Skip to main content
  • Archivaris
  • 335

De zelfdisciplinering van GroenLinks

Op weg naar het einde

Hoewel de gewapende aanval van de NAVO op Joegoslavie officieel een humanitaire interventie ter bescherming van de Kosovaren heet is Nederland feitelijk in oorlog. Hoe begrijpelijk ook dat actie wordt ondernomen tegen de stalinist Milosevic en zijn politiek van etnische zuivering dit soort geweld lost niets op. Erger nog, mogelijk leiden de bombardementen tot een nieuwe Balkanoorlog. Verbijsterend is dat het deelnemen van Nederland aan de NAVO-operatie vooraf niet eens in een plenair debat in het parlement aan de orde is gesteld. Nog verbijsterender is dat oppositiepartij GroenLinks de regeringspolitiek steunt.(1)

door Hans Ramaer

GroenLinks - in 1989 voortgekomen uit de kleinlinkse partijen PPR, PSP, CPN en EVP - werd kort na zijn ontstaan geconfron-teerd met de Golfoorlog. Deze gewapende actie tegen Irak was gebaseerd op een mandaat van de VN-Veiligheidsraad, wat in de huidige oorlog geenszins het geval is. Toch keerde GroenLinks zich in 1991 nog resoluut tegen het wapengeweld. De pacifistische traditie stond in de partij niet ter discussie. Nu, acht jaar later, lijkt GroenLinks zich aangepast te hebben aan de dominante politiek orde. Het proces van zelfdisciplinering is vrijwel afgerond, de sociaaldemocratisering van GroenLinks een feit.

Toen de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) dertig jaar bestond schetste Rudolf de Jong in dit tijdschrift een portret van die partij.(2) Daarin stelde hij vast dat veel pacifistisch-socialisten (niet alle!) en anarchisten gemeen hebben dat ze niet geloven dat een socialistische samenleving via parlement, staat of politieke partij, kortom door machtsvorming, bereikt kan worden. Vandaar waarschijnlijk dat nogal wat libertairen op die partij stemden, zeker op lokaal niveau, en sommigen er zelfs een actieve rol in speelden.(3)
De PSP was in 1957 opgericht om radicaal-pacifistische, religieus-socialistische en libertair-socialistische 'daklozen' een partij-politiek tehuis te bieden.(4) Je zou kunnen stellen dat de PSP de meest succesvolle groepering was in wat wel als de derde stroming in de Nederlandse arbeidersbeweging wordt aangeduid.
De eerste stroming is de sociaal-democratie, de tweede stroming die van de communisten en verwante groeperingen. De derde stroming omvat anarchisten, pacifisten, religieus-socialisten en andere groepen, die een ethisch-idealistische grondslag gemeen hebben. Als typerend voor die derde stroming wordt genoemd: pacifisme of antimilitarisme, fundamentele maatschap- pijhervorming (in socialistische zin), een libertaire inslag, ethische orientatie, getuigenis boven machtspolitiek, afwijzing van 'het doel heiligt de middelen', en een levenshouding die in overeenstemming is met de principes.(5)
Behalve de PSP kunnen ook de kleine Evangelische Volkspartij (EVP) en de Politieke Partij Radicalen (PPR) tot die derde stroming gerekend worden.(6) De CPN vertegenwoordigt de tweede stroming.(7) In de eerste helft van de jaren tachtig, toen de kleinlinkse partijen alleen al vanwege hun afkalvende zeteltal steeds meer gedwongen werden tot nauwe samenwerking, was het vooral de PSP die die samenwerking om armde. Lijstverbindingen en gezamenlijke fracties leken op termijn uit te kunnen monden in een eenheidspartij, maar uiteindelijk was het juist de PSP die afhaakte. PPR en CPN stonden niet afwijzend tegenover machtsvorming in de parlementaire politiek en het was dan ook niet zozeer als gevolg van programmatische geschilpunten als wel vanwege dat verschil in mentaliteit dat een samengaan halverwege de jaren tachtig mislukte. In de tweede helft van de jaren tachtig daalde het zeteltal van kleinlinks dramatisch: de CPN verdween uit de Tweede Kamer, de PSP haalde na interne twisten nog maar een zetel, de PPR twee zetels. Door dat getalsmatig overwicht nam de PPR nu het voortouw bij het hernieuwde streven naar een eenheidspartij, die volgens de radicalen een progressieve milieupartij zou moeten worden, vergelijkbaar met de rechtervleugel (realo's) van de Duitse Groenen.(8)
Ondanks de voorafgaande jaren van kleinlinkse samenwerking was de oprichting van GroenLinks toch nog een noodsprong. Door de val van het kabinet-Lubbers II in 1989 stonden er onverwachts Europese verkiezingen van dat zelfde jaar was een onverwacht succes (het resultaat van zeven procent is door GroenLinks pas bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1998 verbeterd) en zo ontstond na een te korte voorbereiding een partij die nog als organisatie moest worden opgebouwd en waarvan de politieke positionering van bovenaf was vastgesteld. Een slechtere start was bijna niet denkbaar. Dat de nieuwe partij slechts zes zetels scoorde was daarom niet onbegrijpelijk maar niettemin voor veel GroenLinksers een teleurstelling.

