Haags staatsgeweld tegen RAF ontleed
Frank van Ree (1927) was in 1977 en 1978 één van de vertrouwensartsen van de toen in Nederland gedetineerde Rote Armee Fraktion-leden. In "Vrijheidsstrijd, verzet, terrorisme. Verslag van een RAF-vertrouwensarts" beschrijft Van Ree nu, ruim twintig jaar na dato, zijn ervaringen met deze gevangenen van de staat.
door Boudewijn Chorus
Het gaat om Gert Schneider, Christof Wackernagel en Knut Folkerts. Schneider werd door de Duitse politie gezocht wegens medeplichtigheid aan een bomaanslag, Wackernagel wegens medeplichtigheid aan de ontvoering van en moord op werkgeversvoorzitter Hanns Martin Schleyer en de dood van diens chauffeur en drie lijfwachten. Folkerts werd verdacht van medeplichtigheid aan het doden van procureur-generaal Siegfried Buback en twee van diens lijfwachten. Schneider en Wackernagel hadden bij hun arrestatie in Amsterdam op agenten geschoten en waren ook zelf gewond geraakt. Folkerts had bij zijn arrestatie in Utrecht een Nederlandse agent doodgeschoten en een ander zwaar verwond. Daarvoor is hij, drie maanden na zijn arrestatie, in Nederland tot twintig jaar veroordeeld. Net als beide andere RAF-leden is hij echter negen maanden later aan West-Duitsland uitgeleverd. Daar is Folkerts tot levenslang veroordeeld, de beide anderen tot vijftien jaar. Sinds enkele jaren zijn zij, deels in proeftijd, weer vrij.
Dat Frank van Ree pas nu met zijn boek over de behandeling van deze RAF-gevangenen in Nederland komt, heeft enerzijds te maken met de aard van het fenomeen vertrouwensarts. De omstandigheden zijn intussen zodanig veranderd, dat het mogelijk is geworden de betrokken ex-RAF-leden om doorbreking van de overeengekomen vertrouwelijkheid te vragen. Zij hebben zich inmiddels alle drie, als de meeste van hun voormalige strijdmakkers, ieder in een eigen toonaard, openlijk gedistantieerd van de tot geplande moord en doodslag verworden praktijk van de RAF. Anderzijds beschrijft Frank van Ree, op een bijzonder openhartige wijze, hoe hij pas de laatste jaren tot het inzicht is gekomen waarom deze jongens zich konden ontwikkelen tot zulke dogmatische en uiteindelijk meedogenloze stadsguerillero's in de metropolen van het kapitalisme. Want dát ze desperaat waren, daarover laat psychiater Van Ree geen twijfel bestaan.
Vijanddenken
Van Ree ontleedt op een integere, rustige, wijze welke sociale en politieke factoren in de naoorlogse Westduitse samenleving daartoe hebben bijgedragen. De voedingsbodem van de gewapende strijd lag in de overdracht van het diepgewortelde oorlogsdenken door de generatie van hun ouders. Kinderen zijn in het Duitsland van na de oorlog vaak in vertwijfeling en verwarring groot gebracht. Van Ree beschrijft in detail de innerlijk tegenstrijdige aard van het vijanddenken dat zij meekregen. Enerzijds leerden zij van hun ouders dat de nazi's ontspoorde beesten waren, anderzijds zagen zij dat vele van die nazi's nog steeds of opnieuw belangrijke posities bekleedden in de nieuwe, democratische, staat. Tegelijk moesten zij geloven dat de Amerikanen, toen de grootste bezettingsmacht in West-Duitsland, de 'goeden' waren en de Russen het tegendeel. En dat terwijl diezelfde Yankees nog pas enkele jaren eerder de bevolking in vele Duitse steden met nietsontziende bommentapijten hadden gedecimeerd. Het lag aldus voor de hand, dat deze jongeren zich zo'n twee decennia later, bij de technologische ontplooiing van het US-imperialisme in Vietnam, massaal tegen Amerika keerden en zich, in uiteenlopende gradaties en varianten, oriënteerden op in Moskou of Peking en in diverse Derde Wereldlanden aangehangen marxistisch-leninistische ideologieën. En evenzeer, dat de Duitse jongeren - en niet toevallig ook de Italiaanse en Japanse - zich feller en rabiater manifesteerden dan hun zich meer ludiek uitende collega's in andere landen. Een gedrag, dat bovendien aanzienlijk versterkt werd door de verkrampte repressie van de jonge, fragiele staatsmacht in de nog onder curatele staande Bondsrepubliek. In alle ijver om het kasplantje van de democratie te verdedigen, werd het door de bewakers zelf bijna vertrapt. Zo kon de bijzonder vrijzinnige grondwet van de BRD in luttele jaren verworden tot een schaduw van de eens bewierookte vrijheid en gelijkheid voor alle burgers.
