Requiem voor een klootzak (012)
Veliko Tarnovo. Opeens herinnerde ik me vanmiddag de welluidende naam van het Bulgaarse stadje omdat de wielerwedstrijd Giro het aandeed.
Veliko Tarnovo kende ik in 1990 alleen vanwege de plaatselijke voetbalclub die de ene na de andere Bulgaarse titel won. Maar tijdens mijn kennismaking met het land werd ik er op een zaterdagavond getuige van ‘the amazing lightshow’ die de geschiedenis van Bulgarije en de Bulgaren moest uitbeelden. Op een heuvel stond ik met ‘mijn’ Nederlandse toeristen beleefd aah en ooh te roepen bij veel rood, groen en geel dat op de middeleeuwse burcht van het stadje werd geprojecteerd. (Van de recente, ‘volksdemocratische’geschiedenis van het land getuigden veel imposantere monumenten: gigantische, boven op de heuvels uit steen opgetrokken beeltenissen van Todor Zhivkov, de naoorlogse leider van het landje)
‘The amazing lightshow’ was een uitspraak van Magdalena Stamenova, de prachtige collega die bij onze aankomst in Varna in de bus stapte en naast me kwam zitten. De zwartharige en struise Magdalena sprak bijna vloeiend engels en gaf ook overigens blijk van pienterheid. Ze studeerde textiele vormgeving aan de uni van Sofia en was tegen heug en meug bereid geweest zich met ‘Westerse’ toeristen te bemoeien. Haar gekrenkte trots was beeldschoon: toen de meute uit de polder haar en haar oudere collega de eerste dag wilde verwennen met de meegebrachte spijkerbroeken, overhemden en zelfs een vleespakket dat de vlucht vanaf Schiphol had overleefd, sprak ze de woorden: ‘We are not poor people, we are proud people.’
Maar verder vielen ze best mee, de voor een groot deel bejaarde toeristen op het ‘eerste rondje’. De bedoeling was dat ik twee keer het land doorging, met twee verschillende groepen. We toerden in de bus van het ene ‘coöperatieve restaurant’ waar we ons laafden aan bier en kebab naar het volgende en hadden niet te klagen over de hotels die ons na een dag zweten en ezeltjes fotograferen ontvingen. Magdalena trakteerde mij in een vroeg of nog laat open kroeg op ‘the national delicacy’, de kloten van een stier, en nodigde me in Sofia uit in de kathedraal voor ‘the first orthodox mass since the war’. Tijdens het vier uur durende evenement zat zij met haar verloofde devoot op de voorste banken en vertrouwde me na afloop toe dat ze met de man in dezelfde kathedraal zou gaan trouwen.
Nee, ook Magdalena had niet door dat de val van de Muur het einde betekende van het Bulgarije waarop zij ‘proud’ was. Ik sprak een landgenoot van haar die de verlokkingen van wat toen nog EEG heette samenvatte als ‘wel acht tv-zenders’ en ‘meer auto’s uit Duitsland’. Een ander wilde niet geloven dat ‘Europa’ geen coöperatieve restaurants zou gedogen. En vooruit, nog een ander dacht dat de standbeelden voor Zhivkov ‘nooit’ zouden verdwijnen uit het Bulgaarse landschap. Van ressentiment was geen sprake in het land waar iedereen even arm leek te zijn. En van angst voor de toekomst al helemaal niet. Daarvoor moest men in de hogere echelons van deze samenleving zijn. In de wereld waarin Jan Best zich een plek meende te hebben verworven …
(JoopFinland)