Geachte mevrouw en mijnheer mus,
Heus, gelooft u me, ik hou van dieren. Ik vind het belangrijk dat u dat weet en daarover ook geen moment zult twijfelen wanneer u mijn probleem leest. Ook ik herinner mij de jonge jaren met veel gesjirp en gefluit in de grote achtertuin van het ouderlijk huis. Terwijl het toch maar een gewone rijtjeswoning was, in een suffe saaie nieuwbouwwijk. Maar we hadden een heuse hoekwoning, dus meer tuin. Mijn ouweheer zat in de bouw en kon dat des avonds maar moeilijk loslaten, dus u begrijpt, de tuin lag al snel vol klinkers, muurtjes, gejatte bouwspulletjes, noemt u maar op, maar steeds minder gras en steeds minder heester.
Toch bleven uw verre vrienden en familieleden onverkort onze achtertuin/plaats aandoen. Bij honderden. Reuze gezellig. Merels zag je stukken minder, spreeuwen al helemaal niet en de grote rovers -zoals we de raven, eksters en kraaien pleegden te noemen- lieten zich in onze buurt nooit zien. Wel koolmeesjes, u weet wel, van die vogelsoort waarop u immer zo jaloers was vanwege de bijzonder knappe acrobatische bewegingen. Mussen, daarentegen waren maar gewoon. Niet voor niets bezigden de zich in die tijd volwassen noemende buurtbewoners de term 'huismus' wanneer men poogde de saaiheid van het thuis-blijven der thuisblijvers onder woorden te brengen. Ikzelf heb mussen in die tijd ook nooit echt pienter gevonden. De keren dat we een uwer species met een doos, stokje en touwtje vingen waren zo talrijk, dat het nauwelijks nog voor enige opwinding kon zorgen. Later ben ik mijn interessegebied naar kleinere diersoorten gaan verleggen. Insekten. Met het verdwijnen van het gras en de heesters kwamen die alsmaar meer in het zicht. En nou moet me van het hart dat ik me sedert die interesse-ommezwaai geen groot liefhebber van de uwen meer mag noemen. Welk een vraatzucht! Mevrouw en mijnheer mus, u moet wel haast van het vegetarische soort zijn, zo lieflijk neemt u het op voor de vlinder die verdooft, gedood en opgeprikt wordt. Ik heb immers menig vlinder door de scherpe snavels van uw kameraden zien knakken. Waarbij de vleugels in het rond dwarrelden als was de betreffende vlinder nog in leven. Ik zal het u nog sterker vertellen. Menigmaal ben ik pijnlijk te laat geweest in mijn poging de vlinderkinders, nog een beetje klunzerige wormachtige vleugelloze schepseltjes, uit de snavels van uw familie-clan te redden. En menig zoute traan is er door op de grond verspild. Welk een bruten, die mussen!
De liefdevolle verhaaltjes die mijn moeder mij bij bedtijd pleegde te vertellen, over grijze musjes die zonnebloempitjes en pinda's uit de vetbol kwamen eten in de winter, heb ik verre van mij geworpen. Aan de mus is niets liefs. Het is een vraatzuchtige schrokop die alles wat kruipt en vliegt en kleiner is dan zichzelve zonder scrupules naar binnen werkt. Ja, mevrouw en mijnheer mus, de tijd dat ik onze gevlekte poes met stenen bekogelde als zij een gevederde vangst kwam aanbieden was definitief voorbij en het belletje aan het halsriempje heb ik hoogstpersoonlijk onder een hamer van mijn ouweheer geplet, nog immer verbolgen over het gedrag van de mus. Dergelijke harde lessen heb ik in mijn verdere bescheiden leventje helaas nog vele malen moeten leren. Mijn liefde voor insekten bijvoorbeeld, werd ook ruw verstoord toen ik een groep mieren, die ik voorheen waardeerde om het arbeidsethos, als mcdonalds bezoekende pubers op een zorgvuldig in elkaar gemetseld wespennestje zag afstormen. Babyrovers! Dat waren 't! En mijn laarzen en schepnet heb ik bij de eerstvolgende wijkrommelmarkt persoonlijk verkocht nadat ik zo'n grote geelgerande watertor een dikkopje had zien leegzuigen. Zuigen ja! Mevrouw en mijnheer mus, langdradiger als dit kan ik toch niet zijn, meer woorden hoef ik toch niet vuil te maken aan mijn harde lot dat het leven bestaat uit eten en gegeten worden? Hebt uzelf dan nog geen bezoek gehad van zo'n blauw-glanzende ekster of zo'n hees-schreeuwend kraaibeest? Daar zit uw vijand. U bent het dagelijks brood voor de vogel die uw plaats inneemt maar het siert u dat u zich verzet. Ik ben de bescheiden doch ferme mening toegedaan dat met het verdwijnen van de mus, de vlinder, desnoods de kakkerlak, de wereld niet vergaat. Mijn arme ouders bleven bij gebrek aan zicht op een beter leven ook trouw en dogmatisch in de here geloven. De evolutie van de hand wijzend.
