Terug naar hoofdinhoud
  • Archivaris
  • 327

Het Ha'avara Abkommen en de anti-nazi boycot

Kanttekeningen deel 2

In het vorige nummer van het Kleintje beschreef Peter Edel hoe de extreme vleugel van het zionisme in de vooroorlogse periode, qua rassen ideologie, een relatie aanging met het nationaal socialisme. In dit artikel zet hij uiteen hoe de samenwerking tussen zionisten en nazi's vorm kreeg, in het kader van een joodse staat in Palestina.

door Peter Edel

De nazi's kwam het maar al te goed uit dat de door hen geïnitieerde uitbarsting van jodenhaat in Duitsland zo positief ontvangen werd binnen het zionisme. Maar verrast waren zij daar zeker niet door. Hitler maakte al vroeg in zijn misdadige carrière een duidelijk onderscheid tussen de zionisten en de meerderheid der geassimileerde joden. Zionisten bleven voor hem weliswaar joden, maar tegelijkertijd behoorden zij wel tot diegenen die vonden dat het 'joodse ras' in Duitsland niets te zoeken had. Dat maakte hen in de ogen van Hitler tot een bijzondere categorie binnen de joodse gemeenschap. In 'Mein Kampf' schreef hij: "....Maar wanneer dit mij nog niet geheel overtuigd mocht hebben, dan werd deze twijfel voorgoed uitgewischt door de houding van vele Joden zelf. Er bestond immers een sterke, ook te Weenen vele aanhangers tellende beweging onder hen, welke het feit, dat het Jodendom een apart volk, en zijn bijzondere karakter een volkskarakter was, nogmaals zoo nadrukkelijk mogelijk bevestigde: het Zionisme......" (1)
Met dergelijke woorden lag een samenwerking tussen zionisten en nazi's al voor de hand op een moment dat de laatstgenoemden nog niet eens aan de macht waren. Niet vreemd dus dat de contacten vanaf 1933 direct op gang kwamen. Zolang de volgelingen van Theodor Herzl streefden naar het vertrek van joodse mensen uit Duitsland naar Palestina, wilden de nazi's daar best aan mee werken. Wat dat betreft was de nationaal socialistische reactie op het zionisme dus identiek aan die van andere antisemitische regeringsleiders in het begin van de eeuw (zie Kleintje # 326). Ook in dit geval waren het echter de zionisten die het initiatief namen.

de samenwerking
Nadat Hitler in 1933 de absolute 'Führer' was geworden, benaderde Kurt Tuchler van de ZVfD (de Duitse vertakking van de World Zionist Organisation) de aan de SS verbonden journalist Baron Leopold Itz Edler von Mildenstein. De zionist stelde de nazi voor om een aantal artikelen voor nazi publikaties te schrijven, over het zionistische streven naar een eigen joodse staat (2). Von Mildenstein was onmiddellijk geïnteresseerd, maar wilde eerst een bezoek aan Palestina afleggen om zich daar verder te oriënteren. Twee maanden later vertrok Tuchler samen met Von Mildenstein naar Palestina. Van 26 september tot 9 oktober '34 verscheen er een twaalfdelige serie artikelen onder de titel "A Nazi travels to Palestine" een serie artikelen in het nationaal socialistisch georiënteerde Berlijnse dagblad 'Der Angriff'. Von Mildenstein schreef hier lovende woorden over de zionistische pioniers in Palestina. Het zionisme was naar zijn zeggen niet alleen een zegen voor de joden, maar ook voor de wereld in het algemeen. Het ontstaan van een 'nieuw soort joden' was er in zijn opinie het gevolg van. In het laatste artikel van Von Mildenstein over het zionisme, schreef hij dat een joodse staat in Palestina de oplossing was voor het 'joodse probleem'. Om de samenwerking tussen nazi's en zionisten te gedenken presenteerde 'Der Angriff' een speciale medaille, met aan één kant een swastika en aan de andere een Davidsster. Von Mildenstein werd een aantal maanden nadat zijn artikelen waren verschenen bevorderd tot hoofd van de afdeling 'joodse zaken' van de SS. Hij werd daar verantwoordelijk voor de ondersteuning van het zionisme en de emigratie van joodse mensen naar Palestina (3).
