De gebraden eend (deel 3)
"Beviel het je in de knillispoort," staarde mijn redacteur naar mijn laarzen. "Hoe kom je daar nu bij Sherlock, vroeg ik hem verbaasd. Het is wonderbaarlijk van je, Gerardus Magnus Glasman. Nu weet ik wel dat je een echte speurneus bent, Gerard Grootglas (hij lust hem stevig, lezers), maar ik wil toch graag van je weten hoe je daarachter bent gekomen."
door Arnold Mendel Meijer
"Heel gewoon, mijn waarde Arnold," antwoordde hij, "ik zie een bierviltje uit je bruinvilten jas steken. En op dat bierviltje staan wat losse hoofden, intelligente zijsprongen, een fontein aan onzin, en nog wat plannen die in internationale fora zeker sprankelen, spuiten en heel wat indruk zullen maken. Ergo: gesproeid door prof. dr. Antoine, ons hooggeleerd raadslid en KVP-afsteiger. Als afsteiger van het KVP-ros verloor hij helaas het zadel dat hem Den Haag zou brengen. We hebben dus vanwege Knillis een minister gemist. Nu was het katholieke pleeggezin in de Bossche raad (destijds onder de hoede van Wagemakers) Antoine ook iets te benauwd. Hij hield niet van katholieke sigaren en het amandelstrooisel op de roomse kruidkoek. Het kan ook zijn dat gewoon opstandig was, wat bij die leeftijd hoort. Hij was ook een proto-anarchist (zoek maar op in uw woordenboek, lezer). "Nu weet ik," zei mijn glazenier wijzend op grote archiefkasten, "dat dit heerschap alleen politiek wil spinnen in de Knillispoort, met een glas wijn in de hand." "Je hebt gelijk," knikte ik, "maar in de raad zie je hem voorlopig niet. Want hij heeft een sabbatical, en je weet het maar nooit. Dat kan één jaar, of zeven jaar gaan duren. Of zeven maal zeven jaar." "De sabbat loopt dus op een afscheid uit," mopperde mijn redacteur die graag baarzen in Bossche beken wil verschalken, of over hen heen schaatsen. "Ach, treur niet, stop een schone kaart in uw archief, zei ik. Dit is toch een mooie aanleiding om een geiser voor het stadhuis te installeren, een geschenk bedoeld voor de arme Bosschenaren. Stromend water dus voor jan en alleman. Het is tegelijkertijd een fontein ter herinnering aan Antoine die praktisch is en idealistisch, al kunnen we hem niet altijd op zijn wolken bijbenen, amice. Hij vliegt zomaar over ons hoofd heen, keert met de Zuidenwind terug, en vliegt dan tegen een interessant inzicht aan en vergast ons daarmee, zodat we onmiddellijk de interessante lijn van de meer aardse betogen kwijtraken. Ja onze geest kan ook maar moeilijk wedijveen met Antoine, want de mammon roept, die mastodont.
"Dit is dus je aanknopingspunt" onderbrak mijn peinzen. Mijn redacteur trok het bierviltje snel uit mijn jas en vleide het op tafel. "Vooruit," riep ik, "dat corpus laat zich snel verwijderen. Ik wist wel dat het eenvoudig was." "Ach," vervolgde mijn redacteur op meewarige toon, "dat was niet het enige bewijs, Arnold. Ik zag ook pootafdrukken staan op de rand van je geitenwollen sokken, Arnold. Dat zijn de afdrukken van Paultje die graag onder Bossche wilgen doorvaart. En toen je je pijp op tafel lei, Arnold, zat daar een dikke laag rode steengruis op. Dat is een derde aanknopingspunt - stof uit de oude stad. Is dat geen verwijzing naar de archeologie? Kijk hier, sprieten gras. Gras en gruis, dat vermalen is, het gaat dus om een sikkel en een hamer, de dader is een oud-communist en boschloog bovendien. Hier is nog wat steenslag, hengelde hij in mijn jaszak, van de categorie politiek onbesuisd. Ja, het is Frans dus, Frans van Gaal, aldus heb ik het bewezen."
"Verdorie, je hebt gelijk," zei ik, "ik ben in de Knillispoort geweest, in het atelier van RestauratieFrans, waar ook Paultje graag wil schuilen en opgeven over zijn grenzeloze eerlijkheid, zolang hij niet in een vergadering onder druk wordt gezet want dan ploft de kleine koperen ketel. Of springt die aardige vent als een natte varkensblaas. Wat wil je ook als het slagersmes op je biggenkeeltje drukt? Is dit geen helder beeld. Welnu, zeg ik als dichter, ze doen maar, dan scheurt het trommelvel maar in de foekepot. Oegge, oegge, oeff. Is het nu duidelijk? Neen, stil... Wordt het stil rondom de stadspartij? Net zo stil als om al die Bossche ganzen en de krantenman?"
"Jammer voor de krant," zei mijn redacteur nuchter.