Nou struikel ik bijna over mijn eigen gehaastheid om u te vertellen dat ik geen evolutie-fanaat ben. Zo eentje van je neerleggen bij je lot, de natuur heeft het zo bepaald, de sterken overleven. Maar van enige evolutie-realiteit ben ik niet verstoken. Uw consequente verwijzingen naar de kwaadaardigheid van den mensch kan ik nog wel beamen, maar uw behoefte terug te keren naar vroeger vind ik van een kinderlijke realiteit. Weliswaar kan ik me dat vanuit uw mus-identiteit goed voorstellen, ik wil u toch aanreiken dat den mensch op deze wereld in aantal stijgt, hetgeen gevolgen kent voor de levenswijze van het dier. Natuurlijk is de mens ook een dier, zelfs een van een bijzonder vernuftig soort. Want waar de spin de kans krijgt een tweede prooi in haar kleverige webdraden te rollen en in de voorraadkast te deponeren om vervolgens verder te gaan met de verorbering van haar eerste prooi, zo weet de mens haar prooigedrag planmatig en overheersend in te richten. Natuurlijk neemt de mens haar voedsel in voorraad. Natuurlijk is de mens moorddadig, onverstandig, bloeddorstig. Daarmee wijkt zij in het geheel niet af van uw soort! Uzelf bent met zoveel gekomen toen de tijden voor u meezaten, dat u daarmee ook uw eigen kuil heeft gegraven. De kraai heeft de stad ontdekt omdat u er zich in zulke grote getale bevond! Mogelijkerwijs zit u met een griepje onder de leden die een direct gevolg is van de grote hoeveelheid collega's in zulk een kleine steden. U kunt het de mens toch niet kwalijk nemen dat ze alles in het werk stelt om als soort te overleven! U heeft toch nimmer anders gedaan! U moet gewoon uw meerdere erkennen in de mens. U had het met haar hoeveelheid hersenen en zulk een kleine set vleugels nooit lang volgehouden, dat geef ik met alle plezier van de wereld toe, maar die herseninhoud maakt het de mens wel mogelijk te overleven. Vooralsnog uiteraard. Voorspellende gaven zijn bij distributie aan mij voorbij gegaan, ik verwacht echter dat de mens het nog lang volhoudt op de haar ingeslagen weg. Ze is slim. Sluw. Ze weet tot op heden beter te overleven in zulke grote getale dan u en de uwen dat deden. En ik kan haar daar wel om waarderen. Soms zijn de keuzen niet de mijne, dat moet geschreven, en ook ik zal mijn mondje roeren waar ik meen te kunnen of moeten willen bijsturen. Ik jammer niet om de verdwijning van diersoorten, dat niet. Want al zolang deze bol water en lucht in het heelal draait verdwenen en ontstonden planten en dieren. Groot en microscopisch klein. Dat die evolutie van het verdwijnen van soorten bij de mens stopt beschouw ik als naïef. Ook de mens zal ooit verdwijnen. Misschien wel met een spectaculaire kernexplosie, misschien met een onstopbaar klein ziektekiem-organisme, wie het weet mag het zeggen. Tot die tijd, mevrouw en mijnheer mus, tot die tijd, ga ik proberen die ontwikkeling tegen te houden. Ook als dat gaat ten koste van andere organismen. Uw gejammer dat het dier daarmee door mij als een lagere soort wordt gerubriceerd is naar mijn mening te eenvoudig en te kort door een scherpe geasfalteerde bocht. De mens heeft hersenen waarin naast sluwheid en slimheid ook gevoel nestelt. Gevoel van een soort waarmee ik uw kameraden in mijn jeugd niet heb kunnen betrappen. Dat gevoel, in de volksmond veelal als medelijden, medemenselijkheid, geweten genoemd, maakt mijn vertrouwen in een rechtvaardige samenleving niet groot, maar wel groter als waren we allen mussen. Maakt u zich derhalve liever boos om het feit dat u hier onder een lekkere warme dakpan zit, met een dikke ronde buik, terwijl de voor u mindere soorten in verre streken kou lijden, elkaar martelen, sterven van een gebrek aan mindere soorten.
Een betrokken vogelaar
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 335, 27 augustus 1999