Skip to main content
  • Archivaris
  • 347

voorstel aan B'nai B'rith (deel 2)

In het vorige Kleintje beschreef Peter Edel de gang van zaken rond het hoger beroep dat op 11 april jongstleden tegen het tijdschrift Ravage en hem diende. In hetzelfde artikel kondigde hij aan de artikelen, die hij in de afgelopen jaren heeft geschreven over zionisme, Israël en B'nai B'rith, op te zullen sturen naar dhr. Naftaniël van het CIDI en B'nai B'rith Nederland. De laatstgenoemde kreeg daarbij het voorstel te reageren in het Kleintje.

door Peter Edel

Het voorstel aan dhr. Naftaniël verstuurde ik op 3 juli jongstleden. Zijn antwoord liet niet lang op zich wachten, want drie dagen later schreef hij het volgende bericht aan het Kleintje: "Geachte heer Edel, Uw brief van 3 juli heb ik in goede orde ontvangen. Ik zie geen reden om te reageren in Kleintje Muurkrant. Hoogachtend, drs Ronny Naftaniël, directeur CIDI."
Aanvankelijk verbaasde deze reactie mij enigszins. Ik kon me voorstellen dat deze pertinente weigering van dhr. Naftaniël, om een discussie met mij aan te gaan, in het nadeel van de Nederlandse B'nai B'rith vertakkingen had kunnen wegen tijdens een eventueel nieuw proces. Er liep immers nog een verzoek tot cassatie bij de Hoge Raad. Juist op dit punt zijn er echter ontwikkelingen te melden. Want rond 20 juli ontving ik van mijn advocaat het volgende bericht van het Gerechtshof te Amsterdam: "Op 18 juli 2000 kwam ter griffie van dit gerechtshof mw. mr Van Kaaij, van der, advocaat-generaal bij dit gerechtshof die verklaarde het beroep in CASSATIE IN TE TREKKEN tegen het arrest d.d. 25 april 2000."
Het proces tegen Ravage en ondergetekende is hiermee dus definitief van de baan. Het werd tijd moet ik zeggen, na bijna vier jaar van criminalisering en andere verdachtmakingen, die op mijn gezin ondertussen de nodige sporen hebben achtergelaten. Toch vind ik dat er wel enigszins sprake is van een anticlimax, want het ligt voor de hand dat ik me ondertussen aan het voorbereiden was om voor de Hoge Raad te verschijnen. Maar dat gaat dus allemaal niet door.
Het is de vraag wat de advocaat-generaal tot haar besluit heeft gemotiveerd. Officieel hoeft zij daaromtrent geen toelichting te geven, maar ik heb haar ondertussen toch maar schriftelijk verzocht of zij dat in dit geval wel wil doen. Natuurlijk ligt het voor de hand om het wegvallen van het beroep in cassatie te koppelen aan mijn voorstel aan dhr. Naftaniël in het vorige Kleintje. Wellicht hebben mijn artikelen uit het Kleintje hem doen beseffen wat hij heeft gecreëerd door mij voor de rechter te slepen. Want ik kan niet ontkennen dat deze hele affaire mij in de afgelopen jaren behoorlijk heeft gemotiveerd om het zionisme aan een kritische beschouwing te onderwerpen. Het is de vraag of al de artikelen met betrekking tot dit onderwerp in het Kleintje wel waren ontstaan als dhr. Naftaniël het mij niet zo lastig had gemaakt. Dat heeft hij ondertussen toch maar mooi tot stand gebracht. Men zou zich gezien de gebeurtenissen in de afgelopen weken zelfs af kunnen vragen of ik deze hele affaire niet drastisch had kunnen bekorten door mijn artikelen in een eerder stadium naar dhr. Naftaniël te sturen. Na de publikatie van het laatste deel over samenzweringen in Israël in Kleintje nummer 345 was ik echter pas op het punt gekomen dat ik het gevoel had klaar te zijn voor een dergelijke stap. Om dat te kunnen doen heb ik doelbewust een aantal cruciale facetten rond het zionisme en de situatie in Israël de revue laten passeren in het Kleintje. Pas naar aanleiding daarvan realiseerde ik mij klaar te zijn voor een discussie met dhr. Naftaniël. Ik moet zeggen dat ik het jammer vind dat hij de handschoen niet heeft opgenomen, want het had volgens mij erg interessant kunnen worden. Terwijl dhr. Naftaniël er geen problemen mee heeft om een journalist van alles in de schoenen te schuiven, maakt hij zich dus snel uit de voeten als hij tot een discussie wordt uitgedaagd. Ik zou het heel aardig vinden als iemand in zijn plaats met mij zou willen discussiëren. Vooralsnog heeft zich ten aanzien van mijn artikelen in het Kleintje namelijk teleurstellend weinig kritiek ontwikkeld. Er was een reactie van het voormalige Kleintje redactielid Lia van der Heijden en via e-mail kwam een reactie binnen van Ronald Eissens van de 'Magenta Foundation', maar daar is het dan ook bij gebleven. Bovendien hadden beide reacties helaas veel eerder betrekking op het artikel in Ravage uit 1996, dan op mijn verdediging daarvan in het Kleintje. Ik had eerlijk gezegd wel iets meer reacties verwacht, zoals van de Friese antifascisten die in 1996 nog zo'n grote mond hadden; het is in die hoek opvallend stil geworden. Het lijkt me dus zeker niet onvoorstelbaar dat er een verband bestaat tussen mijn voorstel aan B'nai B'rith Nederland en het recente besluit van de advocaat-generaal. Maar zoals ik zojuist al schreef valt hierover niets met zekerheid te zeggen. Misschien dat het eventuele antwoord van de advocaat-generaal nog voor uitsluitsel kan zorgen, maar helaas heb ik op het moment van schrijven nog geen bericht van haar mogen ontvangen. Wat in ieder geval vast staat, is dat het proces definitief is afgelopen en dat ik geen verdachte meer ben. Wat mij rest is diegenen te bedanken die mij de afgelopen jaren hebben bijgestaan. In het bijzonder wil ik daarbij mijn vrouw en dochter noemen. Beide hebben in de afgelopen jaren engelengeduld moeten betrachten en zijn noodzakelijkerwijs vaak op het tweede plan terecht gekomen. Daarnaast ben ik dank verschuldigd aan de beide advocaten die mij tijdens het proces en het hoger beroep hebben verdedigd, respectievelijk Mr. Koers in Amsterdam en Mr. Wilgers in Goes. Verder gaan mijn gedachten uit naar dhr. Lenni Brenner in New York en dhr. Israel Shahak in Jeruzalem, die mij in de laatste jaren talloze keren van waardevolle adviezen hebben voorzien. Tenslotte wil ik de redactie van Kleintje Muurkrant danken dat men mij de gelegenheid heeft geboden een uitgebreide schriftelijke verdediging te bieden.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 347, 25 augustus 2000