Reis naar Auschwitz
Onderstaand verhaal is het relaas van een tocht die langs verschillende nazi-vernietigingskampen in Polen voerde, en van wat daaraan voorafging. De reis was een uitvloeisel van een proces dat tien jaar geleden begon en dat mij stukje bij beetje bewuster maakte van de gevolgen die de Tweede Wereldoorlog heeft gehad op persoonlijk niveau, voor de mensen die ternauwernood het derde rijk van Hitler overleefden en voor de familie van hen die niet hebben overleefd. Het was voor mij tevens een soort 'balans opmaken van het oude Europa in de twintigste eeuw', maar dat zul je in dit verhaal niet aantreffen, omdat het niet meevalt zo'n balans op te maken. Wellicht een volgende keer.
Lia van der Heijden
In mei maakte ik met Wilma in onze oude kadett een tocht door Duitsland naar Polen. Het oorspronkelijk reisdoel was Auschwitz, maar we kwamen ook in Buchenwald, Majdanek, Sobibór en Treblinka. Tijdens de reis las ik de beschouwingen van H.W. von der Dunk over de shoah, zoals hij die in "Voorbij de verboden drempel: de Shoah in ons geschiedbeeld" uit 1990 heeft uiteengezet. Het was een soort baken temidden van dolende gevoelens en gedachten.
17 maart
Misschien ben ik een voorbeeld van wat Von der Dunk in "Voorbij de verboden drempel" schrijft, dat identificatie met een mens die doelwit was van uitroeiing, verloopt via gezond uitziende Hollywood-acteurs die een geromantiseerd verhaal van de shoah vertellen. Misschien is dát de kern van het idee, dat ik een confrontatie met de geschiedenis zou moeten aangaan om de geest van de mens, de twintigste eeuw, de ontsporing te kunnen begrijpen: de identificatie met, in de woorden van Von der Dunk "veelal weinig fotogenieke, zieke, gekwelde, zielige, dikwijls uitgemergelde mensen" (p.25).
29 april
Om de vernietiging te benoemen gebruik ik het Hebreeuwse woord 'shoah' dat 'catastrofe' betekent, en niet 'holocaust' dat is afgeleid van het Latijnse 'holocaustum' en het Griekse 'holokauston': brandoffer. Ik zie die benaming als volkomen misplaatst.
Het waren twee zinnen die mij met een schok tot een andere blik op de shoah brachten. Zinnen beladen met geschiedenis boven de geschiedenisboeken uitgetild.
September 1992. College over vrijheidsconcepten in de achttiende eeuw. In de eerste bijeenkomst vertellen de deelneemsters (opvallend weinig mannelijke studenten Nederlands kozen in die tijd voor de historische letterkunde), wat vrijheid voor hen inhoudt. Autonomie, zelfontplooiing, vrijheid in binding met een geliefde, autonome geest. Het zijn kernbegrippen die iedereen noemt. Behalve Daphne Meijer, mijn joodse studiegenoot. Zij zegt: "Vrijheid is te leven in de zekerheid dat niemand erop uit is je te vermoorden."
23 december 1998. Opvoering van Strassenfeger, een toneelstuk van Daphne. Op die avond is ook haar familie komen kijken. Na afloop drinken we een borreltje in het theatercafé. Het loopt tegen half twaalf als een oudoom van Daphne als eerste opstaat om naar huis te gaan. Hij groet met woorden die ik nooit eerder als afscheidsgroet gehoord heb. Hij zegt niet welterusten, of tot kijk, of het ga jullie goed, maar hij zegt: "Wees dapper."
David Grossman, "Zie: liefde". Het verhaal van het jongetje Momik en zijn opa Wasserman. Het verhaal van de uitwerking van de shoah op de getraumatiseerde Israëlische samenleving. Een verhaal waarvan je je kunt voorstellen dat het zich binnen de muren van de joodse huizen afspeelt.
De staat Israël. Een dramatische constructie, voortgesproten uit de eigenbelang-politiek van de westelijke geallieerden. De legitimatie van de verdrijving van de Palestijnen uit Palestina. En van de overlevenden van de shoah uit Europa. Wie van hen nog leeft, leeft zesenvijftig jaar na dato nog steeds niet in vrede. Wie inmiddels gestorven is, dacht veiligheid in Israël te vinden, maar heeft het nooit gevonden.