Naast de beschreven samenwerking op het gebied van propaganda, had het overleg tussen nazi's en militante zionisten verder vooral betrekking op economische en infrastructurele aangelegenheden in Palestina. Aangezien joodse mensen hoofdzakelijk in steden leefden en niet of nauwelijks met de agrarische sector in verband stonden, dienden potentiële emigranten eerst voorbereid te worden op hun vestiging in Palestina. Van velen onder hen werd verwacht dat zij daar, in ieder geval aanvankelijk, in de primaire sector werkzaam zouden raken. Zowel de zionisten als de nazi's onderkenden het gebrek aan agrarisch kennis onder de joodse bevolking. In gezamenlijk overleg werden daarom een veertigtal op landbouw gerichte kampen uit de grond gestampt, waar joodse emigranten in Duitsland werden voorbereid op het agrarische leven dat hun in Palestina te wachten stond (4). Van dergelijke opleidingskampen bleef een aantal tijdens het eerste oorlogsjaar actief. (Ik ben aanwijzingen tegen gekomen dat in één zo'n 'kibbutz', gevestigd in Neuendorf, zelfs nog na maart 1942 joodse mensen tot landbouwarbeider zijn opgeleid (5). Maar of dat werkelijk het geval was valt serieus te betwijfelen, want twee maanden daarvoor besloot de nazi top tijdens de 'Wannsee conferentie' officieel tot de moord op de joden!)
Het meest nadrukkelijk werd de samenwerking tussen nazi's en zionisten van de 'World Zionist Organisation' met het zogenaamde 'Ha'avara Abkommen'. Direct nadat Hitler aan de macht was gekomen, deed een zekere Sam Cohen (een in Tel Aviv woonachtige eigenaar van het citrusvruchten exportbedrijf 'Ha Note ltd.') het voorstel aan het Duitse ministerie van economische zaken, om de opbouw van een joodse staat in Palestina in economische zin te bevorderen. Dat konden de nazi's volgens Cohen het best bereiken door het overmaken van joods kapitaal naar Palestina aantrekkelijk te maken (6). Voordat de nazi's aan de macht kwamen had Cohen een soortgelijk voorstel gedaan aan Heinrich Bruning, de kanselier van de Weimar republiek, maar die toonde zich toen niet geïnteresseerd. Ook de nazi's aarzelden aanvankelijk, maar gingen uiteindelijk akkoord met het voorstel van Cohen. Het moet hen daarbij volledig duidelijk zijn geweest dat verzet tegen hun antisemitisme niet van de zionisten te verwachten viel. Anders hadden zij er natuurlijk nooit aan bijgedragen dat er in het Midden Oosten een joods bolwerk ontstond, dat zich onder andere omstandigheden tegen hen had kunnen keren.
Het aanbod dat Cohen aan de nazi's deed had tot gevolg dat een miljoen Rijksmark vanuit Duitsland naar Palestina werd overgemaakt in de vorm van agrarische machines. Een bijkomend gevolg van de deal die Cohen met de nazi's sloot, was dat nazi Duitsland enige tijd later sinaasappelen zou eten die door joodse kolonisten in Palestina waren verbouwd! De citrusvruchten werden geruild tegen hout en andere produkten uit Duitsland waar de zionistische kolonisten in Palestina behoefte aan hadden. Dergelijke transacties zouden korte tijd later uitgroeien tot het Ha'avara Abkommen (in het Engels vertaald als 'Transfer Arrangement'). Cohen werd korte tijd later opgevolgd door Chaim Arlosoroff, de politieke secretaris van de 'Jewish Agency', het op Palestina gerichte centrum van de (door Herzl opgerichte) WZO. Onder zijn leiding zou de economische samenwerking met nazi-Duitsland verder uitgebouwd worden (7).

de afspraak
De nationaal socialistische ondersteuning bij de opbouw van een economische infrastructuur in Palestina, was het belangrijkste onderwerp op het achttiende zionistische congres dat in '33 te Praag plaats vond. Er waren hier uiterst kritische geluiden ten aanzien van de ontwikkelingen hoorbaar. Die waren onder andere afkomstig van de radicale zionist Wladimir Jabotinsky, die zeker als een 'hardliner' kon worden aangemerkt, maar absoluut niets van afspraken met Hitler wilde weten (8). Het was vanuit de kring rond Jabotinsky dat de zojuist genoemde Chaim Arlosoroff van de 'Jewish Agency' werd vermoord, twee dagen nadat deze op 14 juni '33 in Tel Aviv was gearriveerd. Daar blijkt wel uit dat zeker niet alle zionisten met de nazi's collaboreerden. Maar zoals ik in het vorige nummer van het kleintje al schreef gaat het hier niet over deze kant van het zionisme, maar om diegenen die wel met de nazi's in zee gingen.