"En nog eens wat Sherlock," vervolgde ik, "kom ik koud (maar volledig nuchter) uit de Gement... zonder goudhaantje of Bossche gans, ligt me daar een velletje gebiedend op het bureau: 'waar blijft deel twee Arnold?' 'Waar blijft je stukje' lees ik. En: 'Waar steekt gij, Arnold, dommerd, komt er nog wat van, schutter van de koude Bossche grond?' 'Wat hoo. Weg. Mijn stukje weg? Ja, weg, hoor ik Uw wind door Bossche wilgen ruisen. Daar zat ik echt verlegen mee, want ik zit stuk om een wielerterm te gebruiken. Ik belde U dus mijn eindredacteur, Geert Grootte van Ruiten, Gert de Bekenner, en U ontkende. En ik vroeg U nogmaals: 'Gij kunt er dus niets aan doen? Mijn stukje is niet verdwenen? In het kabeltje naar de redactie bijvoorbeeld? Is het niet weggelekt - want wie zuigt er nu mijn dwaze stukjes uit die koperen kabel? Ik moet dus gaan aankloppen bij de kabelmaatschappij? Het is een grapje schavuit, zeg je, een misverstand? Ja zo lust ik nog wel een. Ik eis... Neen... Ik moet... Ik wilde graag Essent de schuld gaan geven, of de KPN die binnenkort in Spaanse handen gaat vallen, of in Deense en anders wel in Duitse. Waardoor de dienstverlening weer eens beter zal gaan worden - verzekert men ons, alsof digitale pakketten sneller gaan hollen, en postzegels zelfklevend op je brief neervallen. Neen, dat zijn slechts wilde Sinterklaasverhalen. Na al dat kopen en verkopen blijft er fijn weer een, enkel groot bedrijf over. Heel overzichtelijk. Freeler, Hetnet, Interplanet, XS4ALL ze zijn allemaal weer van de KPN. Zo zijn we weer terug bij af, en staan de burgers weer aan het begin. En Burgers, trekt maar een kaartje, en gaat op dit nieuwe ganzenbord naar de oude put waar u meer nieuwe lasten moogt betalen. Dit terzijde, glazenier. Goed? Hij vond het uitstekend. En ik tierde door: Sherlock gij zijt van de genus sloddervos, een man die alles kwijtspeelt, behalve zijn geheugen en archief dat heel bezwarend kan zijn. Ik zie de uitwassen van uw verzameldrift rondom; boeken en papieren overal, CD's op de vloer, en daarnaast een bor met visresten, en een postbus als een zwart gat. Ruim dat maar eens even op, Geert Groote."
"Ja, je hebt gelijk Arnold," onderbrak mijn advocaat resoluut, "dat is een voornemen dat je zeker met je glazenier mag delen. Vooruit, schiet eens op, ik wil vanavond nog feest met u vieren." Ik tilde een zware tas van de grond, gooide honderden scherven gekleurd glas op tafel en enige brokken lood. "Kun je daar een mooi glas mee zetten, Gert GrootJan. Ja, je mag er ook een venster voor uw krantje mee maken, zo'n venster waardoor het licht fraai neervalt op de kerkgangers. En met het lood mag U het argument verzwaren, of lood in de schoenen kloppen. Als de kleuren en kreten maar omhoog spatten, zo'n raam wil ik. Het moet ook niet te grauw of te grijs zijn, en ook geen holletje in zuidwillemse wateroevers; iets gezelligs voor woelratjes, padden, geiten en Bossche schapen, of gezellige wethouders, en eigenaren van kinderboerderijen. "Wat vind je daarvan, meisje" vroeg ik mijn advocaat die aan mijn arm trok. "Arnold," begon ze op vermanende toon, "voordat jij je opnieuw met je stukjes in cyberspace waagt, moet je die augiasstal van je maar eens gaan opruimen." En ze trok me aan mijn oor. "Auu, auu."
"Het is je eigen schuld, schat," beet ze. "En ik slaap niet in dat hok van je, als je dat maar weet." "Hoezo hok," riep ik verontwaardigd. "Je mag dan wel een bul hebben betoverende schattebout, straffe pleitster van mijn kleine hart, koningin die mij als oude kikker van uw dromen graag tot prins wilt bevorderen met een enkele zoete kus, ge magt alles van mij zeggen Assepoester, maar slordig ben ik zeker niet. Hoe anders had ik die velletjes gevonden en het vertrouwen van mijn toverfluit gekocht. Ik bedoel: gewonnen. Neen, ik schrijf en ben dichter, en vergeet ook wel eens wat, maar ik heb ze allemaal nog goed op de rijtje. Kijk maar, als oefening van berouw: bidt voor ons zondaars, gevolgd door een litanie der Heiligen; Frank, Paul, Eric, Gerard, Ben, Louis, Eric, Yvonne, O. Nono-nonsens, Antoine, Peter, Ed, Tony en Wim. Ehhh.. Mijn advocaat, je moet wel erg niezen. Heb ik er een vergeten..." Mijn advocaat wapperde met haar zakdoek en proestte opnieuw. "Houdt eens stil, meisje, ik praat met mijn redacteur, met Geert Jannegroot." Het niezen en hoezen van mijn pleiter wilde die avond maar niet bedaren. "Ja, weest toch stil en zeer beleefd," drong ik nogmaals aan. "Hij," wees ik naar Groote Geert die zo arm was als Lange Pier, "hij mocht tienduizend euro betalen aan een paar Gooise accountants. Hebt eerbied voor deze redacteur, mevrouw."
"Redacteur", hernam ik. "Ik geef U aflevering drie, puzzelt het maar bij elkaar, vriend. Dit had eigenlijk deel twee van mijn gebraden eend moeten zijn. Maar omdat ik op 28 oktober braaf wat dikke plakken van het gejaagde wild had afgesneden en de boodschap niet goed was overgekomen, wat wil je ook met die kabeltjes, nam U deel een met stip, dat wil zeggen deel twee a, dat voor bis komt. En daarom heet dit deel drie.
De krantenman? Loeien deed-ie. Hij riep dat het kleutermishandeling was, wat ik met hem eens ben. Maar ik zette door en mepte het kind flink, en dat lucht op, en schreef ook nog deel twee b en deel drie bis a, en vier encore en vijf alfa, en gamma, omega, en zes tout cours. Dit enkel om u en mijn lezers te gerieven, en opdat deel twee eindelijk in uw krant komt. Kom op, dat is niet flauw als marktaanbod. Daar kan ik mezelf gerust wat ongevaarlijke concurrentie mee aandoen, net als al die andere monopolisten. Maar ik zal niet verder leuteren, en u de beloofde maaltijd niet verder onthouden. Ik zie het lege bord al beschuldigend op uw tafel naar mij staren. Belofte maakt schuld. En toen nam ik afscheid van mijn redacteur en mag U even een sanitaire noodstop maken, of zappen naar een andere pagina.
