Requiem voor een klootzak (013)
De lift was de grootste luxe in het flatgebouw. Ze had er een keuken, woon- en slaapkamer. In de laatste leefde ook haar moeder.
Al sla je me dood weet ik na vijfendertig jaar haar naam niet meer maar laten we haar voor het gemak Ljobov noemen, liefde in haar moedertaal. Ljobov was een kleine vrouw met een levendige uitstraling. Rond gezicht onder lichte lange krullen, met een mond -met veel te veel lippenstift zoals dat hoort in die kontreien- die graag lachte. Aan haar prettige voorkomen droeg die middag ook haar gele jurkje bij.
Ze woonde ergens in Sofia. Moeilijk te zeggen of het in of dichtbij het centrum van de stad was of juist buitenaf. De Bulgaarse hoofdstad had zich tijdens mijn eerste ‘rondje’ door het land aan me voorgedaan als een vreselijk oord, en mijn tweede bezoek bevestigde me alleen maar in die mening. Hitte en uitlaatgassen, in een giftig mengsel. Verkeer dat aan geen enkele snelheidslimiet gebonden leek. Dode honden en katten midden op die rijwegen.
Mijn tweede toer als toeristengids werd een martelgang, niet in het minst omdat inmiddels ook Jan Best, Nanny de Vries en Fred Woudhuizen zich in het land gemeld hadden. De Vries heb ik er nooit getroffen maar Jan zou ik er later ontmoeten en Fred voegde zich vanaf Sofia bij mijn gezelschap. Hij ging studeren aan de uni van de hoofdstad, of in ieder geval een paar maanden een programma volgen. Hem was ergens in de stad een kamertje van twee bij twee meter toegewezen dat hij mij niet wilde laten zien.
Hoe en waarom Fred en ik bij Ljobov terecht kwamen weet ik niet meer. Wij kenden haar niet, dus zal Jan ons tot het bezoek hebben gemaand. Misschien moesten we zijn ‘aanstaande’ gerust stellen nu ook De Vries in Bulgarije was verschenen. Was dat de reden waarom Ljobov tegen Fred en mij zonder veel inleiding over de ‘problems’ van Jan begon te praten.
Ze had hem goed door, bijzonder goed. In de jaren daarna ben ik eigenlijk op niemand gestuit die beter wist te verwoorden waarom Jan zich gedroeg zoals hij zich gedroeg, Ljobov zat geen moment in een stoel terwijl ze ons over haar ‘great love’ vertelde, stond met drie koppen thee midden in het kamertje en wees bij het woord ‘bedroom’ op de gesloten deur waarachter haar moeder voor ons onzichtbaar bleef:
‘We were fighting and Jan sleeps here, not in bedroom. So in the middele of the night I hear how someone comes from this room to bedroom and when I open bedroom door Jan is there like a little boy. A little boy. Crying. Crying like a little boy. So he is a little boy.’
(JoopFinland)