Het principe van het Ha'avara Abkommen was eenvoudig. Duitse joden werd de gelegenheid geboden zich in Palestina te vestigen, terwijl zij daarbij over een groot gedeelte van hun vermogen konden blijven beschikken. Potentiële kolonisten werden hiertoe geadviseerd om hun geld in te leveren bij een speciaal hiertoe in het leven geroepen bank. Van dit vermogen werden dan Duitse produkten vervaardigd, die vervolgens naar Palestina geëxporteerd werden. Na verkoop kwam de opbrengst van deze produkten terug in handen van de emigranten die hun geld eerder in Duitsland hadden ingeleverd en ondertussen in Palestina waren gearriveerd (9).
Bij Ha'avara waren verschillende banken betrokken. Eén daarvan was de Anglo-Palestine bank, die verbonden was aan de WZO (in de naoorlogse periode werd deze bank omgedoopt tot 'Leumi bank', onder welke naam het de grootste bank van Israël zou worden). Ook de familie Warburg, die ik al noemde in het gewraakte artikel "Kanttekeningen deel 1" in het Amsterdamse tijdschrift 'Ravage' duikt op ten aanzien van het overmaken van joods kapitaal van Duitsland naar Palestina onder het Ha'avara Abkommen. In verband hiermee wordt de in Berlijn gevestigde bank van Max Warburg genoemd (10).
Hoewel het Ha'avara Abkommen voor de zionisten van het WZO van cruciale betekenis was, waren zij in de meeste Duitse joden op zich niet zo geïnteresseerd. Velen onder hen waren volgens de WZO te sterk geassimileerd binnen de Duitse samenleving om voor een joodse staat van belang te kunnen zijn. Zij spraken bijvoorbeeld geen Hebreeuws. Daar kwam nog bij dat joodse mensen in Duitsland volgens de zionisten gemiddeld te oud waren. Om deze redenen kon de WZO slechts een minderheid van de joodse mensen in Duitsland gebruiken. De rest was alleen interessant vanwege het vermogen dat zij vertegenwoordigden. Wat dat betreft werden goede zaken gedaan. In de periode tussen 1933 en 1939 was zo'n 60% van het in Palestina geïnvesteerde vermogen afkomstig uit de Ha'avara regeling. Totaal werd langs deze weg $40.419.000 vanuit nazi Duitsland naar Palestina over gemaakt.
Er kwamen 60.000 joodse mensen via Ha'avara naar Palestina, hetgeen ongeveer 10% was van de joodse gemeenschap in Duitsland. Gezien de minderheidspositie van de Duitse zionisten in de jaren dertig was dit een relatief hoog aantal. Het spreekt voor zich dat de levensbedreigende situatie die door nazi-antisemitisme in Duitsland was ontstaan, hierbij meer effect had op de joodse bevolking dan de overredingskracht van de zionisten. Tot vestiging in Palestina werd dan ook tevens besloten door veel joodse mensen die oorspronkelijk helemaal niets in het zionisme zagen. Zij waren er ondertussen van doorgedrongen geraakt dat het nationaal socialisme een groot gevaar voor hen met zich mee bracht en kozen voor hun leven. De afschrikwekkende macht van de nazi's bleek daarmee de ultieme stok achter de deur te zijn, waar de fractie van zionisten die tot alles bereid waren te gaan, al decennia naar zochten.
Door het Ha'avara Abkommen werden de joodse kolonisten in Palestina al een economische factor van betekenis in de Midden Oosten regio, op een moment dat de staat Israël nog niet bestond. En dat allemaal met medewerking van de nazi's. Voor hen kende de overeenkomst met de zionisten eigenlijk alleen maar voordelen. Joden verlieten Duitsland en dat was precies waar het hen om te doen was. Bovendien bleef er bij het overmaken van joods vermogen naar Palestina voldoende geld aan de strijkstok hangen. Daardoor was deze regeling ook in economisch opzicht niet onaantrekkelijk voor hen. Na verloop van tijd waren er vanuit de nazi top echter wel enige protesten hoorbaar. Men vreesde dat de economische opbouw van een joodse staat in Palestina schadelijk was voor Duitse handelsbelangen in andere Midden Oosten landen. Hitler besloot hoogst persoonlijk dat dit nadeel niet opwoog tegen de emigratie van Duitse joden (11). Bovendien werd het Duitse bedrijfsleven zeker niet slechter van het Ha'avara Abkommen, waardoor het argument van aangetaste Duitse belangen in het Midden Oosten niet kon overtuigen.