De dood van mijn vader die mij terugvoerde naar zijn wortels. De verzwegen geschiedenis van zijn familie in de jaren 1940-1945. 'Niet bij stilstaan, het leven gaat door, wat geweest is is geweest'. Mijn vaders motto. De verzwegen geschiedenis van de oorlog die hij voerde in Indonesië.
De oorlog in Joegoslavië. Het land economisch naar de knoppen, de mensen verliezen het respect voor elkaars gewoonten en culturen. Ze maken elkaar af zonder de werkelijke oorzaak van hun ellende te begrijpen. Niets nieuws onder de zon, maar de vergelijking van Kossovaarse Albanese vluchtelingen met de deportaties naar de vernietigingskampen in Polen maakte me kwaad. Razend zelfs. Waarom? De oorzaken van de gebeurtenissen toen en nu zijn vergelijkbaar, maar de uitwerking is dat niet. Ja, de Albanese Kossovaren - maar niet alleen zij, ook de Servische en alle andere vluchtelingen in het voormalig Joegoslavië - werden van hun huis en haard verdreven. En ja, ze werden soms ook op de trein gezet. De associaties liggen voor de hand, maar het is een ander ellendig verhaal. Ze waren op de eerste plaats voor het oorlogsgeweld op de vlucht, zoals dat vandaag de dag op talloze plekken in de wereld gebeurt. De joden en zigeuners moesten zich melden, met het vooropgezette doel ze in Polen te vermoorden. Uitroeiing van de Europese joden was de reden waarom Auschwitz-Birkenau werd gebouwd. Negentig procent van de gevangenen in Auschwitz was joods. Waarom was ik kwaad over de vergelijking? Omdat hij op mij voornamelijk overkwam als een anti-Servische propagandastunt van de West-Europese en Amerikaanse politiek en pers. Misbruik van de geschiedenis, ten koste van de herinnering aan de omstandigheden waaronder mensen in de vernietigingskampen de dood vonden.
En dan het naderende einde van de eeuw en de gedachten over wat de eeuw gebracht heeft, hoe de geschiedenis van die eeuw mij gevormd heeft.
Het is deze context, waarbinnen zich in mij een gevoel van noodzakelijkheid tot een confrontatie met de geschiedenis vormde. Een confrontatie in de vorm van een reis naar Auschwitz.
25 april
Het verbijsterende feit doet zich voor dat Frank, mijn medebewoner op de Paap, voormalig kraakpand aan de Papenhulst in Den Bosch, het leven laat. Vier dagen en nachten lijkt hij een zware griep te hebben. In de vroege ochtend van de vijfde dag sterft hij. Gedurende de twee dagen en nachten die volgen ben ik met zijn familie en andere huisgenoten bezig veel te regelen, veel te praten en veel te drinken.
27 april
In het herinneringscentrum van kamp Westerbork wordt Daphne's boek "Onbekende kinderen. De laatste trein uit Westerbork" gepresenteerd, de gelijknamige documentaire die ze maakte met Annet Apon vertoond, en de in het centrum ingerichte tentoonstelling geopend. Het is het verhaal van tweeënvijftig joodse kinderen die her en der in Nederland ondergedoken zaten, vervolgens verraden werden en in het weeshuis van het doorgangskamp Westerbork terechtkwamen. Hun identiteit was niet bekend. Met de laatste trein die uit Westerbork vertrok zijn ze op 13 september 1944 op transport gesteld naar Bergen Belsen. Op de transportlijst staan ze als Gruppe 'Unbekannte Kinder'. Drie dagen en drie nachten brachten ze door in een goederenwagon onder begeleiding van vier volwassen joodse gevangenen. Een meisje van negen maanden oud, Jetje Hamburger, overleefde de reis niet.
In november 1944 werd de groep vanuit Bergen Belsen naar Theresienstadt gedeporteerd. De Russen bevrijdden in juni 1945 het kamp en de kinderen die buiten Jetje allen overleefden, gingen terug naar Nederland, onder de hoede van volwassen kampgevangenen. "Onbekende kinderen" is het relaas van hoe het hen verder in het leven is gegaan. Inmiddels zijn dertig mannen en vrouwen die tot deze groep behoorden getraceerd.
