De eeuwige antisemiet
deel 2
In het vorige Kleintje reageerde Lia van der Heijden op mijn in Kleintje Muurkrant nummer 369 verschenen artikel "De eeuwige antisemiet". Bovendien heeft ze de redactie van Kleintje Muurkrant opgeroepen mijn artikelen over het zionisme niet langer te plaatsen.
door Peter Edel
Dit heeft Lia gedaan omdat links Nederland, "inclusief links joods Nederland", naar haar mening lang voor mijn artikelen al een standpunt heeft gevormd over de gevolgen van het zionisme. En dat standpunt zou ook nog eens "over het geheel genomen" overeenkomen met mijn opvattingen. Daarom vindt ze dat mijn artikelen niets toevoegen.
Waar baseert Lia zich op, vraag ik me af. Toen ik midden jaren negentig begon te schrijven, was het zionisme een vrijwel onbesproken onderwerp binnen links Nederland. Ik heb daar destijds nog wel eens een onderzoekje naar gedaan bij linkse partijen. Toen ik bij de SP en GroenLinks informeerde over het Israëlisch-Palestijns conflict, kreeg ik te horen dat dit geen politiek item was. Laat staan dat men een standpunt over de gevolgen van het zionisme innam dat overeenkwam met mijn inzichten. Dan de linkse joden; ik weet niet wie Lia precies bedoelt, maar de enige organisatie die ik in dit verband kan noemen, is de 'Stichting Steuncomité Israëlische Vredesgroepen en Mensenrechtenorganisaties' (SIVMO). Misschien moet Lia eens vragen of het SIVMO in het verleden standpunten heeft gevormd over de gevolgen van het zionisme die overeenkomen met mijn opvattingen. Men zal daar hard lachen.
Lia wil graag een discussie in het Kleintje over antisemitisme. Aangezien ze tegelijk aandringt op het einde van mijn artikelen in dit tijdschrift, neem ik aan dat het zionisme daarbij geen thema mag zijn. Een vreemd voorstel, ook al door de merkwaardige passage: "Niet omdat ik denk dat antisemitisme op dit moment een groot maatschappelijk probleem is ..." Aanvankelijk begreep ik dat antisemitisme geen "groot maatschappelijk probleem" is voor Lia. Maar aangezien dat nogal tegenstrijdig is met de rest van haar betoog, houd ik het er voorlopig maar op dat het allemaal wat anders op papier is komen te staan dan ze heeft bedoeld. Omgekeerd schrijft Lia niet te begrijpen hoe ik over antisemitisme denk. Ook vreemd, want daar lijkt me na al alles wat ik over dit onderwerp heb geschreven toch weinig onduidelijkheid meer over. Lia is het niet me eens, maar dat is een ander verhaal.
Lia doet alsof ze het wiel heeft uitgevonden met haar discussie over antisemitisme, maar zoiets is er al lang. Niet alleen in de linkse pers, maar ook in de reguliere media is het laatste jaar heel wat gediscussieerd over dit thema. Bovendien gaat een discussie over het zionisme doorgaans ook voor een belangrijk deel over antisemitisme. Dat is van welke kant je het ook bekijkt logisch. Het moderne zionisme is van huis uit een reactie op antisemitisme, terwijl het zionisme in de huidige situatie de belangrijkste bron van antisemitisme is. Een discussie over antisemitisme waarbij het niet over zionisme mag gaan, is daarom onmogelijk.
Toch is Lia niet de enige met een dergelijke discussie op het verlanglijstje. Ook het CIDI en rabbijn Evers willen het zionisme graag buiten schot houden als het over antisemitisme gaat. Daarnaast heeft een stel anticommunisten (van het soort dat in de jaren dertig en veertig de kruistocht van het nationaal-socialisme tegen links mogelijk maakte - en daarmee de holocaust), zich hiertoe uitgesproken. Ik begrijp goed waar men op uit is, want zolang de discussie over antisemitische angstbeelden gaat, ontstaat er vanzelf minder aandacht voor de misdaden van het zionisme. Dat bleek met de affaire Gretta Duisenberg. Door de zionistische hetze stonden de kranten toen vol over antisemitisme in Europa, terwijl de aandacht voor de situatie in het Midden-Oosten terugliep. Een eenzijdige discussie over antisemitisme is daarmee al snel een manoeuvre die de aandacht afleidt van de werkelijke problematiek: de gijzeling van twee volken door een raciale ideologie uit de 19e eeuw.