Oude koek?
Wisten we dat allemaal niet allang? Heb ik zelf niet in mijn boek 'Als op ons geschoten wordt', dat ik 22 jaar geleden publiceerde, deze factoren uitgebreid de revue laten passeren? Zeker. Maar dat sorteerde nauwelijks effect, omdat ik het bracht in een tamelijk opgewonden proza, op een welhaast permanent verontwaardigde toon. Twijfel was mij vreemd, grote woorden waren gemakkelijk gevonden en de verdorvenheid van staatsdienaren stond bij voorbaat vast. Een activisten-stijl, die tot stand kwam toen Knut Folkerts en zijn kameraden nog schietend rondgingen, een stijl ook die volop de sporen droeg van de zorg om de verpulvering van de relatieve vrijheid die wij naar ons gevoel nog maar zeer recent bevochten hadden (Ban-de-Bom, provo). Ik schrijf dat nu niet om mij achteraf te verontschuldigen. Anarchisten zijn naar mijn stellige overtuiging wel de laatsten die zich voor hun opvattingen van destijds behoeven te schamen. Ik heb mij toen en later echter veelvuldig moeten verweren tegen aantijgingen van solidariteit met de RAF. In mijn eigen politieke omgeving, maar ook bijvoorbeeld tegenover beroepscollega's in de journalistiek. Complicerend daarbij is steeds geweest, dat ik - op historische gronden - de onvermijdelijkheid van revolutionair geweld voor een essentiële omwenteling van de politieke verhoudingen onderstreepte. De RAF heb ik echter niet als revolutionair beschouwd. 'De noodzaak van een sociale revolutie wordt ook in het anarchisme erkend, maar deze is niet gelijk te stellen met de noodzaak van gewapende strijd als interventiemethode. Over het algemeen wijzen anarchisten gewapend verzet in niet-revolutionaire perioden af. Gewapende initiatieven dienen uitdrukking te zijn van en aanvulling op de strijd van een sociale beweging van de massa. (-) Er wordt niets geïntervenieerd met geïsoleerde stadsguerilla, niet in de staatsmacht, niet in de status quo van het systeem en ook niet in het klassebewustzijn. Integendeel, de tendentiële ontwikkeling naar techno-fascisme wordt versneld.' (pag. 100/101 van 'Als op ons geschoten wordt').
Mijn solidariteit gold wél de vervolgden die ter linkerzijde opereerden, daaronder de RAF-gevangenen, die ik zag als slachtoffers van het staatsgeweld. Over die keuze zou ik nu even weinig twijfel hebben als toen, ook als het om onderdak of vluchthulp zou gaan aan lieden die niet geheel mijn politieke signatuur hebben, maar er wel dicht bij staan. Dat moet je natuurlijk kunnen screenen, wat al gauw neerkomt op de voorwaarde dat ze je bekend zijn, hetzij aanbevolen worden door bekende kameraden. Zulke solidariteit maakt kwetsbaar, en ook bij mijn (overwegend publicitaire) inspanningen in dat kader, heb ik in het verleden over 'de vijand' te dikwijls te gemakkelijk mijn analyses gehanteerd. Al blijken vele ervan intussen te kloppen, - en zullen ook de 'zelfmoorden' van Ulrike Meinhof, Andreas Baader, Gudrun Ensslin, Jan Carl Raspe en Ingrid Schubert op een goede dag net zo worden opgehelderd als bijvoorbeeld de lang ontkende liquidatie van Ernesto Che Guevara. Analyseren is één, analyses adequaat inzetten en effectief aan de man/vrouw brengen is evenwel de eigenlijke kunst. En daarin heb ik naar mijn huidige inzicht uiteindelijk gefaald. Mijn boek kon immers, juist door die vooringenomen argumentering, regelrecht worden ingedeeld bij één van beide kampen in het zwart-wit model dat Van Ree typeert als vijanddenken. En daarmee schoot het zijn eigenlijke doel voorbij.
