Alternatieve genezers
slachtoffers van onbegrip en machtswellust
Kleintje Muurkrant heeft de laatste jaren een staat van dienst opgebouwd met berichtgeving over vermeende kwakzalverspraktijken in de geneeskunde. Dat is gebeurd in ingezonden brieven, reacties daarop en korte berichten. Wie echter zoekt naar ook maar één serieus artikel over 'alternatieve geneeskunde', zal niets vinden. Dat is typerend voor een nogal eens voorkomende neiging binnen het linkse wereldje niet geïnteresseerd te zijn in een concreet probleem - i.c. de gezondheidszorg -, maar in een ideologisch gevecht over een probleem. En dat is gevaarlijk. Zeker bij een onderwerp als dit mag men een minimum aan kennis op gezondheidsgebied verwachten alvorens een oordeel te vellen. Anders kan men beter zijn mond houden.
door Ton Geurtsen
Een voorbeeld daarvan was al te vinden in Kleintje Muurkrant nummer 314 naar aanleiding van de Bijlmerramp. Bij een bijdrage omtrent een mogelijk 'orthomoleculair' onderzoek naar gezondheidsklachten onder de slachtoffers publiceerde de redactie een naschrift dat inhoudelijk nergens op in gaat, maar citeert uit een werk van Marcel Hulspas & Jan Willem Nienhuys. Dat is handig, want ook zij voeren een ideologisch gevecht door de orthomoleculaire visie op gezondheid en ziekte met wat stoten onder de gordel neer te halen. Geneeskundige argumenten? Geen!
In Kleintje nummer 283 viel de naam van Linus Pauling, die als wetenschapper niet aan bod komt en ook nog eens op een onnavolgbare wijze aan bruine sympathieën wordt gekoppeld. Wie iets van deze man weet, begrijpt hoe onzinnig dat is. Niet alleen werd hij indertijd door de New Scientist beschouwd als een van de twintig grootste wetenschappers aller tijden en was hij winnaar van de Nobelprijs voor scheikunde. Ook leverden zijn activiteiten tegen bewapening hem in 1962 de Nobelprijs voor de vrede op.
Voorts wordt de heer Renckens, voorzitter van de Vereniging tegen Kwakzalverij, nogal eens aangehaald (zie bijvoorbeeld de lovende bespreking van een van zijn pennevruchten in Kleintje nummer 352). Renckens, die alles wat niet 'gevestigd' is kwakzalverij noemt, hanteert ook al geen medische argumenten. Dat is des te erger, omdat hij praktizerend (vrouwen)arts is. Diens uitspraken zijn niet alleen minachtend en beledigend, maar ook leugenachtig (Zo had de van kanker genezen Houtsmuller - van het bekende dieet - volgens hem 'niet meer dan een fikse verkoudheid').
In het laatste nummer van Kleintje wordt een congres aangekondigd van Skepsis, ook al zo'n verzameling betweters die een haatdragende campagne voeren tegen 'alternatieve geneeskunde'. Ook in dat nummer wordt een alternatieve HIV-Aids hypothese 'volslagen belachelijk' genoemd, terwijl deze ondersteund wordt door vele honderden gerenommeerde wetenschappers overal ter wereld die veelal worden uitgestoten uit het medische establishment omdat de onaantastbare Waarheid omtrent Aids bedreigd wordt (zie www.virusmyth.net).
Kleintje Muurkrant staat hierin overigens niet alleen. Zo treffen we op de website van Simpos (www.stelling.nl/simpos), die occulte en mystieke zaken aan de kaak stelt, bij het onderdeel gezondheidszorg ook de orthomoleculaire geneeskunde en de homeopathie aan. Dat is ongeveer net zo achterlijk als het anarchisme bij extreem-rechts in te delen. Eerst ergens studie van maken en dan pas oordelen: het is blijkbaar niet nodig.
Ziektes lenen zich niet goed voor interessante politieke debatjes, maar zijn in de eerste plaats een concrete bedreiging die serieuze aandacht verdient. Het manipuleren van de feiten, dat binnen het medische establishment bijna regel is, kan zelfs levensbedreigend zijn omdat het mensen op het verkeerde been zet en weerhoudt van de meest passende behandeling. Een eerlijke voorlichting over 'alternatieve' geneeskundige benaderingen is dan ook een vereiste.
orthomoleculaire geneeskunde
Allereerst dit: alternatieve geneeskunde is een onbruikbare term. Men schaart er zowel de praktijken van Jomanda onder als serieuze beoefeningen van de geneeskunst. Hun enige overeenkomst is dat ze alle kritiek hebben op de reguliere geneeskunde. De term dient dan ook een handig strategisch doel: je bericht met een zekere regelmaat en dik aangezet over iemand die patiënten heeft opgelicht of de dood ingejaagd, zodat het 'zie-je-wel' effect optreedt: de rest zal dus ook wel niet deugen. Het is een redenering van het soort: een advocaat heeft fraude gepleegd - alle advocaten deugen niet. Of bij het onderwerp blijvend: Dr. Death vermoordde 200 patiënten - alle artsen deugen niet.