Lia hoopt dat ik deel zal nemen aan haar discussie over antisemitisme. Maar als daarbij alleen op een ideologische en a-historische wijze van gedachten mag worden gewisseld, dan bedank ik. Anders ligt het wanneer het om een discussie op geschiedkundige basis gaat. Zo lijkt het me interessant om de vraag centraal te stellen hoe het komt dat er pas een anti-joodse opstelling onder Arabieren is ontstaan na de komst van de zionisten in het Midden-Oosten. Eerder konden joden en moslims in vrede met elkaar samenleven. Dat is een belangrijk gegeven, want natuurlijk is het de bedoeling dat beide volkeren in de toekomst wederom naast elkaar kunnen bestaan zonder dat het tot haat of bloedvergieten komt. Een discussie met het uitgangspunt dat één bevolkingsgroep per definitie slecht is, terwijl de andere boven iedere twijfel verheven is, kan daar nooit toe leiden. Zoiets werkt alleen maar meer haat en separatisme in de hand.
Zionisten of joden?
Lia vindt dat ik niet voldoende onderscheid maak tussen zionisten en joden. Ze moet dit verwijt niet aan mij richten, maar aan de zionisten die de traditie van het jodendom voor hun karretje hebben gespannen. Voor degenen die niet inzien dat het zionisme een karikatuur van het jodendom heeft gemaakt, kan het verschil tussen joden en zionisten daardoor behoorlijk vaag zijn. Bovendien zijn zionisten in veel gevallen natuurlijk wel joden. In mijn artikelen probeer ik zo min mogelijk ruimte voor twijfel open te laten, maar het is niet mijn schuld dat beide gebieden elkaar sterk overlappen (1).
Lia noemt geen concreet voorbeeld, in de vorm van een passage waar ik aan het onderscheid tussen joden en zionisten voorbij ben gegaan. Dat is typerend voor haar kritiek, waar bewijsvoering een schaars goed is. Lia meet met twee maten. Terwijl ze mij verwijt analyses niet voldoende te onderbouwen, voert ze zelf nauwelijks een bewijsvoering. Dat is vooral opmerkelijk omdat haar beweringen vaak in strijd zijn met de consensus onder historici. Ze noemt welgeteld één bron (waarover later meer). Dat zou op zich geen ramp zijn als het een relevante bron was, maar dat is het niet. Verder moet de lezer Lia maar op haar woord geloven.
Lia permitteert zich nogal het één en ander. Ze meent zelfs een oordeel over Daniel Goldhagen's "Hitler's gewillige beulen" te kunnen geven zonder het boek te hebben gelezen! Met deze overmoedige en gemakzuchtige opstelling wekt ze de indruk dat het mogelijk is mijn artikelen onderuit te halen zonder veel kennis van zaken. Maar zo eenvoudig ligt dat allemaal niet. Lia zou een voorbeeld moeten nemen aan Peter Zegers, die mijn artikelen verleden jaar bekritiseerde in het Kleintje. Recentelijk is hij een beetje door zijn argumenten heen en valt hij nogal in herhalingen, zoals op de internet-discussiepagina's van "Indymedia" (www.indymedia.nl). Maar toen hij in het Kleintje tegen mij van leer trok, deed hij in tegenstelling tot Lia wel degelijk zijn huiswerk.
Ondanks het zionistische karakter van haar opvattingen, noem ik Lia geen zionist. De wijze waarop ze tot haar argumenten komt in aanmerking genomen lijkt het me eerder om naïviteit te gaan. Zo te zien heb ik onrust veroorzaakt in haar wereldbeeld waar daders en slachtoffers netjes van elkaar gescheiden zijn. Dat deze visie in strijd is met de geschiedschrijving en zelfs bijdraagt tot onderdrukking, doet er niet toe. Belangrijker voor Lia is dat zij er aan de hand van een ideologisch georiënteerde geschiedschrijving wel in slaagt de wereld te begrijpen. Als het Kleintje ingaat op haar suggestie mijn artikelen niet langer te publiceren, dan kan Lia weer rustig slapen. We zullen zien of het zo ver komt. Voorlopig blijf ik van mening dat er alle reden is om het zionisme te bekritiseren. Zeker in de huidige situatie, waar de door het zionisme gecreëerde haat tussen moslims en joden bijna dagelijks tot slachtoffers leidt.