Ervaringsspecialist
Dat geldt geenszins voor het boek van Frank van Ree. Hij heeft zijn tijd gebruikt om de nodige afstand te kunnen nemen. Hij brengt het gezag van zijn psychiatrische deskundigheid mee. En het gelouterde inzicht van een in de analyse van het menselijk gedrag getrainde ervaringsspecialist, die daar bovendien zijn hoogst persoonlijke bevrijding van de eigen oorlogstraumata aan durft toe te voegen. Hij schrijft, dat hij mede tot zijn inzichten over de stigmatiserende rol van het vijanddenken is gekomen door de ontdekking van de psychische wonden die hij zelf, als zovelen van zijn generatie, door ervaringen in de oorlog heeft opgelopen.
Al in 1938 zag hij, onderweg in Duitsland op vakantie naar Oostenrijk, voor zijn nog jonge ogen hoe mannen in zwarte uniformen met een open auto een joodse hotelgast opzettelijk tegen een muur de benen verbrijzelden. In de oorlogsjaren voegden zich daar nog diverse andere afschuwwekkende observaties bij. Ook zag hij zich in zijn jeugd geconfronteerd met zulke verwarrende vijandbeelden als hij later traceerde bij zijn RAF-cliënten. Er waren duidelijk anti-joodse gevoelens thuis, maar toch werd een joodse onderduiker opgenomen. Er waren zelfs nog anti-Engelse ressentimenten, daterend van de Boerenoorlog in Zuid-Afrika, terwijl de Britten in WO II de rol van onze bevrijders kregen. En die voor kinderen o zo vriendelijke Duitsers in het Beierse vakantieland waren van de ene op de andere dag angstaanjagende kerels geworden, die brulden, sloegen en doodschopten. Van Ree maakte mee, dat opgelucht gejuicht werd toen een neergeschoten Duitse piloot, die uit zijn toestel sprong, te pletter sloeg omdat zijn parachute niet openging.
Tientallen jaren lang, zo schrijft Van Ree, heeft hij zijn trauma's weggedrukt, ontkend, niet herkend. Eenmaal ontdekt, begreep hij niet alleen zijn eigen latere 'ontsporingen' (ten opzichte van zijn directe omgeving, maar ook wel in zijn beroepsuitoefening bij de selectie van patiënten bijvoorbeeld) maar herkende hij die - of soortgelijke verschijnselen - ook bij vele van zijn tijdgenoten en de generatie die hen opvolgt. Daaronder de RAF-leden, maar bijvoorbeeld ook extremen ter rechterzijde, zoals de neonazi's in (Oost-)Duitsland. Ook de specifieke problematiek van de jarenlang collectief verdrongen groep van kinderen van foute ouders in ons land (sympatiserende nazi's, NSB-ers, zwartfronters, collaborateurs) wordt daarbij door Van Ree aangehaald. En - weer aan de andere zijde van het politieke spectrum - hij beschrijft ook hoe hij in zijn eigen zoon, die een lange mars door de kaders van maoïstische splinters in Nederland uiteindelijk goed te boven kwam, nog de sporen van het door hemzelf als vader ongewild overgedragen vijandbeeld constateerde.