IG Farben
Toen zionistische kolonisten zich in de jaren twintig in Palestina begonnen te vestigen, zagen zij om zich heen een volstrekt ongeïndustrialiseerd deel van de wereld. Zij realiseerden zich daarop onmiddellijk dat, als zij iets in de Midden Oosten regio wilden voorstellen, industrialisatie noodzakelijk was. De landbouwsector was weliswaar van primair belang om in Palestina te kunnen overleven, maar men wist dat dit op de lange duur niet voldoende zou zijn om een gezonde economie op te bouwen. Aangezien veel joodse mensen tijdens hun leven in de diaspora in de textiel hadden gewerkt, werd dit één van de industrietakken waar men zich op toelegde. Daartoe had men echter kleurstoffen nodig, die op dat moment verkrijgbaar waren bij (de naam zegt het al) het Duitse bedrijf IG Farben (12). Deze multinational zou later een slechte reputatie aan de Tweede Wereldoorlog overhouden vanwege de nauwe bindingen met de nazi's (in Nederland is IG Farben daarnaast vooral bekend omdat ome Benno zur Lippe er voor werkte). Er was IG Farben veel aan gelegen om zaken te doen in de Midden Oosten regio, omdat deze Duitse onderneming in dit deel van de wereld concurreerde met de Brits/Amerikaanse chemiegigant ICI. Ha'avara Abkommen maakte leverantie van IG Farben produkten in Palestina mogelijk.
De invloed van IG Farben zorgde er voor dat er een economische opleving plaats vond in Palestina. Het was vooral de textielindustrie die daar beter van werd. De Arabische bevolking in Palestina profiteerde hier niet van mee. Integendeel, want door de samenwerking tussen de nazi's en de zionisten van de WZO in Palestina en de economische groei die daar het gevolg van was, raakte hun economische positie toen al ondergeschikt aan die van de zionistische kolonisten.
IG Farben was wel zo handig om zijn produkten in Palestina zonder merketiketten te drukken. Dat deed men omdat het Ha'avara Abkommen strijdig was met de toenmalige internationale joodse boycot tegen nazi Duitsland, waartoe in '33 in de VS het initiatief werd genomen. De WZO beweerde dat het Ha'avara Abkommen niet strijdig was met de anti-nazi boycot, zolang Duits geld niet omgezet zou worden in andere valuta. Dat laatste was volgens de WZO niet het geval. Men vergat er echter op te wijzen dat er ook in andere landen afzetmogelijkheden waren gevonden voor Duitse produkten die in het kader van het Ha'avara Abkommen werden geproduceerd. Daartoe spanden de zionisten van de WZO zich niet alleen in binnen de Midden Oosten regio, want vanaf '36 werden er ook in Groot Brittannië Duitse produkten onder het Ha'avara Abkommen verkocht. De Duitse Rijksmark werd daarbij wel degelijk in buitenlandse valuta omgezet.
Waar het allemaal om draaide was dat een sterke Duitse economie in het voordeel van het WZO zionisme was. Een algehele boycot tegen de nazi's had onherroepelijk tot gevolg gehad dat de economische opbouw in Palestina stagnatie had opgelopen. De bij het WZO betrokken zionisten zaten daarom absoluut niet te wachten op economische maatregelen tegen nazi Duitsland.
De boycot tegen nazi Duitsland, zoals die in eerste instantie voort kwam uit een organisatie van joodse oorlogsveteranen in New York, werd getorpedeerd door verschillende organisaties. Een aantal daarvan kende een zionistisch karakter. Maar er waren ook nog andere motieven om tegen de boycot te zijn. Het 'American Jewish Committee', de 'Board of Deputies of British Jews' en ook de internationaal georiënteerde joodse broederschap 'B'nai B'rith', weigerden tevens de boycot te ondersteunen, omdat men bang was dat joodse arbeiders, eenmaal in opstand gekomen tegen het nationaal socialisme, zich vervolgens tegen de elite in eigen gelederen zouden keren (13). B'nai B'rith veranderde pas in '39 (het jaar waarin er einde kwam aan het Ha'avara Abkommen) van mening, nadat loges van deze broederschap in Duitsland, Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije door de nazi's waren opgeheven. Toen wilde B'nai B'rith opeens wel horen van economische maatregelen tegen nazi Duitsland (14). De 'Kristallnacht' het jaar daarvoor, was daartoe blijkbaar niet voldoende reden en de toen al overvolle concentratiekampen kennelijk evenmin.
