Skip to main content
  • Archivaris
  • 310

Jongeren onder de nABW

Dat de nieuwe bijstandswet voor nogal wat groepen slecht uitpakt, was al bekend. Minder aandacht in de pers heeft gekregen de groep jongeren van 18 tot en met 20 jaar. Echter, zij krijgen de hardste klappen. Het is voor hen buitengewoon moeilijk een uitkering te bemachtigen, die hen in staat stelt zelfstandig te wonen.

Wat is er aan de hand? In de nABW gelden voor deze groep jongeren minimale normen. Een alleenstaande jongere van 18, 19 of 20 jaar krijgt bijvoorbeeld maar 342 gulden, een alleenstaande ouder 739 gulden per maand. Het is een soort kinderbijslagachtige uitkering, die ervan uitgaat dat de jongere thuis woont bij de ouders. Jongeren, die niet thuis kunnen wonen, kunnen een aanvulling krijgen via de bijzondere bijstand. Maar die aanvulling krijg je niet zo maar. De nABW omschrijft het alsvolgt: "Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:
a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of
b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken".Als jongere moet je dus allereerst aantonen dat het nodig is dat je zelfstandig gaat wonen. Daarbij moet het echt gaan om dwingende redenen. Er moet sprake zijn van een noodsituatie, waarin van de jongere niet gevergd kan worden dat hij terugkeert in het gezin of daar blijft wonen. Maar ja, wat is een noodsituatie?
Daarnaast zijn in eerste instantie de ouders financieel aansprakelijk voor deze "sprong naar de zelfstandigheid". Pas wanneer de relatie met de ouders zo slecht is dat niet verwacht mag worden dat de jongere daar aanklopt voor geld, springt de sociale dienst bij. Maar ja, wanneer is die relatie zo slecht?
De wet laat dus nogal wat ruimte voor eigen interpretaties. Duidelijke, heldere, objectiveerbare critaria zijn niet aanwezig.
Waar dat toe kan leiden, blijkt uit een rapportje dat de Tilburgse SP onlangs publiceerde. Ik pik er enkele voorbeelden uit. Voorbeeld 1 (opgetekend uit de mond van een hulpverleenster, werkzaam bij de Tilburgse jeugdhulpverleningsinstelling Kompaan). A. ontvlucht op zijn achttiende het ouderlijk huis. Hij kan de ruzies met zijn vader niet meer aan. Een uitzendbaantje stelt hem in staat in Tilburg een kamer te huren. Echter, na enkele maanden is het uitzendwerk "op". A. stelt alles in het werk om aan een baantje te komen, maar tevergeefs. Hij klopt aan bij de sociale dienst voor een uitkering. Hij krijgt wel die 342 gulden, echter geen aanvulling. Hij zou best weer thuis kunnen gaan wonen. Die conclusie trekt de sociale dienst na een eigen "onderzoek" (dat ze overigens bij wet verplicht zijn in te stellen: o.a. om te bepalen of er wel een noodzaak is tot zelfstandig wonen). Wat hield dat eigen onderzoek in? Er is een telefoontje naar de ouders gegaan om inzicht te krijgen in de thuissituatie. De vader heeft de sociale dienst verteld dat "het allemaal wel meeviel" en dat "A. best weer thuis kon komen wonen". A. wil dat echter onder geen beding. Hij klopt aan bij Kompaan. Die sturen een brief naar de sociale dienst en zetten nogmaals de situatie uiteen. Kompaan geeft het dringende advies A. een aanvulling te geven. Echter, de sociale dienst blijft bij haar eerdere beslissing. A. krijgt geen aanvulling. Inmiddels staat zijn huurbaas te dringen om geld. Hij krijgt nog twee weken de tijd om zijn huur te betalen, anders staat hij op straat. Het laatste wat Kompaan van A. hoort is dat hij zal proberen via vrienden aan geld te komen. Hoe het met A. afgelopen is, is niet bekend.