electorale strategie
Ondanks verschillende meningen over doelstellingen, doelgroepen, aanpak en organisatie werd toch al snel duidelijk dat GroenLinks zeker geen optelsom was van de vroegere kleinlinkse partijen. Haar allesoverheersende prioriteit was vanaf de start politieke machtsvorming op parlementair niveau: alles en iedereen werd in toemende mate ondergeschikt aan die electorale strategie.(9) Daarmee onderscheidt GroenLinks zich met name van de PSP die zich veeleer zag als tolk van (nieuwe) sociale bewegingen. Voor GroenLinks ligt het primaat geheel bij parlementaire activiteiten en komen buitenparlementaire acties pas in beeld als deze direct of indirect kunnen bijdragen aan het succes van de partij. Hierin herkent men de CPN-traditie. Evenmin wilde GroenLinks een getuigenispartij zijn zoals de pacifistische PSP en EVP dat grotendeels waren. Zo'n partij zou getalsmatig immers per definitie klein blijven. Een tweede kenmerk is dat de nieuwe partij onder invloed van vooral de PPR een postmaterialistische koers koos. GroenLinks wilde duidelijk geen arbeiderspartij zijn, een breuk met de CPNtraditie, en vermeed alles wat nog kon herinneren aan het traditionele socialisme van een deel van kleinlinks. Bewust werd de in omvang en maatschappelijk aanzien afnemende catego- rie laaggeschoolde werkenden en werkelozen als electorale doelgroep overgelaten aan andere partijen, met name de Socia- listische Partij (SP). Ook werd niet ingezet op een hechte band met de vakbeweging.