Fassbinder
De door Lia gesuggereerde discussieonderwerpen verbazen me. Terwijl ze mij verwijt niets toe te voegen, wil ze oude koeien uit de sloot halen, zoals het toneelstuk "Het vuil, de stad en de dood" van Rainer Werner Fassbinder. Dat het stuk momenteel weer wordt opgevoerd, verandert niets aan het feit dat deze kwestie talloze malen in de reguliere pers is behandeld, waarbij een groot aantal meningen naar voren is gekomen. Denkt Lia met een herhaling van deze discussie wel iets toe te voegen?
Met de affaire Fassbinder moet ik direct denken aan de door zionisten veroorzaakte psychose in dit land toen de opvoering van "Het vuil, de stad en de dood" eind jaren tachtig voor het eerst ter sprake kwam. In die waanzin kon het gebeuren dat de geflipte acteur Jules Croiset dreigbrieven naar zijn vrienden stuurde en zijn eigen ontvoering ensceneerde. En dat allemaal onder het motto: als er geen antisemitisme is dan zorgen we daar zelf wel voor. Met deze rampzalige manoeuvre richtte de man in een paar dagen meer kwaad aan dan Fassbinder ooit met zijn toneelstuk voor elkaar had kunnen krijgen - als hij dat al van plan was. Vraag maar aan Freek de Jonge, zijn gezin kan er over meepraten. Als Lia het daar nog eens over wil hebben vind ik het best, al vraag ik me af of ze dat zelf wel wil.
Over de roman van Martin Walser hebben de kranten eveneens vol gestaan. En ook nu weer vraag ik me af wat een discussie in het Kleintje daaraan toe kan voegen. De waarde van 't Kleintje schuilt voor mij juist in de traditie om onderwerpen en meningen naar voren te brengen die niet in alle kranten staan.
Kritiek ervaar ik doorgaans als een stimulans en dat is ook nu weer zo. Als Lia schrijft dat er "behoorlijk wat aan te merken" valt op de onderbouwing van mijn analyses, ben ik zo vrij dit te interpreteren als een verzoek om nadere informatie. Daar wil ik graag op ingaan. Het vervolg van dit deel bestaat daarom uit een toelichting op het historische antisemitisme. Voor het volgende Kleintje een deel over het proces tegen Adolf Eichmann en de kwestie Goldhagen.
Maarten Prak
In "de eeuwige antisemiet" legde ik uit waarom zionisten het antisemitisme als een rechte lijn door de geschiedenis weergeven. Verder verzette ik mij tegen het zionistische dogma dat antisemitisme altijd en uitsluitend voortvloeit uit het kwaadaardige karakter van niet-joden en niet veroorzaakt kan zijn door sociaal economische factoren. Dat is in strijd met de geschiedschrijving over de Middeleeuwen, waar extreme excessen van antisemitisme vooral plaatsvinden na verschuivingen in de economische structuur. Lia trekt dit in twijfel. Zij meent dat er wel degelijk sprake was van een rechte lijn, of een constante factor, in het historische antisemitisme. En die heeft voor haar niets te maken met maatschappelijke interactie, maar alles met niet-joodse jaloezie. Kortom: voor Lia is de eeuwige antisemiet realiteit.
