Verlengen, met strafschoppen na (038)
‘Je bent een held uit mijn jeugd’, schrijf ik hem. ‘Toen ik twaalf was speelden jullie om het kampioenschap van Nederland, en stond ik voor het eerst langs de lijn bij een voetbalwedstrijd.’ Of hij weet waar ik dat en dat boek kon krijgen over zijn club en die kampioenswedstrijd, en hij antwoordt dat hij ‘er nog wel eentje heeft liggen’ en het langs zal brengen.
Eenmaal met hem aan de koffietafel trek ik de stoute schoenen aan. Ik heb ergens gelezen dat hij het archief van zijn club heeft, ‘op zolder’. ‘Ik wil dat eigenlijk wel van je overnemen’, zeg ik. ‘Het is toch zonde dat zoiets op een zolder ligt? We hebben hier wel een kast over, en de mooie dingen breng ik dan naar de club. Voor in een vitrine.’
‘Dat wordt niks’, antwoordt hij. ‘Dat doen ze nooit. Die gasten hebben daar helemaal geen belangstelling voor.’ ‘Echt niet? Het is toch hun club en …’ ‘’Weet je wat het is. Sinds de club in die buurt speelt trekt ie alleen nog maar mensen uit die buurt. En ik ben geen racist, maar die mensen zijn gewoon anders, die hebben een andere cultuur als wij.’
Hij komt zelf niet meer op de club, ook niet om te kijken. Ik vertel hem hoe sneu ik het vond dat zijn collega Piet, de keeper van de kampioenen, was geinterviewd in de plaatselijke krant maar dat in dat vraaggesprek Piet zijn voetbalverleden helemaal niet ter sprake was gekomen. ‘Daarom is het dus belangrijk dat het verleden van het voetbal in dit stadje ergens zichtbaar is. Volgens mij.’
‘Ik heb dat archief aan het regionaal archief beloofd. Die pluizen het uit en slaan het dan digitaal op en zetten alle mappen die ik heb -zevenentachtig multomappen helemaal vol- daar in het regionaal archief netjes in de kast. Kan iedereen naar komen kijken, dat kan bij mij nu eenmaal niet. En jullie wonen ook niet groot, zie ik.’
Hij zit nu al te lang tegenover me. Een druk baasje van ‘tegen de tachentig’ dat graag aan het woord is. Hij is nooit uit het stadje weggegaan en destijds zo van het veld in een kamer in het stadhuis beland waar ie drieëndertig jaar ambtenaar voor sportzaken is geweest. ‘Ik heb er nog een lintje voor gekregen.’
Hij heeft al twee koppen koffie op en lijkt te wachten op iets anders. ‘Piet en ik zien elkaar nog elke week’, klinkt het. ‘In de kroeg, elke donderdag.’ Inderdaad, ik zie nu dat zijn ogen licht tranen en dat hij voortdurend met zijn vingers op de tafel trommelt. Net als Willem Kieft op zondagavond, in Studio Voetbal …
Maar ik ga hem echt niets inschenken. ‘Je was in de tachtiger jaren betrokken bij dat project in Roemenië’, zeg ik. ‘Dat stadje waar jullie kleren heen brachten en zo. Mijn zuster was daar ook bij en van haar hoorde ik opeens je naam, dus vandaar dat ik wist dat je nog in leven bent. Maar hoe vond je dat werk?’
Hij kan vooral veel vertellen over de reis naar en het verblijf in het zusterstadje na Die Wende. ‘We hebben nooit meer zoveel lol met mekaar gehad als toen, jongen. Wij hadden goed geld en zij hadden geen geld, niks te makken! Dus je kon daar krijgen wat je maar wilde. Zulke meissies jongen, die heb ik hier nooit gezien, zo mooi en bereid!’
Ik neem het gevraagde boek dat hij tussen ons in heeft gelegd, in mijn handen en vraag wat het moet kosten. Hij springt op, komt naast me staan en zoekt naar een bladzij in het boek. ‘Kijk, deze wou ik je laten zien. Ken je die al? Hier ben ik dus vijfentwintig denk ik, ja ik weet het zeker, vijfentwintig.’
Iedereen die toen met mij rond dat veld heeft gestaan en iedereen die dat voorjaar in de plaatselijke krant de club volgde, kent die foto. Een lange, tanige jongen van vijfentwintig zet met een halve omhaal zijn ploeg op 2-1. Op de achtergrond een houten zittribune uit 1912, bijna alle mannen in het publiek dragen nog een hoed.
Ik herken de speler niet in de man die ik nu uitgeleide ga doen, met zijn boek weer onder de arm …
(JoopFinland)