marktdenken
GroenLinks ging zich vooral richten op jongeren, hoogopgeleiden, goedbetaalde (twee)verdieners, kortom op de geemancipeer- de, mondige burgers die zich tot de in aanzien en omvang groeiende middengroepen rekenen. Dat nu is vrijwel exact dezelfde kiezersmarkt als waarop D66 vanouds opereert. En het is ook een van de doelgroepen waarop de PvdA zich richt. Of die strategie op langere termijn vruchten afwerpt blijft overigens de vraag, aangezien GroenLinks, PvdA en D66 tot nog toe tezamen steeds een vaste aanhang hebben van circa 45 procent van de stemmen. Wat de een verliest, wint de ander. Met die keuze voor de nieuwe middengroepen slopen geleidelijk ook opvattingen de partij binnen die binnen kleinlinks ondenk- baar waren geweest. Zo omarmde GroenLinks steeds vaker ideologische elementen van het marktdenken (de nadruk op arbeid an sich, "beheersbaarheid' van sociale en ecologische problemen via fiscalisering en technologisering zoals de ecotax en het rekeningrijden). Tegelijk werden na verloop van tijd de geluiden die een aanzet zouden kunnen zijn tot radicalere maatschappijverandering steeds zwakker. Zelfs nota's met ronduit gematigde voorstellen die nog in het begin van de jaren negentig waren verschenen belandden uiteindelijk in een bureaulade. (10) Het (volwaardige) basisinkomen - eens het kroonjuweel van de PPR - verdween bij GroenLinks definitief in in de prullenbak. En het was notabene minister Margreeth de Boer van de PvdA die het voortouw nam bij het pleiten voor 'onthaasting'.
Kortom, voor fundamentele maatschappijhervorming ben je bij GroenLinks inmiddels aan het verkeerde adres. (11) De naam GroenLinks was overigens een tweede keus. Omdat al sinds het midden van de jaren tachtig de kleine partij De Groenen bestond (overigens ten dele gevormd door teleurgestelden in kleinlinks) waren de oprichters gedwongen een andere naam te zoeken. Doelbewust werd gekozen voor 'groen' omdat uit marktonderzoek was gebleken dat er voor een groene partij, net als elders in Europa, een potentieel electoraat bestond. Met de toevoeging 'links' werden delen van kleinlinks tevreden gesteld en tien jaar later kan geconstateerd worden dat de naamsstrategie geslaagd is. De partij De Groenen - die in 1989 niet werd uitgenodigd om tot de eenheidspartij toe te treden, de EVP pas in het allerlaatste stadium - is het niet gelukt een Tweede Kamerzetel te veroveren en moest zich tevreden stellen met een handvol raadszetels en enkele statenzetels. Telkens weer moest ze het bij verkiezingen afleggen tegen de naamsbekendheid van GroenLinks. Samenwerking tussen beide groene partijen kwam nooit van de grond, uitgezonderd een korte tijd in Zuid-Holland, waardoor ik voor De Groenen een zetel in de Provinciale Staten kon bezetten in een gezamenlijke fractie. Dat die samenwerking nooit op bredere schaal werd voortgezet had twee oorzaken: enerzijds was GroenLinks ervan overtuigd dat ze de electorale concurrentiestrijd zou winnen, anderzijds deelden veel leden van De Groenen de ambities van GroenLinks niet. De opheffing van de moegestreden Groenen is dan ook nabij.
Hoewel GroenLinks goede contacten met de bestuurders van de meeste natuur- en milieu-organisaties onderhoudt (niet in het minst omdat de milieubeweging zelf van karakter is veranderd en veeleer het primaat legt bij overleg met de overheid en het bedrijfsleven dan bij directe actie), veelvuldig de natuur- en milieuproblematiek aan de orde stelt en daardoor het imago verworven heeft een groene partij te zijn, is daar inhoudelijk van alles op aan te merken. Op het niveau van gemeenten en provincies ligt de situatie soms anders maar in de Tweede Kamer heeft GroenLinks tot nog toe slechts zelden getoond dat 'groen' de hoogste prioriteit heeft. De problematiek van Schiphol en de groei van het vliegverkeer is zo'n uitzondering. De regel echter is dat GroenLinks apert verkeerd kiest (IJburg, Ruigoord, Betuwelijn), schippert of technische dan wel fiscale compromissen voorstelt om maar 'voor' te kunnen stemmen, het 'tegen' sinds 1994 overlatend aan de SP. Fundamenteel groendenkend is GroenLinks dus allerminst.