Isolatiefolter
Is het met dit alles niet veeleer een boek over Van Ree zelf geworden? Nee. Allereerst niet, omdat ook feitelijk het overgrote deel van zijn boek het verslag behelst van zijn bevindingen en ervaringen met de drie RAF-leden. Minutieus ontleedt Van Ree daarbij, aan de hand van toen opgetekende verslagen van zijn bezoeken aan de (maandenlang in hongerstaking zijnde) gevangenen, de mensonwaardige behandeling van deze politieke gedetineerden in Nederlandse cellen. Overtuigend toont hij aan, dat er wel degelijk sprake was van 'isolatiefolter' - ook al was het woord exemplarisch voor de oorlogstaal die de RAF-gelederen bezigden. Nederlandse beambten hielden, merendeels willens en wetens, op gezag van Nederlandse autoriteiten een nodeloos inhumaan regime in stand, dat alleen maar kon leiden tot beschadiging en uiteindelijk crepering, en dat dus in wezen terecht door de RAF omschreven werd als 'executie op termijn'. Van Ree trekt niet expliciet die conclusie in zijn boek, omdat hij niet kan geloven, dat de opzet van de staat werkelijk liquidatie was. Hij lijkt eerder uit te gaan van een uit angst en door besmetting met het West-Duitse crisisdenken uit de hand gelopen proces. Van Ree toont aan, hoezeer de Nederlandse staat zelf ten opzichte van de RAF verstrengeld bleek in oorlogsdenken, en zijn geweld wellicht niet programmeerde in de vorm van een strategie van ontmenselijking, maar dit wel als zodanig liet ontvouwen. Tekenend voor de benadering van Van Ree is daarbij, dat hij noch aan de kant van staat, noch aan de eigen kant de wederzijdse vijanden bij hun naam noemt. Niet de - zich relatief nog humaan opstellende - directeur van het Scheveningse Huis van Bewaring, niet diens botte evenknie in het Maastrichtse HvB, niet de - door Van Ree als doelbewuste volharder in het kwaad gekenschetste - staatssecretaris van Justitie, een nu totaal vergeten kenau van christelijk-historische huize. En ook niet zijn collega-vertrouwensartsen, onder wie de hoogleraar Herman van Aalderen, en de advocaten - o.a. Pieter-Herman Bakker Schut - waar hij mee samenwerkte.
De rechtsstaat maakte zich dus bewust schuldig aan sociale deprivatie, die onherroepelijk zou leiden tot ernstige fysieke beschadiging en de verantwoordelijke politieke autoriteiten namen het risico van dood door ontbering op de koop toe. In die houding, tijdens zo goed als na de hongerstaking, verschilde de overheid hier niet van die in de BRD. Hooguit werd het staatsgeweld hier handiger verhuld. Ook daarvan (o.a. met bewijzen voor de pertinente leugenachtigheid van CDA-staatssecretaris Haars), en van de kritiekloze volgzaamheid van de Nederlandse media, geeft Van Ree pregnante voorbeelden.
Voor zover Frank van Ree, in het laatste gedeelte van zijn boek, de herkenning van zijn eigen trauma's beschrijft, slaagt hij er uitstekend in deze ontwikkeling aan te wenden voor een heldere uitleg van het ontstaan van discriminatie, het vervolg daarvan in vijanddenken en het omslaan in oorlogsdenken en feitelijke gewelduitoefening. Tenslotte wijst hij op het helaas steeds weer actuele risico van generatie-overdracht, zoals nu aan de orde in Kosovo, Tsjetsjenië, Centraal Afrika, Indonesië, het Midden-Oosten. De vluchtelingen voor oorlogsgeweld nemen de gevolgen van deze problemen mee naar de landen waar zij asiel zoeken. Zoals alle overlevenden na een ingrijpende oorlog zullen zij de trauma's jarenlang wegstoppen, hetgeen nog extra in de hand gewerkt wordt als er weinig erkenning of begrip voor hen is, en als zich geen voor verwerking gunstig klimaat aandient. Dat brengt risico's met zich mee, voor henzelf, voor hun nakomelingen en voor de houding van anderen tegenover hen. Ook daarom is het volgens Van Ree van groot belang dergelijke factoren tijdig te onderkennen, zoals deze ook aan de wieg stonden van de Rote Armee Fraktion. De beste remedie tegen de sluimerende discriminatie die eruit voortvloeit, zo lijkt Van Ree te bepleiten, is de wortels ervan te onderzoeken. Dat geldt voor mensen individueel, maar ook voor bevolkingsgroepen. Want niets zo gevaarlijk als onverwerkte trauma's.
Zeker, dit is het boek van een echte psychiater. Zelf heb ik mij vroeger verzet tegen de overdreven neiging tot psychologiseren, tot het louter terugvoeren van de motieven voor politieke actie op de afkomst, het jeugdmilieu of de persoonlijke ontwikkeling. De wijze waarop Frank van Ree de verbanden legt, werkt echter allerminst depolitiserend. In die zin kan het lezen van zijn boek beslist een verrijking betekenen.
Frank van Ree, "Vrijheidsstrijd, verzet, terrorisme. Verslag van een RAF-vertrouwensarts." Lisse: Swets & Zeitlinger, 2000.
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 347, 25 augustus 2000