We moeten Potjanpieterdozie weer de kou in. Weet jij wat advocaat, we vragen Jan Pieter boeten uit te gaan delen aan al die grappenmakers die ons vertellen dat het goed zal komen met dit land. Neen, zeg ik, het zal vanzelf fout gaan. Fout, dat gaat niet zegt Jan Peter, want dan komen mijn voorspellingen niet uit, maar fout gaat het. Ja, zegt Jan Peter, gij zijt allen veel te pessimistisch. "En dat bleef maar door mijn hoofd malen op weg naar Amsterdam (ik houd van lange omwegen). Fout. Het ging onmiddellijk fout in Utrecht waar we op het Centraal Station bleven steken en met het arme, moede hoofd op een rugzakje de nacht doorbrachten samen met andere gestrande reizigers die, net als wij, goed konden huilen. Ja, wij zijn een treurend volk, Jan Piet Hein Hoezee, en daarom wil de economie niet aantrekken, Dat is het, Jan Peter. Neen, ook de computer van de Spoorwegen wilde geen rekening houden met uw wens, eerste onder zijns gelijken, Uw excellente voornemen strandde op herfstuitval. Wat denkt de Spoorwegen daarvan? Dat is een beschuldiging waar prins carnaval wijselijk geen antwoord op wilde geven. En dat hoeft ook niet, Jan, omdat de rails de schuld hebben, en de jongens en meisjes van de wissels die hebben het gedaan. Fijn toch, met al die geprivatiseerde onderdelen kun je altijd een onderdeel de schuld geven. Ja gij denkt prins der conducteurs, hertog van de machinisten: Zolang de trein met carnaval maar op tijd naar Oeteldonk rijdt over die rails zal het mij een troepje, pardon een grote zorg zijn. Neen, ik mag dat schrijven, gij waakzamen, en officiële arendsogen die op een proces zit te vlassen. Woelt dus verder, maar dan graag met uw handen door uw dunne, oude grijze dos; en meelezende agenten van de AIVD en advocaten van de gemeente zet uw bokkenpruiken maar op. Onze overige tegenstanders mogen, die meelezen, mogen tussen de koddige bedrijven door de laatste overgebleven haren uit het hoofd trekken - een hoofd dat voorwaar geen waterhoofd is. Kan ik het helpen, Jan Peter, dat Gij niet wordt geloofd omdat decomputer het heeft begeven, uw afspraken in het honderd lopen, en mijn stukjes met gebogen hoofd uit het zicht verdwijnen en verdwalen. Terwijl ze zouden gaan schreeuwen op de markt of om aandacht bedelen bij het station - zonder zelfkrant ditmaal. Maar laten we toch uit deze trein stappen en die kadetjes in de Bossche politiek gaan beboteren. Ja krantenman U heeft gelijk, U ziet een beertje broodjes smeren. Enfin, in Amsterdam aangekomen besloot ik afscheid te nemen en op jacht te gaan in Den Bosch.
"We keren terug naar Den Bosch, advocaat," zei ik. Ja vrienden en vriendinnen, ik stelde haar in de hoofdstad gekomen, voor om gelaarsd de oude Bossche vestinggracht in te gaan. Het liefst alleen, maar het mag ook met U allen, of met Sherlock, met Geert Grootjan, en met mijn advocaat en tante Agaath, en al die lezers die van klimmen en van regenweer, van slijk en plassen houden, kortom eenieder is welkom. Ik raad U overigens wel aan een waxcoat aan te trekken, zo een van de Boerenbond. Waarom vraagt U mij? We moeten in noordelijke dreven springen, vrienden en vriendinnen, nabij de Maas, op de Dieze en de Aa gaan varen. We moeten een beetje aan een tienkamp doen, gaan roeien, peddelen, stampen, spetteren en vloeken. Vloeken, ja, al wordt niemand daar wakker of beter van. Maar vooruit (en roep mij maar na drijvend op de Dieze): Poehanenkraaiesrijmelaar." Nog een keer - (met dank aan Jacob Campo W.): "Poehanenkraaiesrijmelaar"!
Dichter zijn, dat is verdorie hard werk. Kraai dat ook maar eens na voor uw opgewonden buren om vier uur s-nachts en ziet wat er gebeurt. Neen? Gaat dan gerust mee, lezers, hoe meer zielen hoe meer vreugd. Mijn advocaat onderstreepte voor de aftocht nog: "Je moet niet alleen gaan, Arnold, zeker niet nu er een verweerschrift inzit, en een boete of twee..."