Voorbeeld 2 (opgetekend uit de mond van C.). C. is 20 jaar. Hoewel ze een redelijke verstandhouding met haar moeder heeft, zegt ze niet met haar moeder onder één dak te kunnen leven. Ze vraagt een aanvulling aan om op kamers te kunnen. De sociale dienst concludeert echter, ook na het horen van haar moeder (die er hetzelfde over denkt), dat ze best nog een tijdje thuis kan wonen. C. trekt in bij haar vriend, die ook een uitkering heeft. "Want van thuis blijven wonen kunnen enkel ongelukken komen", aldus C. Ze kunnen samen slechts met veel moeite het hoofd boven water houden. Een zwart baantje van haar vriend geeft een beetje lucht. Maar voor een ziektekostenverzekering is geen geld. En ze moet naar de tandarts, maar kan dat niet betalen. Hoewel ze haar best doet, niet te veel schulden te maken, lukt haar dat niet. C. heeft inmiddels een bezwaarschrift ingediend. Of dat enige soelaas biedt, is nog maar de vraag. Het zal in ieder geval zeker enkele maanden duren, voordat daarover beslist is. Ondertussen zal het steeds moeilijker worden het hoofd boven water te houden.Het rapportje noemt een stuk of tien van dit soort situaties.

Welke conclusies laten zich trekken:
1) door gebrek aan duidelijke criteria riekt zo'n beslissing van de sociale dienst behoorlijk naar willekeur. Bovendien wordt er bij het beoordelen van de thuissituatie meer waarde gehecht aan het verhaal van de ouders dan aan het verhaal van de jongere (zoals bij A.). Ik vrees dat sociale diensten snel geneigd zullen zijn om de verhalen van jongeren af te doen als "overdreven", "verteld vanuit de hitte van het moment" of als "normale puberale ruzies". Een jongerenonvriendelijke opstelling dus!
2) "De sociale dienst vergeet dat als een jongere echt niet meer thuis wil wonen, dat hij dat dan ook niet meer zal doen, of hij nu een aanvulling krijgt of niet". Dat zegt de hulpverleenster van Kompaan en dat is een waar woord. Het kan niet missen dat jongeren zullen proberen op eigen gelegenheid, dus zonder aanvulling, het ouderlijk huis te verlaten. Een zwerversbestaan of de criminaliteit ligt dan om de hoek.
3) met de nABW wordt een ontwikkeling doorgetrokken die in 1993 is ingezet. Toen werd het recht op bijstand voor deze groep flink ingeperkt. Slechts uitzonderingsgevallen kwamen nog in aanmerking voor een uitwonendenuitkering (uithuisplaatsing, ouders overleden of in het buitenland, langer dan een jaar uitwonend + alleenstaande ouders of echtparen met kinderen).Onder de nABW gelden helemaal geen objectieve criteria meer. Gevolg is een hoop gepeur in je privéleven. Het recht op bijstand valt enkel te gelde te maken door elke willekeurige bijstandsconsulent een inkijk te bieden in je thuissituatie, je relatie met je ouders, wat er allemaal voorgevallen is etc. En dan gaat die vervolgens bekijken of het wel erg genoeg is. Overigens, in veel plaatsen hanteert de sociale dienst toch een aantal criteria om te beoordelen of een aanvulling aan de orde is. Ook in Tilburg gebeurt dat. Veelal zijn het criteria die ook al onder de oude bijstandswet golden. Die dekken toch een groot gedeelte van de jongeren die in deze regeling vallen. Bijvoorbeeld veel jongeren die een bijstandsuitkering hebben op deze leeftijd, zijn uit huis geplaatst en wonen in een begeleid-kamer-project of iets dergelijks. Die krijgen eigenlijk nog steeds automatisch een aanvulling. Problemen zijn er pas echt voor de groep, voor wie de criteria niet gelden. Daar heerst vooral de willekeur van de macht. Dat is een betrekkelijk kleine groep, maar de gevolgen zijn voor hen erg groot. Het is erg moeilijk een inschatting te maken van de omvang van deze groep. Maar als het in Tilburg om tien mensen gaat, gaat het landelijk misschien wel om vijfhonderd mensen.

Tot slot. Doel van dat SP-rapportje is om geregeld te krijgen dat de sociale dienst soepeler om gaat springen met het toekennen van aanvullingen. Wat ik me afvraag of er in andere steden/plaatsen mensen zijn die ervaring hebben met deze kwestie. Of die uit zouden willen zoeken hoe het bij hen geregeld is. En of er bijvoorbeeld veel jongeren tussen wal en schip vallen. En of het niet mogelijk is deze kwestie zelf of via een of andere politieke partij op de plaatselijke politieke agenda te krijgen. Graag zou ik met die mensen in contact willen komen. Mijn telefoonnummer is 013.5360245.

Hans

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 310, juni 1997