Voor Lia bestaat de constante factor in het historische antisemitisme uit het verbod voor joden om bepaalde beroepen uit te oefenen. Dat is naar haar mening in tal van historische bronnen en publicaties beschreven. Maar zoals ik eerder al schreef noemt ze maar één bron. Laat ik vooropstellen dat ik de zes pagina's die Maarten Prak in "Republikeinse veelheid, democratisch enkelvoud" aan antisemitisme heeft gewijd, niet in twijfel kan of wil trekken. Zeker, joden zijn uitgesloten geweest van veel beroepen en ik ben ervan overtuigd dat het in de 18e eeuw in 's-Hertogenbosch zo zat. Prak toont dat duidelijk aan. Lia wekt de indruk dat ik het daarmee oneens zou zijn, maar waar blijkt dat? Waar ik wel moeite mee heb is het boek van Prak als bewijs te accepteren voor de stelling van Lia. Dat laatste om het simpele feit dat Prak hoofdzakelijk over de periode 1770-1820 in 's-Hertogenbosch schrijft. Over anti-joodse maatregelen in andere perioden schrijft hij vrijwel niets. Dat valt hem niet te verwijten, want daar gaat zijn boek niet over. Maar als bewijsvoering voor de mening van Lia valt "Republikeinse veelheid, democratisch enkelvoud" af.
Joden en handel
Want hoe zat het bijvoorbeeld in de eerste helft van de Middeleeuwen met de uitsluiting van joden tot de meeste beroepsgroepen? Als dat een constante factor in het antisemitisme is door de eeuwen heen, dan moeten joden daar destijds ook door zijn getroffen. Maar dat was niet het geval. Al tijdens het Romeinse rijk waren veel joden in de handelssector te vinden. En nee, daartoe werden zij niet door antisemieten gedwongen. In werkelijkheid waren veel (hoewel niet alle) joden al in de handel betrokken voor de val van Jeruzalem. Dat is niet vreemd, want Palestina bevond (en bevindt) zich op een kruispunt van handelswegen. Andere volken in deze regio waren om dezelfde reden eveneens in de handel betrokken. Dat veel joden na het ontstaan van de diaspora in de handelssector te vinden waren, is dus goed verklaarbaar. Daar kwam nog bij dat in Rome vooral 'vreemdelingen' in de handel zaten (2). De Romeinse heersers hoefden de joden niet in een bepaalde beroepsgroep te dwingen, daar bevonden zij zich al.
Ook na de val van Rome bleven joden in de handel betrokken. Destijds kenden zij een maatschappelijke positie die ik als 'natuurlijk' wil omschrijven. Christenen beschouwden commerciële beroepen als onfatsoenlijk, maar tegelijkertijd hadden zij een dringende behoefte aan oosterse producten. Joodse handelaren voorzagen in deze behoefte door dergelijke producten te importeren. Daarnaast exporteerden zij naar het Oosten; vooral aan de slavenhandel in deze richting werd veel verdiend (3).
In deze fase van de geschiedenis was de situatie zonder meer gunstig voor joden. Onder bescherming van de christelijke machtselite maakten zij één van hun meest succesvolle periodes door. De joodse gemeenschap ontwikkelde zich tot een soort kaste tussen de machtselite en de rest van de bevolking. Deze maatschappelijke positie wist men lang vast te houden, al waren er later zeker ook onderbrekingen (4). Vooral naar aanleiding van explosies van jodenhaat, raakte de joodse gemeenschap deze positie vaak kwijt. Maar in de vroege Middeleeuwen leidde de commerciële rol van joden nog niet tot problemen. De relaties met andere bevolkingsgroepen waren toen over het algemeen nog goed. Uitsluiting van beroepsgroepen diende geen doel: joden zaten direct of indirect in de handel en iedereen had daar vrede mee.
Zoals ik in "De eeuwige antisemiet" beschreef kwam rond de 11e eeuw een einde aan deze voortvarende situatie door de opkomst van de niet-joodse handel - een ontwikkeling overigens waar joden geen invloed op hadden.