"Je liegt het," sneed ik op, en lachte luid. Maar dat vond ze helemaal niet leuk en vervolgde, "ik wil wel even zien hoe je die schoten lost, vriendje, opdat ze je niet vanwege dit of dat je kledingstuk, je oude spijkerbroek uittrekken, want dat is een kledingstuk dat ik alleen mag uittrekken." Ik stond werkelijk paf. U ziet maar weer eens lezer hoe onvermurwbaar geleerde vrouwen kunnen zijn als het op mode aankomt. "En als het daarop uitloopt?", daagde ik haar verder uit, waarop tante Agaath mij een oorveeg gaf, wat jeugdige passanten op de Hekellaan en Zuidwal heel lollig vonden. Ze joelden, de vlerken. "Fijn schieten, kinderen", wenste tante Agaath ons na, terwijl we traag de Dieze oproeiden.""Je gaat niet mee?", vroeg ik. "Neen, dat doe je een oude dame, niet aan", antwoordde ze. Vooruit advocaat, we gaan eerst nog even langs Gert Grootjan om de drukproeven te bestuderen en de jaarwisseling te vieren. Mijn redacteur was met zijn archief bezig. In zijn handen lag een stapel kaartjes. "Je oudejaarspost?," vroeg ik nieuwsgierig. "Neen, hoor," antwoordde hij resoluut. "Zie hier: T van Therapeut, zie onder Gerard Rode Konen. En deze kaart hier is ook mooi: Paul, Variomatic, uitgevonden door mijnheer Pon. VariomaticPaul reed door het CDA heen, gleed Bosch Belang binnen, raasde over Oud belang heen, botste tegen Nestor aan, die hoewel lang en zwaar beladen met behangrollen toch omviel. Ook verjoeg hij tenslotte zijn bijrijders op die camion, Pieternel en Guus gingen naar de liberalen en dronken liever wijn in de gezellige Raadskelder." "Kunnen we die een kerstkaart sturen, advocaat?" "Neen," kriebelde ze achter mijn oor." "Y van Yvonne," las mijn redacteur onverstoorbaar verder. "Zie onder K van Krasloos, is inmiddels wel wat geschramd," grapte ik. Weet haar echtgenoot wat voor broodjes zij bruin kan pakken, en verkopen als ongesneden, Zweeds witte brood? Interessante verkoopstrategie. Maar laten we niet uitweiden over de kamer voor kopers en gevuld met handel, het is einde jaar. "Zullen we maar even met uw kaartjesgaan spelen?" stelde ik toen voor. "Kwartetten of zo, of willen jullie liever bridgen?" "Je moet met A beginnen," opperde mijn advocaat. Ik las: "A van Agaath, A van Antoine, en van A van Arnold." "Ik pas" zei mijn redacteur. "Verder," porde mijn pleiter. Ik las mijn troeven: "B. van Burgers, B als in enkelvoud, en B als in eerbiedwaardig. Tevens de B van stedelijk meervoudig, ik bedoel de b van burgers, en de s van stemvee; en dan is er hier nog de B van Brabants Dagblad, zie ook de kaart krantenman, en de fiche W van wist -ik- maar en waarheid en de W van wilgen die het zicht op de bomen benemen en ratjes in bootjes schaduw verlenen. "Het valt niet mee om met jou te kaarten, Arnold," spreidde de redacteur mijn hand op tafel. Ik kan hier wel een aardig kerkglas voor je van maken," pochte hij, "maar eenvoudig is het niet. Nog wat?" "Neen, en is dit niet genoeg? Er zijn aan dit ontwerp, aan dit kaartspel, heel wat dozen kleurpotlood te pas gekomen. Aan de lijnen moeten we daarom maar liever niets veranderen, glasmaker. We gaan de beeldjes slechts met uw hulp invullen, U moet wat kleurtjes in de vlakken gieten, en met glasscherven zoeken naar een soort van overkoepelende waarheid. We kunnen immers ook moeilijk onze toverfluit als verteller in uw krant opvoeren en een plaquette met zijn naam onder dit venster kleven. Of de velletjes publiceren. Dat overleven het venster en de vent niet, pardon onze kunstfluiter. Uit de velletjes mogen we ook niet letterlijk citeren want dat is schending van briefgeheim, dat is plagiaat en inbreuk of de auteurswet - zegt mijn vriendin de strafpleiter. U moet het dus maar met mijn kleurpotloden doen, en stapels scherven uit Bossche ruiten. En wat fabels en dieren, redacteur. En zulks geldt voor deel een, deel twee, deel twee bis alfa, deel drie beta, alsook gamma. En wat daarna nog wil komen, wil neer plenzen uit de Dieze, uit de Aa, op de Bossche straat, op de hoge hoeden of de holle hoofden, en uw van Bommel-schoenen wilt verpesten, dat moet dan maar ingekleurd wezen, versierd of ovrdreven. Terwijl het waarheid is.
Laten we nu dus de hete soep maar samen gaan uitlepelen, en een feestdis aanrichten; al zal het voor enigen onder U, mijn lezers, misschien smaken als een galgenmaal. Het wordt ook een dis, en dat beloof ik U, waarbij (figuurlijk natuurlijk) wel wat gesmeten zal worden, vooral met de waarheid en met goedkope leugens - al zullen die niet van mij komen. We kunnen natuurlijk ook snel over dit onderwerp heenscheren. Zomaar over de leugentjes om bestwil heengaan zoals dichters dat wel vaker doen. (Of is het leugentjes kwaadwil? - en doorhalen wat niet van toepassingen is) Vooruit dan maar. Aan de start, uwelieden en zet Uw klompen en laarzen in de blokken, en kiest een klomp lood opdat we u daarmee, na de finish, in een raam kunnen vereeuwigen. Net als die man van de krant die heel zuinig is en niet liegt. Nooit. Hij vertelt altijd de waarheid. Altijd, want hij is heel humaan, en een rots in de progressieve branding. Voor de armste schipbreukelingen in het bestaan wil hij graag een tentje opzetten. Daar kopen al die armzalige stakkers natuurlijk geen sikkepit voor, want onder fijngeknede woorden kun je niet schuilen wanneer het pijpenstelen regent, of buiten bar vriest, maar het klinkt zo links en lekker humaan. En het klinkt ook