Om half twaalf stap ik in de auto en starend over de snelweg rijd ik in twee en een half uur naar kamp Westerbork. De voorgaande dagen hebben me uitgeput. De autorit is een weldaad voor mijn gemoed.
Er zijn veel mensen naar Drenthe gekomen. De zaal waar het boek wordt aangeboden is te klein.
Naast mij zit een studente uit Praag. Ze doet onderzoek naar Nederlandse joodse gevangenen in Theresiënstadt en heeft Nederlands geleerd om overlevenden te kunnen interviewen. Haar begeleiders hadden vraagtekens gesteld bij de representativiteit van deze groep onbekende kinderen voor ... voor wat eigenlijk? Nu ik het opschrijf weet ik het niet meer. Het leven in het algemeen in het kamp? Het leven van kinderen daar? In ieder geval vond zij het onzin en nu is ze in Westerbork om een aantal van de onbekende kinderen te spreken.
Daphne biedt het boek aan aan Sonny Birnbaum, dochter van Otto en Hennie Birnbaum die in Westerbork, en daarna in Bergen Belsen, de wezen onder hun hoede namen. De onbekende kinderen stellen zich voor, noemen hun naam en de naam waaronder ze voorkomen op de transportlijst die in het boek is afgedrukt. Ze wonen over de hele wereld verspreid. Canada, VS, Frankrijk, Brazilië, Duitsland, Israël, Nederland. Sinds de première van de documentaire op het IDFA in november vorig jaar is de groep inmiddels bekenden weer gegroeid. Toen waren er tien aanwezig, nu ongeveer twintig. Nog de dag voor deze presentatie is in Frankrijk een vrouw getraceerd en zij is overgekomen om hierbij te zijn. Ook is er een Duitse vrouw die voor het eerst de andere onbekende kinderen ontmoet.
Om vijf uur vertrekt er een busje naar het kampterrein. Ik ga mee. Naast me hoor ik Hebreeuws en dat herinnert me eraan dat ik op de première van de documentaire voor het eerst Jiddisch hoorde, dat ik alleen van een paar liedjes ken, maar nooit eerder heb horen spreken. Een Europese taal, zestig jaar geleden nog springlevend, voor veel mensen hun moedertaal, nu als spreektaal op sterven na dood. Tenminste voor zover ik weet.
Als we over de hoofdweg van het kampterrein rijden vraagt een jongetje van een jaar of
drie: "Wie woonden hier?" Niemand van ons weet een antwoord. Dan zegt een vrouw, die ik later als Carla van West leer kennen, nadenkend: "Hier woonden vogeltjes..., vlinders..., muisjes." Een antwoord dat in ieder geval waar is.
Ik loop met twee vrouwen over het kampterrein. "We heten allebei Carla", zegt een van de twee. In haar stem klinkt blijdschap. Ze hebben elkaar een maand geleden leren kennen. Carla Dotsch was twee toen ze in Westerbork kwam, Carla van West zes. Het kamp zegt hun niks. Ze hebben herinneringen en beelden in hun hoofd, maar weten niet uit welk kamp, of van welke plek waar op de wereld. Misschien zitten er beelden tussen die ze ooit op tv gezien hebben. De vraag welke herinnering van hen is, wie ze zijn, waar hun wortels liggen, heeft hun leven bepaald. Belangrijk voor beide Carla's nu is dat ze de anderen terugvinden, die vaak totaal andere mensen dan zijzelf zijn, maar die dezelfde geschiedenis hebben. Carla Dotsch zegt het gevoel te hebben dat ze Carla van West al honderd jaar kent. Het is ook een oude geschiedenis die ze delen.
Identiteit. Terug in het herinneringscentrum loop ik de tentoonstellingsruimte binnen en zie als eerste een uitspraak van een van de onbekende kinderen, die ik me niet meer letterlijk herinner, maar die deze strekking heeft: "Na onderzoek is besloten dat ik Benjamin Aandagt ben." In gedachten vul ik mijn eigen naam in, waarmee het onvoorstelbare voorstelbaarder wordt.
Om kwart voor zeven rijd ik naar huis. Vragen dringen zich op. Om acht uur heb ik honger en stop bij een wegrestaurant. Ik nuttig een warme maaltijd en vind een paar mogelijke antwoorden.
