Skip to main content
  • Archivaris
  • 287

Volkspartij voor Vreemdelingenhaat en Discriminatie

In de politiek voelde hij zich thuis. Na jarenlang topman te hebben gespeeld bij een grote olieboer had hij het klappen van de zweep leren kennen. Hij wist hoe er met het grote geld omgesprongen diende te worden. Hij kende de gevaren die het rijke leven bedreigden. Een weldenkend mens hield zich niet bezig met het opkomen voor de sociaal zwakkeren in deze samenleving, nee, losers kon hij missen als kiespijn. Het leven is een wedren, waarin alleen de sterksten recht van spreken hebben. En hij had recht van spreken, want hij had genoeg kapitaal vergaard om te bewijzen dat hij tot de sterksten behoorde! En iedereen, die deze visie niet deelt, moet wel een crimineel zijn. "De crimineel, die het waagt om naar MIJN land te vluchten, omdat hij in zijn eigen land achtervolgd, onderdrukt, gemarteld en verstoten wordt, de crimineel die weigert zich aan te passen aan MIJN normen en waarden, de crimineel die een hoge positie bekleed, terwijl deze crimineel ooit lid was van de CPN! Criminelen zijn het, de onderdrukten, de armen, de kanslozen, de lieden die kritiek durven te uiten!" Schuimbekkend zat hij daar, als fractieführer, in zijn paarse stoel, die langzamerhand verkleurde naar een gevaarlijke kleur bruin, schreeuwende: "NEDERLAND VOOR DE RIJKEN, MEIN KAMPF!!!"

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 287, 7 juli 1995