progressief. Jij gaat dus met een prinsje of prinsesje de elfstedentocht rijden in je krant terwijl de armen ondertussen bij bosjes van de kou omvallen. Heel gezellig, en dan stel je erwtensoep voor als noodgerecht. Neen, beter, je opent met het geld van je lezers, een tentje voor koek en zopie. Zo bezopen zijn wij niet als leraar maatschappijleer, lezers, maar het is wel een actie waard. Met Maartje van Wegtotwegen als koninklijk moderator natuurlijk. Want warme woorden bieden royaal troost, maar geen wezenlijk comfort. En dat weten prinsen, koningen, predikanten, pastores, rabbijnen, raadsleden, leenheren, wethouders en imams heel goed. Leest U uw Rousseau of Voltaire er maar eens op na. Koek en Zopie voor jou, vaarder, vriend en vriendin, WIA'er, uitkeringsgerechtigde en armoelijder? Waar aren we ook al weer gebleven? Bij het alphabet en het ramen maken. We waren gebleven bij C van Capital Investments. Daarna komt de D van Donatus en hij Doet het altijd goed; zie ook de B van Biljartprijs; gevolgd door de D van Dieze, de D van don en van Dona, zie leggertje geschenken, leggertje bouwprijzen en loodgieter, en onbetrouwbare Grieken. Het is een heel dossier, redacteur dat echter verjaard is. Waarna de E van Eric komt, van Eric van Janse tot Jongeman, die zich afgevaardigde mag noemen, deftig op zijn Frans. En dan komt de G van Gerard en van glaasje water, ingestraald met nietszeggende beloften; zie ook Tilburg Riagg, en CDA statenfractie. Zie verder kaartjes Bierens en van Streppel die niet wilden spioneren voor de Limburger. Nu komt de H van Hash, en de H van Handel, heel belangrijk; zie ook steekpenningen die rollen, en T van toetje, en D van dessert. Zie ook H van hamsters, R van ratten en M van muizen. Voedzaam toch al die steekpenningen. Er drijven wat knaagdieren in de Dieze onder de stad. 'Ssst,' gebood mijn advocaat. 'Dadelijk verschrik je ze.' Wat een kek mens, hè en ze draagt geen hoofddoekje mijnheer van de krant, neen dat wil ze niet, maar ze is voor de bonte hond niet bang, en vecht met ratten en gaat graag op de vuist met wie het wil, voor de rechtbank tenminste. Nu komen we bij een droevig hoofdstuk, de H van Hans. Nu ja, Hans is een kaart die we weg kunnen doen, redacteur. De H van Hans dat is zielig, een afgebroken wielerfestijn. Jullie wilt niet even over Hans praten? En over wielrijden omdat jullie geen sportman bent? Die man was altijd aardig tegen onze toverfluit die nu medelijden met Hans heeft. Ja, arme Hans, eerst rijdt je werkelijk jezelf uit het naadje, je scheurt je zeemleren broek om die Tourkaravaan naar de stad te halen, je klimt als een ware meesterknecht op ieder zadel, ook al ben je geen gymnastiekleraar als Hansje Domela Bentley; en dan? En dan? Dan lazer je als aangeschoten wild, als bedreigde soort, als een rijpe kokosnoot uit de hoge Bossche Palmen. En dat alleen aar omdat die kwajongen, die aap van je, die liefhebbende zoon van je, zo'n bijzonder stokpaard heeft dat even te luid hinnikt als jij even met je rijwiel een dorpje verder over de kasseien koerst. Maar je weet het Hans, wanneer Eddy Merckx, Hinault en Lance Armstrong van huis zijn, dan dansen de knechten en doen allerlei straffe dingen die het daglicht niet kunnen velen. Dan kun je maar beter gekleurde glaasjes in sponningen zetten, zoals mijn redacteur, dat is ongevaarlijk. En je maakt er ook niet zo'n maatschappelijk buiteling mee. Geen salto mortale dus. 'Hee, onderbrak mijn advocaat, 'je mengelt niet alleen spreekwoord weer eens door elkaar, je maakt er een potje van in dat circus van je.' 'Je hebt gelijk, lief', zei ik in een toegeeflijke bui. 'Arme ambtenaar,' stelden we met zijn allen vast. 'En van Aartsen was als Zorro te laat verschenen,' riep de typiste van mijn advocaat. 'Te laat?', vroeg mijn advocaat. Ja, de fractieleider was te laat,' zei het wicht. Wonderlijk, want Tante Agaath kende deze Don Diego toch uit vroeger tijden, toen hij een kort broekje en een houten sabel droeg, en een voorlijk kind was waar niets kwaads op aan te merken viel. Van Aartsen wilde nu de wiet gaan legaliseren, al is tante Agaath het daar als meervermogende volstrekt mee oneens. Hansje was, na dit koene voorstel, echter al over d'Alpe de Huez heengefietst, de rode, ondergaande zon tegemoet. Lonesome fiets-, ik bedoel eenzame Bossche cowboy met een hoge bloeddruk (noot voor intertekstuelen: zie uw overladen stripkast en kijk uit naar Lucky Luke die heel ongelukkig mag zijn in ons verhaal, een Unlucky Luke of Hans). De moraal van dit intermezzo: Stokpaarden, ja, dat lijkt even leuk, maar daar kunt U geen kwaliteitscircus mee op pad sturen, mijnheer! Apen, dat gaat nog wel, maar stokpaarden, neen dat gaat niet. En eieren die half- of zachtgekookt zijn, en andere merkwaardige broedsels, bah, wat is dat nu voor een staatscircus, wat is dat voor een malle dierentuin, en daar wilt U uw gasten voor uitnodigen? Dat is heel dom, edeachtbare, dat is een parkeergarage waar U geen auto in kunt wegzetten. En toen, toen kwam er een olifant en blies dit hoofdstuk uit. En ik vleide mijn peddel in de boot en dronk een kopje thee. Ja, wacht U maar even, lezers. Het is de schuld van het verloren deel drie bis a. Voor eeuwig is dit aanhangsel, deze bijlage van groter vernuft en huilen, gieren brullen verloren gegaan. Ja, pepert U dat uzelf maar in. Zodadelijk roeien we wel verder. Ik moet even op adem komen.
