Skip to main content
  • Archivaris
  • 427

Een selectieve blik

Zelfcensuur in de Nederlandse journalistiek

Ayaan Hirshi Ali hield twee jaar geleden op 3 mei, de dag van de persvrijheid, een rede waarin ze betoogde dat Nederlandse journalisten uit angst voor moslimfundamentalisten zelfcensuur plegen. Later dat jaar verscheen een rapport van criminoloog Frans Bovenkerk waarin hij aantoonde dat journalisten vaker en ernstiger bedreigd worden dan vroeger, met soms ook zelfcensuur tot gevolg. Hoe zit het precies met zelfcensuur in de Nederlandse journalistiek? Hoe vaak komt het voor, en gebeurt het -behalve vanwege bedreigingen- ook om andere redenen?
De masteropleiding Journalistiek & Media van de Universiteit van Amsterdam organiseerde eind vorig jaar een scriptieproject over zelfcensuur, waar negen studenten aan deelnamen. De uitkomsten van deze scripties vormen de basis van de bundel 'Een selectieve blik: Zelfcensuur in de Nederlandse journalistiek', onder redactie van mediawetenschapster Mirjam Prenger (1). Het boek werd, heel toepasselijk, op de dag van de persvrijheid -3 mei 2007- gepresenteerd. Zes van de behandelde scripties zijn ook in hun geheel terug te vinden in de scriptiedatabase op De Nieuwe Reporter (2).

De scripties hebben gemeen dat zij allemaal keken naar externe (onderandere bedreigingen, juridische restricties) en interne (onderandere mediumspecifieke mores, afkeur) factoren van zelfcensuur. Ook werden vier momenten gedefinieerd waarop zelfcensuur plaats kan vinden: tijdens de selectie van een onderwerp; tijdens het vergaren van informatie; tijdens het schrijven of produceren en tijdens het publiceren of uitzenden. Maar voor de rest lopen de onderwerpen van de scripties sterk uiteen.

Zo analyseerde Marchien Kuijken de berichtgeving van twee kranten rondom de Greet Hofmansaffaire in 1956 en de Lockheedaffaire in 1976. Zij concludeert dat bij de eerste affaire zelfcensuur werd toegepast vanuit politieke druk; het was stomweg not done om negatief over het koningshuis te schrijven. Ten tijde van de tweede affaire werd ook zelfcensuur toegepast, maar nu vanwege interne in plaats van externe factoren. Aline Idzerda en Moira van Dijk onderzochten verschillende aspecten van de berichtgeving over het Israëlisch - Palestijnse conflict. Zij concluderen onder meer dat er de laatste jaren steeds meer terughoudendheid is in de berichtgeving over dit conflict, vanwege de (vermeende?) moeheid van het Nederlandse publiek. Ook legt de berichtgeving, hoewel deze over de jaren heen evenwichtiger is geworden, nog altijd de nadruk op de Israëlische invalshoek. Andere onderwerpen die in de bundel aan bod komen zijn onder meer de berichtgeving rondom rellende Marokkaanse jongeren in Amsterdam voor en na de opkomst van Pim Fortuijn en de vrijheid van politieke cartoonisten, mede in het kader van de Deense cartoonrellen.

Valt er, ondanks de uiteenlopendheid van de behandelde onderwerpen, ook een algemene conclusie te trekken over zelfcensuur in Nederland? Jazeker, vindt Mirjam Prenger. Zij onderscheidt in het concluderende hoofdstuk acht factoren die een belangrijke rol spelen bij zelfcensuur en bespreekt hoe dit uit de verschillende onderzoeken blijkt. Het zijn factoren zoals 'het maatschappelijk ideologische klimaat' en 'de journalistieke werkwijze', die voor een deel met elkaar overlappen. Prenger besluit ermee dat, in tegenstelling tot het bestaande ideaalbeeld rondom de journalistieke praktijk, journalisten zich lang niet altijd gedragen als waakhond; lang niet altijd onpartijdig, neutraal en objectief zijn; en lang niet altijd autonoom, vrij en onafhankelijk zijn in het uitoefenen van hun beroep.
In hoeverre leert dit boek iets over zelfcensuur in de Nederlandse journalistiek? Wie tijdens zijn of haar opleiding veel theorieles over de journalistieke praktijk heeft gehad, of wie zich hier uit persoonlijke interesse in heeft verdiept, zal het concluderende hoofdstuk voor een groot deel bekend voorkomen. Het vertoont sterke overeenkomsten en raakvlakken met discussies over bijvoorbeeld objectiviteit en framing. Dit komt door de gehanteerde zeer ruime interpretatie van het begrip zelfcensuur ('een in essentie nieuwswaardig onderwerp niet behandelen'). Is het bijvoorbeeld zelfcensuur als je als journalist een onderwerp laat vallen omdat je het vanwege onwelwillende bronnen niet rond krijgt? Of als je dit doet omdat het publiek 'moe' is van een onderwerp?
Toch is het naar mijn mening wel goed om, zoals hier is gedaan, factoren die een rol spelen het al dan niet berichten van een onderwerp, en hoe de berichtgeving gebeurt, op een rijtje te zetten. Want, zoals in de bundel wordt opgemerkt: journalisten zien zelfcensuur makkelijker bij hun collega's dan bij zichzelf. De individuele scripties zijn bovendien mooie case-studies. Zij bevatten ook soms mooie quotes en bespiegelingen van mensen zoals NOS-journaal hoofdredacteur Hans Laroes en oud-NRC Handelsblad hoofdredacteur Folkert Jensma.

Het meest verrassende of nieuwe in de bundel komt misschien nog wel uit de scriptie van Sara Berkeljon. Zij hield een uitgebreide enquête onder de hoofdredacteuren van dagbladen en nieuws- en actualiteitenrubrieken. Hieruit bleek onder meer dat de helft van de hoofdredacteuren wel eens toegeeft aan politieke druk en meer dan de helft aan andersoortige druk van derden. Een fors getal. Bovendien heeft negentig procent wel eens te maken gehad met anonieme bedreigingen. De hoofdredacteuren denken verder bijna allemaal dat de Nederlandse media zich laten leiden door externe druk, en meer dan de helft van de ondervraagden denkt dat andere hoofdredacteuren zich laten beïnvloeden door anonieme dreigementen. Zelf zeggen ze dit laatste echter niet te doen.

1. "Een selectieve blik. Zelfcensuur in de Nederlandse journalistiek", Mirjam Prenger (redactie), Apeldoorn: Uitgeverij Het Spinhuis, 2007 (20 euro)
2. We hebben in dit Kleintje dit verhaal overgenomen van deze website www.denieuwereporter.nl

Dit bericht is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 427, 5 oktober 2007