer te zullen gebruiken voor militaire doeleinden (14). Bij de Tweede Kamer besprekingen in januari 1998 over opwerking van splijtstof uit Borssele en Dodewaard, wil de PvdA-fractie dat Nederland geen nucleair materiaal verkoopt aan het buitenland: "Met de verkoop aan andere landen blijven we de kernenergiecyclus voortzetten, hetgeen wij ook niet willen stimuleren." Zes maanden later krijgen de D66-ministers Wijers (Economische Zaken) en Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) toestemming van de Tweede kamer (inclusief de PvdA-fractie) voor het ondertekenen van een tienjarig leveringscontract van Urenco Nederland met de Taiwan Power Company (in de 'opstandige' Chineese provincie Taiwan). Hierbij treedt de staat op als privaatrechtelijk persoon namens de firma Urenco, waarbij (internationale) publieksrechtelijke non-proleferatie-aspecten worden overgelaten aan de controlerende instantie, de Internationaal Atoom Energie Agentschap (IAEA - waarin Pakistan wordt vertegewoordigd door de heer Kahn) te Wenen en Euratom te Brussel (7, 15). Maar wanneer de 'nationale veiligheid' in het geding is, hoeft kernmacht Groot-Brittannië zelfs controle van de IAEA niet toe te staan en Euratom controle is niet toegestaan op 'stoffen voor verdedigingsdoeleinden' (9).

Na de schandalen over het Namibisch uraan, Kahn, NUKEM en de Braziliaanse doorsluising van uraan aan Irak, heeft Urenco waarschijnlijk bij de VN een slechte naam. (Dat Urenco actief heeft meegewerkt aan de totstandkoming van een kernmacht in Zuid-Amerika en Afrika schijnt geen schandaal te zijn!) In het voorjaar van 1996 probeert Urenco namelijk een wit voetje bij de VN te halen: Urenco medewerkers in inspectieteams van de Verenigde Naties herkennen in Iraakse installaties centrifuge technologie en centrifuge rotoren van Urenco. Het materiaal is door ex-medewerkers van de voormalig Uranit-aandeelhouder MAN geleverd (7). De Zwarte Piet toespelen aan (aandeelhouders van) de Urenco-aandeelhouders lijkt sinds 1970 een Urenco standaard. Want, zoals iedere Urenco directeur zal mededelen: Urenco Nederland BV is en blijft "een keurig nette, degelijke Hollandse industie" (10).

Momenteel wordt er driftig gewerkt aan een productie uitbreiding naar 3.500 ton jaarlijks isotopenscheidend vermogen (SW/a) (7). Laat men Urenco haar gang gaan of moet het eerst echt mis gaan zoals in Tsjernobyl? (Boem is ho?)

(Theo Radestra, met dank aan 123FM, Bart Meinen (NENO) en de openbare bibliotheek van Almelo)

Bronnen:
1. David Irving, "The Virus House", London 1967, p.34
2. De Waarheid, 22 augustus 1961
3. Samuel A. Goudsmit, "ALSOS - the Failure in German Science" Londen 1947, p. 38-40
4. Michel Bar-Zohar, "La Chasse aux Savants allemands (1944-1960)", Parijs 1965, p. 113
5. Konkret, artikel 'De gefähliche Zentrifuge', 1 november 1960
6. Het Vrije Volk, 14 oktober 1960
home.hetnet.nl/~antinucleair/
8. Le Monde, 21 oktober 1960, 30 november 1969 en 1 december 1969
9. Memorie van Antwoorden, Voorlopig Verslag van de Tweede Kamer, (wetsontwerp ratificatie u.c.verdrag), januari 1971
10. De Nieuwe Linie, 2 februari 1977, p. 5
11. De Groene Amsterdammer, 15 november 1978, p. 3
12. Wim Klinkenberg, "De Ultracentrifuge 1937-1970" Van Gennep/In de Toren, 1971, p. 153 (noot 9)
13. Wim Klinkenberg, "De Ultracentrifuge 1937-1970" Van Gennep/In de Toren, 1971, p. 85 (noot 12) & p. 172
14. De Twentsche Courant, 22 januari 1988
15. Elseviers Magazine, 29 april 1978, p. 100-101.
16. NENONIeuws, Jaargang 1 Nummer 2 april 2000 p. 4 & Jaargang 3 Nummer 1 maart 2002 p. 6.
17. "Postanovleniyem pravitelstva opredeleny novyye funktsii i struktura Minatoma," Atompressa, 18 November 1998, p. 1.
18. "Minister Mikhailov Reorganizes Atomic Agency," Post-Soviet Nuclear Defense Monitor, 10/28/96, p. 6-8.