H van Hans dus. 'Laat dat een les voor je zijn,' richtte mijn pleiter zich tot mij. 'Zo word je als meesterknecht geëerd en vervolgens als handlanger van een volkstuinier tot moesgeslagen.' 'Je wilt wat zeggen?' vroeg ik. 'Natuurlijk, heb je gelijk lief; eerst heb je braaf de lekke bandjes van Don geplakt, en wat naafjes van Batavussen gesmeerd, en dan gaat het fout. Terwijl alles koek en ei was, zelfs Van Heiningen leek even van het peloton los te komen, als renner schoot ie naar voren. Scharnieren die man. Ze gingen trouwens allemaal in een hogere versnelling, Joke reed zelfs voor de karavaan uit in een open rode sportwagen, wat niet meevalt als socialist. Van Heiningen betreurde zijn geestdrift achteraf, dat moest ook wel als je een serieus man bent en je betogen in deftige houten lijsten plakt. En toen, toen ging het feest toch stuk, toen reed Hans pardoes in een roestige spijker. En zijn band piepte naargeestig leeg.' 'Piepen,' dichtte ik spontaan, 'piepende wielen. Ze roepen. Roepen ze? Neen, ze kermen, en ze kraaien. Ratten in de riolen, muizen in kuilen; diep, de maan schijnt op losse veters; zemen in Bossche Bos, stuurloos donker.' Dit is een haikoe, meldde ik trots. Of zoiets. Ik zit niet helemaal goed met het aantal lettergrepen, lief meisje. 'Roei toch eens verder Arnold,' riep mijn advocate, 'en zever niet. Blijf niet bij ieder koetje hangen om wat woordjes te melken, vooruit peddelen man.' Mijn lief zat me die nacht werkelijk op de hielen terwijl ik met haar van de maan wilde genieten en van haar kussen. Maar dat stellen we maar even uit, omdat we nu aankomen bij statie J van Ja en de J van Jan. De J van Jan Peter en van Aart, excellente heren waar we ditmaal niet over gaan uitweiden, want daar wordt onze redacteur overspannen van. Stukjes, zegt hij, mogen, maar romans niet, al doe ik aardig mijn best. J van Jan dus, zie ook kaart Marijnissen. Jan Marijnissen, hoera, allemaal klappen voor dit lid van het centraal comité, die zijn familie graag in het betaalde karrenspoor van de partij meetrekt. J va jan dus wist van D. Donatus en J van Johnnie. Ja, ontken het maar niet J van Jan, we hebben een afschrift van uw brief waarin ge los over de oude koek van Donatus rept. Hoe smaakte die oude peperkoek, Jan met de schijn van zeer rechtvaardige, van heilige, van Jan met een aura van sociale gerechtigheid rondom het kalend moede hoofd -of is het een muts, een kartonnen decorstuk? Maar goed, de J van Jan dus en dat brengt ons bij de J van Johnnie; zie ook M van Mengelmoes, S van Steekpenningen, K van kok en L van leugentjes om bestwil. Maar dit is geen kaart, riep mijn redacteur, dit is een stok... Laten we op de stoep bij het stadhuis gaan slaan, en een restaurantje eisen, of anders een bakkerijtje. Neen, wacht even, zei ik, 'Johnnie kwam plots Donnie tegen, arme vent. Ja, we komen we wat armen in dit verhaal tegen, redacteur. Dat geeft wat licht aan het kerstfeest, waarde Gert Grootejan. Lezers, ga dus nu maar als arm kind fijn met uw zwavelstokjes spelen. Al wil ik U vragen de boel niet al ras in de fik te steken, want dan lopen de zaken weer met een sisser af. En van Sissers weet Johnnie inmiddels alles na dat gepruts met envelopjes en dat mengelen van moesjes. D van Donatus wilde J van Johnnie alles geven, koppie krauw, een leeg bordje, een prullenbak, maar geen deftig handje, en ook geen zijden handschoen. Daar sta je dan als eerzaam kok op een allervoornaamst eetfeestje voor Bourgondiërs. Je wordt er even afgeserveerd, gewassen en afgedroogd als was je een kwispedoor (bak vol spuug). Johnnie schrok zich een hoedje, viel te pletter voor de andere gasten. Wat een afgang voor een alchimist. Hoe durfde je rekel, Donnie. En jij Johnnie had hem nog wel een toetje met enveloppe gegeven, niet waar.. Moest hij daar nu wel of niet dankbaar voor wezen? Niet, vond D van Donatus dus. Warempel, dacht Johnnie, H van Horrelvoet wel vleien, beste burgerman, gebakjes gaan eten in de Keyzer, en mij, Johnnie een hardwerkende kok, die notabene een katholiek hart heeft, al zwemt hij in de Dieze, over het gewone hoofd heenstaren. Da is on-net van je, D van Donatus. Neen, dat kan niet.' Dat dacht de Vogel in de Bossche wilgen. 'Donatus, is 't waar, deed je dat? Neen, zoiets doe je niet ongestraft met de J van Johnnie. Even fladderde onze struisvogel en kraaide kwaad. 'Maar ho', onderbrak mijn advocaat met haar hand op de trekker, 'ik kan Donatus als nette huisvrouw wel begrijpen. Bedenk toch eens, liefste man, misschien had John die avond na het koken van een voedzame maar lichte maaltijd zijn handen niet proper gewassen.' Je bedoelt, vroeg ik verbaasd dat hij onzindelijk was? Roken zijn tengeltjes misschien naar een goulashkroket? Of dampten ze vanwege allochtone kruiden, of verspreiden ze de penetrante geur van ansjovis, die ik niet zien of luchten kan, pleiter? Je meent dat Donatus die wel van Dona houdt, maar niet van rare spruiten en van geschenken, dat hij gedacht heeft: daar maak ik mijn eerbiedwaardige handen niet vuil aan, na het sluiten van de Keyzer..? Je zult gelijkhebben,' gaf ik toe. 