Joden als bankiers
Door de economische ontwikkelingen kon de christelijke machtselite de joden in een primitief bankwezen manipuleren. Het heffen van uitzonderlijk hoge rente - oplopend tot 86% (5) - leidde tot verontwaardiging onder de bevolking, met anti-joods geweld als consequentie. Lia werpt mij tegen dat woekerpraktijken niet specifiek waren voor joden en daarom geen verklaring kunnen zijn voor antisemitisme. Zoals vaker heeft Lia een beetje gelijk, maar kent haar redenatie geen diepgang. Ze heeft gelijk in zoverre dat woekerpraktijken niet alleen bij joden voorkomen in de geschiedenis. Woekeraars speelden bijvoorbeeld een belangrijke rol in de Griekse en Romeinse samenleving (6). Waar Lia aan voorbij gaat is de specifieke situatie gedurende de Middeleeuwen in Europa, toen het christenen lang verboden was rente te heffen. Dit voorschrift was - zoals in iedere encyclopedie staat - niet alleen op christenen onderling van toepassing, want ook aan niet-christenen mochten zij geen rente berekenen. Tijdens Karel de Grote werd dit verbod zelfs een officiële wetgeving. De joden kenden een andere benadering. Volgens de wetgeving van het klassieke judaïsme mochten zij evenmin rente aan elkaar in rekening brengen. Maar ten aanzien van niet-joden was dit voorschrift niet van toepassing, want dezelfde wetten legden de verplichting op rente te eisen van niet-joden (7).
De middeleeuwse samenleving was gebaseerd op een kastenstructuur. De heersers zorgden ervoor dat iedereen zijn maatschappelijke positie behield. Algemeen bekend is dat de joden aldus aan het bankwezen verbonden raakten. Minder bekend is dat deze sector voor niet-joden verboden terrein was. Er zijn gevallen bekend van niet-joodse woekeraars die een straf (doorgaans verbanning uit een stad) kregen opgelegd omdat zij zich 'schuldig' maakten aan het uitoefenen van het 'joodse beroep (8). Met dergelijke maatregelen maakte de machtselite het bankwezen in de eerste helft van de Middeleeuwen hoe dan ook tot een exclusief joodse aangelegenheid.
Woekeren bleef een joods gegeven tot de opheffing van het christelijke verbod op rente later in de Middeleeuwen, waardoor ook christenen zich als bankier konden vestigen. Ook nu weer kwamen veel joden in de verdrukking door het verval van hun economische functie. Als bankiers van de machtselite was hun rol een gepasseerd station, waardoor alleen het uitlenen van geld aan de straatarme bevolking overbleef. Dit leidde niet alleen tot een toename van geweld tegen joden, maar ook tot wettelijke maatregelen tegen hen. Tevens is dit de periode waarin de joodse getto's ontstonden (9).
In West-Europa kwam deze ontwikkeling tussen de 14e en de 16e eeuw op gang, maar in Oost-Europa pas veel later. Daarom trokken veel joden naar landen als Polen en Rusland, waar het feodalisme tot het einde van de 19e eeuw stand hield. Joden konden hier nog eeuwen in hun traditionele economische positie functioneren. Dat wil zeggen: tot het verval van het feodalisme en de opkomst van het kapitalisme ook hier veranderingen teweeg brachten. Eens te meer werden joden toen het slachtoffer van discriminatie en geweld. Maar ook nu weer kwam het verband tussen antisemitisme en sociaal economische factoren nadrukkelijk naar voren.
Abram Leon
Dat de joden door christelijke leiders gedwongen werden tot woekerpraktijken betekent niet in alle gevallen dat zij gelijk ook waren uitgesloten van de meeste beroepsgroepen. In de 12e en 13e eeuw bijvoorbeeld hadden joden in een aantal Duitse steden dezelfde rechten als christenen. Dat laatste is nauwkeurig beschreven door de Belgische antizionist Abram Leon, die ik in Kleintje Muurkrant 369 al als bron noemde: "In talloze geschriften over het economische leven van joden in de Middeleeuwen, staat dat zij vanaf het vroegste begin werden uitgesloten, van ambachten, van handel in goederen en dat het hen verboden was land te bezitten. Dat is niet meer dan een fabel. In feite leefden joden, tijdens de 12e en 13e eeuw, in praktisch alle grote steden van westelijk Duitsland tussen christenen en genoten zij dezelfde burgerrechten (...) Het is ook verkeerd om te beweren dat joden niet toe konden treden tot de ambachtsgilden. Zeker, verschillende gilden accepteerden als leerlingen geen 'joodse kinderen', zoals dat destijds werd uitgedrukt. Maar dat gold niet voor alle gilden. Het bestaan van joodse goud- en zilversmeden, zelfs in de perioden waarin de regels van de gilden het zwaarst werden nageleefd, zijn hiertoe afdoende bewijs. Er bevonden zich zeker niet veel joodse ijzersmeden, metselaars en timmerlieden onder de middeleeuwse ambachtslieden, maar joodse ouders die hun kinderen in deze beroepsgroepen lieten opleiden waren erg zeldzaam. De gilden die joden uitsloten deden dat niet uit religieuze animositeit of raciale haat, maar omdat woekerpraktijken en handel omgeven waren met een reputatie van 'oneerlijkheid' (...) De gilden sloten kinderen van joodse zakenmensen uit die betrokken waren bij woeker en handel, op dezelfde manier uit zoals zij de zonen van eenvoudige arbeiders, voermannen, scheepslieden, kappers en linnenwevers uitsloten" (11).