sociaaldemocratisering
Dat kenmerk hangt nauw samen met het feit dat GroenLinks sinds zijn ontstaan steeds een bestuurderspartij heeft willen zijn, waarin ze zich een voortzetting toont van de PPR en vooral de CPN. Is het toeval dat relatief veel wethouders van GroenLinks uit de CPN afkomstig zijn?
Het leveren van wethouders (GroenLinks heeft er momenteel enige tientallen in de grote en middelgrote steden) wordt niet gezien als een instrument tot maatschappelijke verandering maar als een doel op zich. GroenLinks wil tonen dat ze kan meeregeren. Hoewel sommige GroenLinks-wethouders wel eens 'leuke dingen voor de mensen' realiseren is de realiteit toch dat ze zich nauwelijks kunnen onderscheiden van PvdA-collega's. Dit soort bestuursverantwoordelijkheid dwingt de Groen-Links-raadsleden echter tot steun aan rechtse coalitiepartners, daarbij de linkse oppositierol overlatend aan SP, Groenen en progressieve stadspartijen. En met wat de Groen-Linkse gretigheid om mee te besturen de afgelopen jaren in Amsterdam, Rotterdam en Utrecht aan overwikkelijke zaken heeft opgeleverd zou een hele aflevering van dit tijdschrift gevuld kunnen worden.
Het proces van zelfdisciplinering van GroenLinks lijkt inmiddels zijn eindfase bereikt te hebben. Van aanpassing aan de dominante politieke orde is de zelfdisciplinering overgegaan in inpassing in de dominante orde, anders gezegd GroenLinks accepteert de 'politieke realiteit' waarbij bestaande machtsverhoudingen als onwrikbaar, maatschappelijke ontwikkelingen als onontkoombaar worden opgevat.(12) Misschien wel het meest pregnant blijkt die acceptatie op het vlak van de Europese 'eenwording' van het kapitaal. De voortgaande economische en bestuurlijke machtsconcentratie in Europa (met name de Verdragen van Maastricht en Amsterdam) is door GroenLinks nauwelijks bekritiseerd. Ook op dat terrein onderscheidt de partij zich dus niet wezenlijk van PvdA en D66.
Dat alles tezamen leidt tot de conclusie dat GroenLinks inmiddels een neo-sociaaldemocratische partij is geworden en derhalve gerekend kan worden tot de eerste stroming. Anders gezegd: de zelfdisciplinering van GroenLinks is uitgemond in sociaaldemocratisering.(13) Een belangrijk onderdeel van dat proces is de eerder genoemde electorale strategie van Groen- Links. In het kader van die strategie valt op dat fractieleider Paul Rosennmoller in steeds toenemende mate het beeld van de partij bepaalt. De hedendaagse politiek is bij uitstek een mediaverschijnsel geworden, gecentreerd rond personen, wat natuurlijk alles te maken heeft met het verdwijnen van ideologische verschillen tussen de gevestigde politieke partijen. GroenLinks speelt op die ontwikkeling in door zich niet programmatisch te profileren maar door de partij te koppelen aan 'oppositieleider' Rosenmoller, die onmiskenbaar over de kwaliteiten beschikt om die mediarol met succes te kunnen vervullen.
Het wachten is slechts op het moment dat GroenLinks regeringspartij wordt. Vanaf 1994 roept GroenLinks steeds nadrukkelijker dat ze 'regeringsverantwoordelijkheid wil dragen'. Nu Paars versleten raakt is een coalitie van PvdA, CDA en GroenLinks de meest voor de hand liggende combinatie. En zoals kan worden vastgesteld: met haar steun aan de NAVO-bombardementen is GroenLinks geslaagd voor het regeringsexamen. (14)