Een voor de hand liggend maar essentieel antwoord op de vraag van het jongetje is: "Hier wóónde niemand. De mensen die hier waren, waren gevangenen." Vervolgens is het zaak uit te leggen dat mensen soms gevangen kunnen zitten zonder boeven te zijn. Dat zal niet eenvoudig zijn als je gespreksgenoot drie is. Om het eerste deel van het antwoord te vinden, had ik anderhalf uur nodig.
Ik word me van nog iets anders bewust. Mijn opa en zijn broer werden door de Duitsers vermoord. Ze zijn gestorven door toedoen van dezelfde bezetter die verantwoordelijk was voor de moord op zoveel mensen in de vernietigingskampen. Maar er is een essentieel verschil in de omstandigheden van hun dood. Dat besef heeft altijd gesluimerd, maar dringt nu pas helder in mijn bewustzijn door. Ze hebben zich verzet, ze zijn gepakt (goddank pas in de laatste dagen van de oorlog in de Brabantse Kempen, waarmee het kamp hen bespaard is gebleven) en ze zijn geëxecuteerd. Maar in de ogen van hun moordenaars zijn ze mens gebleven. Dat is niet het geval bij de joden, de zigeuners, de homoseksuelen, de zwakzinnigen, de psychiatrische patiënten. Homoseksuelen, zwakzinnigen en psychiatrische patiënten nemen in zekere zin in dit rijtje een andere plaats in, dan joden en zigeuners. Hun lot in het nationaal-socialisme hangt meer samen met een taboe op homoseksualiteit, zwakzinnigheid of gekte. Iedereen kan homoseksueel, zwakzinnig of gek zijn of worden, ook de volgens de nazi-ideologie ideale ariër of zijn kind. Jood of zigeuner was je of was je niet, in de ogen van de nazi's. En als je het was, dan behoorde je tot een groep verachtelijke wezens, die weliswaar in een menselijk lichaam leefden, maar verder hield iedere gelijkenis met de mens op. Hun lot was onherroepelijk. Het feit dat ze een menselijk lichaam hadden, maakte een beperkt aantal van hen nog voor enige tijd nuttig om arbeid te verrichten of experimenten op uit te voeren, maar het overgrote deel werd meteen bij aankomst in de vernietigingskampen geselecteerd, om in de gaskamers te worden vermoord. Wie niet meteen werd vermoord onderging in veel gevallen bij volgende selecties hetzelfde lot, zich inmiddels volledig bewust van wat er ging gebeuren.
Aan allen voor wie een toekomst in het Derde Rijk uitgesloten was, is hun waardigheid ontnomen. Ze waren dissonanten in het ideaal van de arische maatschappij en als zodanig dienden ze uitgeroeid te worden. In die ideologie was het gerechtvaardigd hen eerst te ontmenselijken en vervolgens te vermoorden. Het was geen misdaad maar een daad van liefde voor de Führer, of misschien eerder een daad ontsproten uit de superioriteitswaan van de SS zelf.
Over deze gedachten praat ik op zaterdagavond met mijn huisgenoot en maat Farzad, politiek vluchteling uit Iran. We zitten bij het zoveelste kampvuur en drinken liters wijn. Het is de manier waarop we op de Paap onze doden uitgeleide doen.
Farzad wijst mij op het feit de situatie waarin vluchtelingen zich op dit moment in Nederland bevinden vergelijkbare kenmerken vertoont. Ook hen wordt hun waardigheid ontnomen. Onverschilligheid over hun lot heerst. Er is geen moreel besef meer in de maatschappij. Ook niet bij links. Hij houdt me voor dat de mishandelde vrouwen en kinderen met wie wij witte autochtone Nederlanders solidair zijn, West-Europees en wit zijn. De homoseksuelen zijn West-Europees en wit. Ik kan niet anders dan zijn waarnemingen bevestigen. Voor Farzad heeft het tot gevolg dat hij zich bij tijd en wijlen afvraagt waarom hij solidair zou zijn met ons op de momenten dat wij aanlopen tegen de dominante cultuur in deze samenleving. Steeds weer komt hij uit op hetzelfde antwoord: hij blijft solidair want solidariteit is noodzaak.
In deel twee, in het volgende Kleintje, het vervolg waar Lia de reis naar Polen aanvangt.
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 361, 26 oktober 2001