Omdat ik eraan gewend ben geraakt dat een tweede fase van kritiek doorgaans uit de verdachtmaking van mijn bronnen bestaat, kan het geen kwaad hier een indruk te geven van de in 1918 geboren Abram Leon. Dat laatste mede omdat zijn historische inzichten de basis vormen van het artikel "De eeuwige antisemiet" uit het vorige Kleintje. Er is voor mij één doorslaggevende reden om de woorden van Leon serieus te nemen en dat is zijn ideologische overtuiging. Want door zijn marxisme is Leon de aangewezen figuur om de economische rol van de joden door de eeuwen heen te analyseren. Ik weet wel dat we ondertussen zo ver zijn in links Nederland dat Marxistische denkbeelden een schaars goed zijn geworden, maar ik ben wat dat betreft nog van de oude stempel. Als ik de keuze moet maken tussen de historische overwegingen van een rechtse zionist (waar mijn tegenstanders nog wel eens mee komen), of een linkse antizionist, dan is mijn keuze in ieder geval duidelijk. Verder wijst niets in de antecedenten van Leon erop dat hij te kwader trouw was. Hij was actief bij het verzet tegen de nazi's betrokken en kwam na te zijn gearresteerd in 1944 om in Auschwitz. "The Jewish Question, a Marxist Interpretation" schreef hij aan de vooravond van de holocaust.
Voor Leon was het zionisme geen oplossing voor de problematiek van de joden. Bovendien begreep hij -ver voor de stichting van de staat Israël en het proces tegen Eichmann- dat zionisten de mythe van het eeuwige antisemitisme gebruiken voor hun politieke doelstellingen: "Al deze ideologische concepten van het zionisme zijn natuurlijk onafscheidelijk van het dogma over het eeuwige antisemitisme. Zo lang de joden in de diaspora leven, zullen zij gehaat worden door de 'autochtone bevolking'". Deze essentiële visie van het zionisme breidt het moderne antisemitisme naar de rest van de geschiedenis uit; het neemt niet de moeite om de verschillende vormen van antisemitisme en hun ontwikkeling te bestuderen. (11)"
1. Overigens is dit onderscheid hier niet zo nadrukkelijk van toepassing. De vroege Israëlieten hielden al rekening met een vijandige buitenwereld. Omdat zij meenden door God te zijn uitverkoren, was de jaloezie van andere naties een vanzelfsprekende zaak voor hen. De sporen van de eeuwige antisemiet zijn dus zeker in de Israëlitische geschiedenis terug te vinden. Overigens wil ik daarmee niet beweren dat ieder jood tegenwoordig uitgaat van het kwaadaardige karakter van niet-joden. Gelukkig denken velen onder hen een stuk genuanceerder dan in vroeger tijden. Maar met zionisten is het helaas nog anders gesteld. Zie verder: Maxime Rodinson, "De joodse natie in droom en daad", Antwerpen, Uitgeverij EPO, 1988 (pagina 185)
2. Abram Leon, "The Jewish Question, a Marxist Interpretation", New York, Pathfinder Press, 1970, (pagina 102)
3. Ibidem, pagina 124
4. Rodinson, o.c., pagina 170
5. Leon, o.c., pagina 145
6. Ibidem, pagina 140
7. Israel Shahak, "Jewish History, Jewish Religion, the Weight of Three Thousand Years", Londen, Pluto Press, 1994 (pagina 89)
8. Leon, o.c., pagina 142
9. Ibidem, pagina 153
10. Ibidem, pagina 141-142
11. Ibidem, pagina 247
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 371, 13 september 2002