Kistemakers avontuur
De officiële versie gaat als volgt. Jacob (Jaap) Kistemaker wordt op 23 april 1917 in Kolhorn (Noord-Holland) geboren. Hij studeert vanaf 1935 tot in de oorlogsjaren te leiden, waar hij als assistent van de directeur van het Kamerlingh Onnes-laboratorium wordt aangesteld. In mei 1943 trouwt Kistemaker. In opdracht van de laboratorium directeur gaat hij in 1944 drie keer naar Parijs. Eén van de Nederlanders aldaar, mogelijk Kistemaker, probeert zonder succes Londen te waarschuwen dat vanuit het Parijse Cellastic-gebouw spionage activiteiten door de nazi's worden uitgevoerd. In 1945 promoveert Kistemaker aan de universiteit van Leiden. In 1955 verdwaalt Kistemaker in Duitsland en belandt prompt op een colloquium over ultracentrifuges. De volgende dag in Nederland, krijgt hij financiële ondersteuning voor zijn centrifuge onderzoek. In 1957 neemt hij contact op met de Duitse professor Wilhelm Groth, die tot beider verbazing aan hetzelfde onderzoek blijkt te werken.

Ultracentrifuge in Brits-Franse politiek
De Nederlands-Duitse Urenco combinatie heeft haar basis in de jaren '40-'45 (officieel 1957). De vreemde combinatie van een Brits-Duits-Nederlandse samenwerking komt uit de jaren zestig. In die tijd hoopte Frankrijk dat haar gasdiffusie fabriek het spil werd van de Europese Gemeenschappen (Frankrijk, Duitsland, Italië, Nederland, België en Luxemburg) en daarmee Euratom. Frankrijk weigerde de toetreding van Groot-Brittannië en dacht dat het ultracentrifuge-project nog lang in een experimenteel stadium zou verkeren. De Britten richten zich tot Bonn voor deelname aan het project, hetgeen werd aanvaard. Frankrijk leek nu alleen toegang tot de ultracentrifuge technologie te kunnen kopen (via de openbaarheid van 'militair geheim') door Groot-Brittannië tot de Gemeenschappelijk Markt toe te laten. [8]

Uraan voor Russisch Kernwapenarsenaal?
Urenco heeft een contract met de verrijkingsinstallatie van Minatom, het Russisch Ministerie van Kernenergie. Daar wordt het verarmde uraan, dat Urenco opkoopt van haar verrijkingsklanten, opnieuw verrijkt. Deze opkooppraktijk van kernafval is waarschijnlijk al in de jaren zestig begonnen om de prijs te reduceren en daarmee de concurentie positie te versterken. In de jaren negentig wordt deze puur economische gegronde praktijk gebracht als het immer gewilde recyclingsproject van Urenco. Volgens Urenco wordt er in Rusland verrijkt tot een percentage van natuurlijk uraan, dat weer terug naar Nederland gaat. Het sterk verarmde uraan blijft achter in Rusland. [16] Maar gezien de activiteiten van Minatom hoeft deze lezing niet op waarheid te berusten. Minatom is op 28 januari 1992 per presidentieel decreet opgericht. Minatom is verantwoordelijk voor het ontwikkelen, testen en produceren van het Russische Kernwapenarsenaal.[17] In Oktober 1996, onderging het Ministerie een reorganisatie die enkele ambtelijke posities versterkte, waaronder die van Lev Ryabev, die tevens tot Staat Secretaris van Minatom werd benoemd. Door deze post kan Ryabev de minister passeren en direct de Russisiche Minister-President benaderen. [18]

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 370, 16 augustus 2002