Door zo lang tegen de beslissing van een boycot tegen nazi Duitsland te blijven, werd een beslissing genomen die zeer in het voordeel van Hitler was. Vooral in de eerste jaren van het nazi regime, toen de effecten van de economische crisis en er nog geen sprake was van grootschalige financiering door het grootkapitaal, had een boycot de nog zwakke economie van nazi Duitsland zwaar kunnen treffen (15). Toen B'nai B'rith in '39 alsnog overtuigd raakten van de boycot, was de situatie totaal veranderd. Hitler werd toen al hoog en breed gefinancierd door Duitse en multinationale ondernemingen. Een boycot had op dat moment aanmerkelijk minder impact gehad dan is '33.
Als de initiatieven tot de anti-nazi boycot niet zo waren tegengewerkt dan had de kans bestaan tot een geheel ander verloop van de geschiedenis. Feit blijft dat een internationale boycot tegen nazi Duitsland in het belang was geweest voor aldaar woonachtige joodse mensen. Daarnaast moet geconstateerd worden dat economische maatregelen tegen Hitler niet werden ondersteund door zionistisch georiënteerde organisaties, omdat dit niet aansloot bij het streven naar een joodse staat in Palestina. Als ergens het gezegde 'het doel alle middelen heiligt' op van toepassing is, dan is dat wel op de definitie van het zionisme zoals de WZO dat er op na hield. In het volgende deel van deze serie artikelen zal ik beschrijven hoe de rol van het zionisme er tijdens de oorlogsjaren heeft uitgezien.

noten:
1. "Mein Kampf", Adolf Hitler, Amsterdamse Kunstkamer, jaartal onbekend, Amsterdam, vertaling: Steven Barends.
2. "A Nazi travels to Palestine", Jacob Boas, 1980, History today, Londen.
3. idem
4. "The War Against the Jews '33-'45", Lucy Dawidowicz, 1976, Bantam, New York
5. "Documents on the Holocaust", 1981, Y. Arad.
6. "Zionism in the Age of the Dictators", Lenni Brenner, 1983, hoofdstuk 6.
7. Arlosoroff werd korte tijd later door rivaliserende zionisten vermoord in Tel Aviv, in verband met het pact dat hij met de nazi's had gesloten. Daar kon in Israël blijkbaar ook niet iedereen mee leven.
8. Dit betekende niet dat Jabotinsky er anderszins bezwaar tegen had om toenadering te zoeken tot antisemieten wanneer dat in zijn zionistische streven van pas kwam. Israël Shahak beschrijft in "Jewish History, Jewish Religion, the Weight of Three Thousand Years" hoe Jabotinsky een overeenkomst sloot met Simon Petlyura, de reactionaire leider van Oekraïne die in de periode tussen 1918 en 1921 verantwoordelijk was voor de dood van zo'n 100.000 joodse mensen. Gregory Krupey schrijft in "The Christan Right, Zionism and the Coming of the Penteholocaust" dat Jabotinsky zou zich ontpoppen als een groot voorstander van een plan om tot een groot Israëlisch rijk te komen door de Palestijnen uit te moorden. Met zijn ideeën had Jabotinsky veel invloed op volgelingen, zoals de latere Israëlische premier Menachem Begin. Krupey beschrijft verder een Israëlische onderscheiding die naar Jabotinsky is genoemd. Deze zogenaamde 'Jabotinsky medal' wordt uitgereikt aan mensen die zich verdienstelijk hebben gemaakt ten aanzien van de zionistische zaak. In 1980 werd de Jabotinsky medal uitgereikt aan de uiterst rechtse fundamentalistische christen Jerry Falwell uit de VS. Diens oorspronkelijk antisemitisme maakte plaats voor een pro-zionistische opstelling, sinds Israël van pas kwam in zijn religieuze straatje. Falwell is de enige niet-jood die de naar Jabotinsky genoemde onderscheiding ooit in ontvangst heeft genomen. Overigens behoorde Falwell tot diegenen die door 'First Lady' Hillary Clinton genoemd werden in verband met een door haar veronderstelde samenzwering tegen haar echtgenoot naar aanleiding van de Monica Lewinsky affaire. (zie verder Kleintje Muurkrant # 324 en het laatste deel uit deze serie artikelen).