noten
(1) Vgl Paul Rosenmoller in de Volkskrant 13.4.1999: "Verant- woording nemen wil niet zeggen dat GroenLinks alles wat de NAVO doet goedkeurt." Waarmee niet gezegd wil zijn dat er binnen GroenLinks geen pacifisme meer bestaat. Enkele Kamerle- den en een deel van het partijkader hebben zich tegen de bombardementen gekeerd. Niet opmerkelijk zijn de tegenstanders overwegend voormalige PSP-ers, alsook de voormalige EVP-er Hans Feddema, die ik heb leren kennen in de Zuidhollandse statenfractie van GroenLinks en De Groenen. Van doorslaggevend belang is dat de prominenten in GroenLinks hun standpunt bepaalden zonder de partij te raadplegen, laat staan te be- slissen.
(2) Rudolf de Jong, 'Dilemma's in de PSP', in De AS 77 (1987)
(3) Zo speelden o.a. anarchisten als Bertus Bot, Derk Ploeger en Bas Moreel een rol in de PSP. Zie: Paul Denekamp e.a., Onstuimig maar geduldig. Interviews en biografische schetsen uit de geschiedenis van de PSP, Amsterdam 1987; Derk Ploeger en Cathrien Ploeger-Eimers, Dagelijks leven in de vrij-socialistische beweging in Groningen, met een voorwoord door Anton Constandse, Groningen 1979; Bas Moreel, 'De tijd van mijn leven. Herinneringen van een literatuurverspreider', in Thea Duijker (red), Cher ami! Dear friend!, Querido amogo! Voor Rudolf de Jong, anarchist in woord en daad, Amsterdam 1997.
(4) Zie: L. van der Land, Het ontstaan van de Pacifistisch Socialistische Partij, Amsterdam 1962.
(5) Paul Denekamp,'De derde stroming in de Nederlandse arbeidersbeweging: een algemeen overzicht', in Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging 34 (1994). In datzelfde nummer van het BNA maakt Rudolf de Jong overigens een gedetailleerder onderscheid: hij meent onder meer dat de anarchisten een afzonderlijke stroming vormen ('De derde stroming in de Nederlandse arbeidersbeweging gezien door een anarchistische bril').
(6) De PPR voldoet niet aan alle kenmerken van de derde stroming, met name was ze steeds veel meer een bestuurderspartij.
(7) Voor een sfeerbeeld van de CPN in haar nadagen, zie: Andre de Raaij, 'Jullie deugen niet!' De laatste jaren van het Volksdagblad De Waarheid (1983-1991), Amsterdam 1992.
(8) Veel feitelijke gegevens in dit artikel zijn ontleend aan de in maart 1996 in eigen beheer uitgegeven notitie van Erik Meijer bij zijn overstap van GroenLinks naar de SP ('Linkse partijen komen en gaan, maar de strijd voor het socialisme blijft altijd bestaan'). Meijer heeft een lange staat van dienst als raadslid en statenlid, aanvankelijk voor de PSP en later voor Groen-Links. Hij is momenteel deelraadslid voor de SP in Rotterdam en lijsttrekker van die partij voor de Europese verkiezingen.
(9) Zie: Jelle van Buuren, 'GroenLinks: publieke partij tussen macht en moraal', in Kritiek 1996. Jaarboek voor socialistische discussie en analyse, Utrecht 1996.
(10) Te denken valt bijvoorbeeld aan Duurzame democratie. GroenLinks en politieke vernieuwing (1993) en De contouren van een libertair milieubeleid (1992)
(11) Waarmee GroenLinks zich nog wezenlijk van PvdA en D66 onderscheidt is haar visie (beter: gebrek aan visie) op de multiculturele samenleving. GroenLinks kiest per definitie partij voor migranten en nieuwkomers, maar de inherente problematiek van het multiculturalisme wordt door GroenLinks volstrekt genegeerd (zie in dit verband de kritiek van arabist J. Brugman, Het raadsel van de multicultuur, Amsterdam 1999).
(12) Vgl Clemens Rading, Het eenpartijstelsel van de Parlementaire Democratie, Nijmegen 1998.
(13) Zie over sociaaldemocratisering: Ton Geurtsen, Een geschiedenis van verloren illusies, Breda 1994. - (14) Vgl Mark Kranenburg, 'GroenLinks op examen', in: NRC Handelsblad 15.4.1999.

Zelfdisciplinering GL Den Bosch

Het artikel van Hans Ramaer hebben we in overleg met de auteur overgenomen uit De As nr. 125, omdat het een duidelijke analyse geeft over de verwording van Groen Links en een beeld geeft van de huidige positie van deze partij. Wanneer men het artikel van Hans Ramaer leest met in het achterhoofd kennis van de Bossche politieke verhoudingen, dan zal men ontdekken dat het er hier niet veel anders toegaat dan elders in het land...