'Het moest, om op te vallen in de krant, minstens een koning, een prins of prinses zijn. Geschenken die geven immers groot ongenoegen, dat weten wij, vrienden, tenminste als we van D naar de andere letters even verderglijden en uitkomen bij de K van het kwartet van Don die hij voor een feestje in het Autotron zou verkopen, beloofde hij Frank. Maar dansfeesten, beweerde de oude goedhartige bisschop ondertussen, ondermijnen wel de zedelijkheid. En Don zei ja, hoogeerwaarde monseigneur, en neen, en toch, warempel en wiebelde, en was ten halve gekeerd, en ook niet ten hele gedwaald. En trouwde O. Nono-nonsens met Adelbert Unterderlinden. Want habemus dignitatem, en er kwam tenslotte ook een roddelblaadje kijken en enkele soapsterren opdagen die Uw gebleekte haardos een glansbeurt zouden kunnen geven. Amen, mijn zoon, antwoordde de milde herder, ik herken uw politieke slagerecht. Hebben we toch nog iets gesauteerd, of is het gesauveerd? vroeg tante Agaath. Nou ja, zei ze, als Ed en zijn paard maar de dans zijn ontsprongen. Pax vobiscum. 'Mihi ignis,' vlekte ik. 'Ai, hij vervalt weer tot latijn,' sprong mijn advocaat uit haar roeistoel omhoog, en slaakte zo'n schrille kreet dat mgr. Bluyssen in het klooster aan de Sint Janssingel wakkerschrok. 'Is er wat," vroeg ik verlegen geworden met de herrie en de bisschop zijn hoofd schudde. 'Je maakt de arme Bosschenaren wakker, meisje, verdorie.' 'Neen,' wreef ze over haar schoonste dijbeen, 'het is tante Agaath die me met haar hengel steekt. Ik keek omhoog en zag Tante Agaath over de brugreling hangen, en een stevig bamboerotje hanteren, vliegen meppen, wat onzinnig is. 'Ze zeggen, dat ik 85-jaar oud ben..' 'En dat is waar,' bevestigde ik. 'Maar ik ben geen oude van dagen, jongen, ik ben geen suffende bejaarde, en ook niet dom.' En tante Agaath ranselde mijn hoofd met haar rottinkje. Ze voer uit, over mijn laakbaar gedrag, tikte op mijn handen, en zei dat ik de casino's en de feesten maar moest laten, waar ze ook waren.' In Rosmalen protesteerde ik. 'En over ongeklede vrouwen moest je helemaal het zwijgen toedoen, jongen,' beet mij tante. 'Bah.Mannen die niet deugen willen, dat gaat nog, maar met ongeklede vrouwen dat wordt een wrede orgie.' 'Het maakt niet uit tante,' haastte ik, 'het gaat hier niet om modische streken, maar om boeven'. 'Boeven of geen boeven, sprak tante Agaath, 'het doet er niet toe, hoor je, naakt is bloot, en heel onbedekt.' En ze noemde me een mendicant. Ik vroeg wat ze daar nu mee bedoelde. 'Ben ik een boeteprediker of een leugenaar.' 'Allebei,' antwoordde ze vinnig. 'Je dwaalt weer af,' corrigeerde mijn advocaat. 'We hebben het over Johnnie. Arnold,' en duwde het schommelende bootje de Dommel verder op. 'Let op', waarschuwde ik, 'dadelijk verdwalen we'. We moeten op deze singelgracht ook nog even bij J van Johnnie blijven hangen, zie V van Vogel en de S van socialistische volière, en de F van Franciscaner klooster. John de Vogel dus, hij fladdert niet meer. Is zijn restaurantje zelfs kwijtgeraakt omdat, zegt men, hij problemen had met tellen en met klokkijken. Arme ziel.' 'Misschien wilde hij anere gerechten koken,' opperde mijn advocaat. 'Je hebt gelijk, schat,' zei ik. 'Maar die zullen lang niet zo spannend zijn.'
Laat dat een les zijn Donatus die Latijn spreekt, en deze reeks aandachtig meeleest. Donatus, weet dat gij beter een hand kunt ontvangen, dan bruut een rekening voorgeschoteld krijgen vanwege een merkwaardig envelopje waarover justitie, en uw vrienden bij de rijksrecherche u herhaaldelijk lastig komen vallen. Ja, kaarten kunnen heel geduldig en kostbaar zijn, amice. Net als het leggen van loden pijpjes en de jeuk van J die de B van bouwers treft. Zeker als mijnheer H van Horrelvoet zijn criminele steunzool op Uw Rosmalense bureau stukslaat, of met de rauwe nagels in zijn orthopedische klompschoen, vanwege enige speelautomaatjes, het glimmende parket in Rosmalen wilt bederven, en uw smetteloze reputatie als agent aantasten. Maar wees gerust, amice, de man van de krant was, als een echte slaapwandelaar, niet geïnteresseerd in uw kaartjes en pijpjes, en feesten, en reisjes en al die geneugten die men hier Bourgondisch heeft gedoopt om het fijn met elkaar te hebben. Neen, Gij waart niet zielig, Donatus, en ge stootte ook wel eens biljartbal. En maakte zonder keu buitenlandse reisjes naar Tirol en omstreken. Ook waart ge een aardige Oeteldonkse feestneus. En bovendien een man waar geen ledemaat verkeerd aan is vastgedraaid. Nou ja, na al die wilde verhalen in ons krantje, lijkt de wereld wel enigszins verdraaid, kerel. Of niet soms? Ik voel met U mee, vent. Maar neem van mij maar aan, amice: schudt iedere hand die U voor uw snufferd hangt, iedere poot die vuil voor uwe edele borst beeft, of daar slijmerig druipt. Kijk eens Donatus, mijn waarde, daarom schudden wij iedere dag elke hand, of die nu schoon is, of ongeboend, of dat hij vies uit de aarde is getrokken, of uit het ongewassen aanrecht van een studentenwoning komt, hij mag van ons ook in een ouderwetse gaarkeuken werken. We schudden die hand. Wij zijn niet bang voor wat oude gerechten, voor water, inkt, bladeren, vies, poep en bah. Dat moet ook wel als je uit jagen gaat op groot wild en moet kamperen langs de Dieze (helaas kan ik daar de tentjes van onze krantnman niet voor gebruiken). Sommige lieden hebben, ik weet het, een teer gemoed en gaan bij het eerste onraad, en bij de eerste vuile veeg op hun witte damasten broek, of stijve korset, er onmiddellijk vandoor. Ze poetsen de plaat, wat gij allen, D van Das, P van Pad en E van Ezel onmiddellijk deed toen poep aan de knikker kwam. U rolde uw gouden staartje veilig tussen de allervoornaamste dierenbenen, en haastte u er vandoor. Enzo. Laat ik nu mijn troef uitspelen, glazenier. Hier zijn de kaarten M van Masselink; zie ook kaart vuilnis opruimen, M van Masseren, F van Frans en S van stenen. En ook nog P van Pad, en W van Wilgen en B van Burgers en A van Antoine, B van Bosch en G is geen Antoinetje. Is me dat geen volhuis. Full House, redacteur, Paultje wint in 2006.