9. idem & "Jewish Responses to Nazi Persecution", Isaiah Trunk, hoofdstuk 1, 1979, Briarcliff Manor, Stein and Day Publishers, New York. & "Encyclopedia Judaïca", 1971, Keter Publishing, Jeruzalem. & "Nazi Germany and the Jews, the Years of Persecution '33-'39", Saul Friedländer, 1997, Harper Collin Publishers, New York. & "Haavara-Transfer nach Palästina", hoofdstuk 2, Werner Feilchenfeld, Dolf Michaelis en Ludwig Pinner, 1972, J.C.B. Mohr-Paul Siebeck, Tübingen. & "Die Jewish Agency und die IG Farben: Das Ha'avara Abkommen und die wirtschafliche Entwicklung Palästinas", Henk Knaupe & Ulrich G.Wurzel, Diskussionspapiere 30, Freie Universität, Berlin & "Eichman in Jerusalem, a Report on the Banality of Evil", Hannah Arendt, 1994, Penguin Books, New York & "Yad Vashem studies", deel II, E. Marcus.
10. "Zionism in the age of the dictators", Lenni Brenner, 1983, hoofdstuk 6. & " Nazi Germany and the Jews, the Years of Persecution '33-'39", Saul Friedländer. & "Haavara-Transfer nach Palästina", hoofdstuk 2, Werner Feilchenfeld, Dolf Michaelis en Ludwig Pinner.
11. "Haavara-Transfer nach Palästina", hoofdstuk 2, Werner Feilchenfeld, Dolf Michaelis en Ludwig Pinner.
12. "Die Jewish Agency und die IG Farben: Das Ha'avara Abkommen und die wirtschafliche Entwicklung Palästinas". (In de directie van de Amerikaanse tak van IG Farben bevond zich Paul Warburg, een familielid van de bankier Max Warburg, die in Duitsland bij de financiële afhandeling van Ha'avara betrokken was.)
13. "Zionism in the Age of the Dictators", Lenni Brenner, 1983, hoofdstuk 6.
14. "Jewish Responses to Nazi Persecution", Isaiah Trunk, hoofdstuk 1. (De passage over B'nai B'rith in dit artikel heeft uitsluitend betrekking op de Angelsaksische loges van deze broederschap, in de situatie van voor de oorlog. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de leden van de naoorlogse B'nai B'rith in Europa zich achteraf kunnen verenigen met het standpunt dat hun vooroorlogse Angelsaksische broeders innamen ten aanzien van de anti-nazi boycot. Ook de Nederlandse vertakkingen van B'nai B'rith, die zich volgens eigen zeggen hoofdzakelijk bezig houden met het organiseren van sportevenementen en kienavonden worden hier expliciet niet bedoeld.)
15. In eerdere publikaties heb ik wel eens geschreven dat Hitler door het grootkapitaal in het zadel werd geholpen. Dat is geen geheel correcte weergave van de feiten. In feite moesten de nazi's het in de eerste drie jaren van hun regime het zonder steun van groet duitse ondernemingen doen. Dat veranderde toen de staalmagnaat Fritz Thyssen in '36 andere industriëlen opriep om Hitler te financieren. Thyssen beschreef dit in "I paid Hitler". Dat ik in eerdere artikelen zo nu en dan de indruk heb gewekt dat de nazi's al eerder steun ontvingen uit de richting van de Duitse industrie, vloeit voort uit de communistische theorie rond de ontstaansgeschiedenis van het nationaal socialisme. Die kreeg ik tijdens mijn jeugd met de paplepel ingegoten (ik kom uit een communistisch nest). Dat wreekt zich zo nu en dan nog wel eens. Waar ik in het verleden geschreven heb dat Hitler door het grootkapitaal in het zadel werd geholpen, daar moet dus eigenlijk staan 'in het zadel gehouden' (mea culpa.....).

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 327, 27 november 1998