door Bas van der Plas

Na heel veel strubbelingen kwam er na de raadsverkiezingen in Den Bosch in 1998 uiteindelijk in tweede instantie een college tot stand waarin GL een wethouder kon leveren. Tot niemands verbazing was dat Evelien van Onck, eerder het uithangbord van de CPN en later van GL. Want wie anders dan zij zou als wethouder kunnen optreden, bij gebrek aan verder kader binnen de lokale afdeling? Eindelijk was dan bereikt waar GL al langere tijd recht op meende te hebben: het bestuurlijke pluche. Er werden geen vragen gesteld over de andere partijen in het college, het maakte GL in de praktijk dan ook niets uit of men met rechtse, danwel middenklassepartijen in het stadsbestuur zat, temeer daar GL zelf tot middenklassepartij is verworden. Zoals Hans Ramaer terecht analyseert heeft GL geen andere ambities dan machtspartij te zijn binnen de bestaande maatschappelijke verhoudingen en is dan ook absoluut niet uit op het veranderen van die maatschappelijke verhoudingen omdat zij dan deze zelfverkozen positie zou verliezen.

De sociaaldemocratie schrapte in 1937 de paragraaf over socialisatie van de voornaamste produktiemiddelen uit haar beginselprogram, maar een dergelijke paragraaf heeft GL zelfs nooit gehad. Zij is meteen in het gat gesprongen dat de sociaaldemocratie na een jarenlang opschuiven naar rechts heeft achtergelaten en vervult nu de traditionele rol van pleisters plakken op de diepste wonden die de vrije markteconomie achterlaat. Zonder daarbij de maatschappelijke (wan)verhoudingen ter discussie te stellen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat wethouder van sociale zaken Van Onck meteen kwam met nieuwe voorstellen voor de gemeentelijke invulling van de Algemene Bijstandswet. Onder de PvdA in Den Bosch was er een wel buitengewoon magere lokale invulling uit de bus gekomen, terwijl de problematiek van uitkeringsgerechtigden in deze stad tot enorme hoogte gestegen was. Budgethulp en Kredietbank waren overwerkt. Dus werd de korting op huisdelers opgeheven, kwam er een collectieve ziekenfondsverzekering en een bijdrage van 300 gulden per jaar. Duidelijk was dat ook GL vond dat de uitkeringen al jarenlang structureel te laag zijn en trachtte met bovengenoemde maatregelen de al te scherpe kantjes af te vijlen. Ziedaar, de klassieke rol van de sociaaldemocratie, een rol die evenwel slechts kan worden vervuld in een periode van hoogconjunctuur. Wanneer de financiƫle positie van Den Bosch verslechtert wordt GL gedwongen tot harde, principeloze keuzes. Pas op dat moment zal haar werkelijke positie binnen de maatschappelijke verhoudingen duidelijk zijn en ik voorspel, met Hans Ramaer, dat die positie onthutsend is.

Ook op andere beleidsterreinen vervult GL steeds meer de rol van gezagsgetrouwe bestuurspartij. Een behoorlijk vluchtelingenbeleid is er in Den Bosch nog niet, hoewel dit tot de portefeuille van GL behoort. En de autovrije binnenstad is blijkbaar nog slechts een hobby van enkele voormalige GL-jongeren, die zonder ondersteuning van het kader van GL hun maandelijkse fietsrondjes rijden. Actiepartij is GL in Den Bosch (waar wel?) nooit geweest, zo'n 'Geen violen maar riolen'-activiteit tegen de ondergrondse concertzaal was niets anders dan het kietelen van een potentieel electoraat. De weinige keren dat ik GL-leden op straat tegenkom is voor de verkiezingen wanneer zij pamfletjes uitdelen. Die pamfletjes roepen nergens anders toe op dan op GL te stemmen. Jammer is dat GL niet tot actie wordt gedwongen. De door Hans Ramaer gesignaleerde functie van de SP is ook in Den Bosch ver te zoeken. En de weinige nog bestaande actiegroepen in Den Bosch zijn niet bij machte het parlementair vertoon van GL kritisch te volgen. Zodoende kan GL vrijwel kritiekloos haar maatschappelijke functie vervullen, gesteund door een electoraat dat ook geen verdere ambities heeft dan de eigen middenklassebelangen verdedigen.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 335, 27 augustus 1999