Paultje is milieu-adviseur, en weet alles van schone zaken en vuile handen. Daar doet hij niet geheim over, al wist hij goed te verzwijgen dat hij, Paultje van de stadspartij, en Wind door Bossche wilgen, in 1994 als eerste met het verhaaltje van steekpenningen op de proppen kwam. Het was zijn primeur, zei hij, en een scoop waarmee hij Johnnie overtroefde. Paultje meende dat het niet pluis was op het stadhuis. (Dat onthulde ons de toverfluit die ons de velletjes liet lezen, en van Ronnie en Johnnie had gehoord dat Paultje met justitie had gesproken. Paultje ja, vertederend als ratje in de Wind uit Bossche Wilgen, sprak met oom Piet van Justitie. En omdat hij een ventje is dat graag in een bootje stapt om Pad te beschermen, vertelde hij dat Pad, namen noemen we niet, wat rare luchtjes in het stadskantoor had opgesnoven en ook wezels zag rondlopen. Mijn toverfluit riep, 'da's plagiaat, dat verhaal ken ik.' 'Dat komt ervan,' zei ik, 'als meerdere koks op het stadhuis gaan rondlopen. Toverfluit, vent', leidde ik hem af, 'ik peins er inmiddels over een heus orkest te gaan formeren. We zullen die club de stadskwakers gaan dopen. Of anders de st.jansklokken; habemus herrie, zeg ik maar. Sint Jansklokken naar het overleden bisdomblad dus, vent, fluiter. Maar dat zal de bisschop wel niet dulden, vrezen we, en Donatus tegen het zere vice-voorzittersbeen zijn. Paultje sloeg zijn staart zogezegd om het been van Donatus en haalde wat velletjes over stenen en Gali te voorschijn. En wist toen van niets meer en liet het kind als plastic eendje in een oventje stukkoken. Zodat het kind tenslotte halfdood omviel. Met dank aan de milieuschepper, de politieke pocher van het eerste uur, en man van de laatste belofte. Maar laten we nu niet teveel keet met een blaasorkestje gaan schoppen. Laten we het houden bij die ene solist die we rare vogel doopten. 'Pas op,' zei mijn advocaat, 'pas op.' 'Je hebt gelijk, pleitertje,' antwoordde ik braaf, 'we kunnen nog altijd gaan trouwen en een restaurantje stichten. Al noemen we dat, ik beloof hethierbij plechtig, geen mengelmoes.
En nu we dan toch over stoven praten,lief, en over kolen op een heet fornuis, die Paultje van de Bossche Wilgen die eigenlijk Masselink heet, die zag eieren hang als steekpenningen groot en vertelde het aan Miriam en aan Eugène en Frank. En die wilden graag het gescheurde naadje van de gewebde netkous weten, olala. Webkousen en ladders, dat is ondeugdzaam, zeiden ze. Ze wilden dus alles ervan weten en vroegen een kwastende kunstenaar en publicist dat maar eens voor hun omroepje uit te zoeken. Het stadsbestuur bleek niet onkundig, Frankie van der Biezen adviseerde namelijk Paul Vanderklappen op zijn lange mars naar Den Haag. Het stadsbestuur was dus braaf geïnformeerd. En Paul Vanderklappen wilde ook niet met gescheurde nylons rondlopen, zei hij, dat bedierf zijn reputatie. Dat maakte een heel onzedige indruk. Tante Agaath viel Paultje Vanderklappen bij, die jongen is een baken van moraliteit in het Bossche Moeras, niet? En toen kwamen de vrienden van het verzwegen woord en penseelden dus snel wat rode nagellak over het weefsel, en zeiden dat alles okay was (zei ik het al niet: Arti Magistri Natura). Het ging daarna weer snel goed met Brabant, waar men Bourgondisch vredig voortleefde en de knaagdieren zalig in de Dieze ronddreven. Ja, Habemus rodent. Amen. Zo liep deze fabel met een sisser af. Iedereen was tevreden. En niemand mocht aan dit gelukkige einde wat verbeteren, of durfde dit sprookje te betwijfelen. Foei, dat deed men niet. Neen, knaagden ze in koor, ge moogt geen ongelovige zijn. Wie twijfelt, die wordt gevierendeeld, die wordt het hoofd afgehakt, verpletterd en vermalen. Hoe durft ge zoiets te doen, riepen de beesten van het Bossche circus eendrachtig in koor, toen de mist van twijfels in de Bossche Dieze kwam opzetten.. Ratje in het bootje op de Bossche baren redde de zaak; onder de Bossche Wilgen varend, riep hij verontschuldigend: 'maar, ik weet van niets. Ik wist het niet, en padje ook niet, en de wezels weten nog minder, ik heb alles maar ter kennisneming aangenomen.' En Louis de Ooievaar die hee wijs was, een Nestor onder zijns gelijken, die klepperde: "Ik ben geen detektief geweest.' En Paultje roeide hard weg, en zei dat het allemaal gelogen was. Ja, Petrus ook Gij? Of was het Judas? Of verwissel ik u met Brutus, en nog wat antieke helden... 'Wat niet waar is', antwoordde Paultje, die loog als dat hij muisgrijs zag. Paultje liet daarna zijn pootje zielig in het vuile water van de Dieze hangen, en commandeerde RestauratieFrans op de droge oever aan te koersen, en beloofde terug te zullen komen als ze het allemaal echt vergeten waren. Nu komt hij dus terug. Hoera, nu is de wereld weer schoon, zonder poep en zonder broze korsten. De Keyzer is echt dood, en leve de Koning, en owee diegenen die precies optekenen wat men zoal zegt en beweert - wat natuurlijk allemaal gelogen is. Gelogen en niet waar, en mijn toverfluit weet hoe dat werkt wanneer je ambtenaar bent en een flexibele werkplek hebt. En zo voer ratje, meesmuilend, over de Dieze, voortgestuwd door de Wind in Bossche Wilgen, en ging met zijn vriendjes Coen en Frans andere avonturen tegemoet.
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 409, 16 december 2005