Over veel benaderingen die alternatief worden genoemd, kan ik geen oordeel geven omdat ik daar noch praktisch noch theoretisch voldoende kennis van heb. Mijn interesse gaat uit naar de orthomoleculaire stroming: de richting die volgens feitenmanipulator Renckens 'een volstrekt waardeloze vorm van nepgeneeskunde' is (www.antikwak.nl).
Grondlegger van de orthomoleculaire geneeskunde is de eerder genoemde Linus Pauling. Zij is gebaseerd op actueel wetenschappelijk onderzoek en bestaat zowel uit een geneeskunde, die het terrein is van deskundige artsen, als een voedingsleer, die het terrein is van onszelf en ondersteunende therapeuten. Zij gaat uit van de logische gezondheidsopvatting dat al die stoffen die in de loop van de evolutie door ons lichaam zijn geaccepteerd en voor steeds meer nuttige doelen konden worden ingezet, in voldoende mate aanwezig dienen te zijn. Waar tekorten ontstaan, moeten die worden aangevuld en waar de onderlinge verhouding verkeerd is, dient die te worden gecorrigeerd.
Bij deze stoffen gaat het enerzijds om de macronutriënten - vetten, eiwitten en koolhydraten - en anderzijds om de micronutriënten waaronder vitaminen, mineralen, sporenelementen en aminozuren vallen. Over het belang van de eerste groep voedingsstoffen bestaat verschil van mening tussen reguliere genezers en orthomoleculaire genezers. De belangrijkste discussie gaat echter over de tweede groep stoffen, die in de vorm van voedingssupplementen worden aangeboden.
Voedingssupplementen moeten in feite gezien worden als een vorm van geconcentreerde voeding: de uit verschillende produkten geïsoleerde stoffen waarvan positieve gezondheidseffecten zijn onderzocht, worden in pilvorm verstrekt. Zo bevatten worteltjes veel bèta-caroteen, een stof die in ons lichaam wordt omgezet in vitamine A dat onder meer van belang is voor gezonde slijmvliezen en een goed gezichtsvermogen. Bèta-caroteen slikken is dan wat praktischer dan ons de hele dag met penen vol te stoppen.
Onlangs meldde Michel Post, die tien jaar geleden een boek publiceerde over vitamine B12 - in een interview in het oktober-nummer van Ravage - dat niet elke veganist hem de stelling in dank afnam dat je op den duurt kunt overlijden aan een B12-tekort als je geen extra pillen slikt. Maar hij heeft gelijk. Sterker nog: dezelfde stelling gaat op voor talloze andere micronutriënten. Een voorbeeld uit het verleden: zeevaarders stierven vroeger aan verzwakte en opengescheurde aderen, het zogenaamde scheurbuik. Toediening van vitamine C in de vorm van citroensap was voldoende om het probleem op te lossen. Een voorbeeld uit het heden: Unicef meldde in februari 2001 dat er miljoenen kinderen zouden sterven als er geen capsules vitamine-A in voldoende dosis beschikbaar werden gesteld. Door dat wel te doen, waren sinds 1998 bijna één miljoen kinderen van de dood gered.
Het zijn door de natuur gegeven stoffen - zuurstof, vocht, voeding - die bepalen dat wij leven en in belangrijke mate ook in welke staat wij leven. De tegenstanders van voedingssupplementen als medicijn maken deze logica van ons leven niet af. Natuurlijk: zij zijn het er mee eens dat we na een paar minuten zonder zuurstof overlijden. Ze weten ook wel dat we het zonder vocht maar een paar dagen uithouden. Beamen zullen ze ook dat we na enkele weken niet gegeten te hebben, steeds zieker worden tot de dood er op volgt. Maar dan houdt het verhaal plotseling op: wanneer belangrijke vitaminen of mineralen aan het lichaam onthouden worden, ontstaan op den duur ernstige en levensbedreigende gebreksziekten. Kwakzalverij!, roept men in koor. Wat zou daar toch achter zitten? Twee redenen zijn daarvoor in ieder geval te bedenken.
onwetendheid en belangen
Ten eerste weten de meeste artsen bijzonder weinig af van voeding; de gemiddelde topsporter kan je er meer zinnigs over vertellen. In medische opleidingen is het een ondergeschoven kindje, ondanks het feit dat wat wij dagelijks eten (overigens in combinatie met lichaamsbeweging) in hoge mate de kwaliteit van leven en deels zelfs de levensduur bepaalt.
Artsen hebben het erg druk, dus weinig tijd om er nog eens wat studie bij te doen en daarvoor zouden ze ook te rade moeten gaan bij de 'randwetenschappen' als de biochemie en de voedingswetenschap. Artsen kunnen doorverwijzen naar voedingsdeskundigen als ze zelf niet alles bij kunnen benen. Maar ze zullen in elk geval voor nieuwe ontwikkelingen op voedingsgebied open moeten staan. Dat aantal lijkt wat te groeien, maar het grootste deel is er rijkelijk onverschillig onder en een deel doet zelfs de voor een arts bijzondere onethische uitroep 'dat het allemaal flauwekul is.'
De gebrekkige ondersteuning van natuurlijke behandelingsmethoden hangt ermee samen dat artsenopleidingen volledig geënt zijn op de gevestigde geneeskunde. Hun bijscholingen zijn weinig meer dan grootscheepse propagandaoffensieven van de farmaceutische industrie, die haar medicijnen wil promoten. Artsenbezoekers zijn in de weer om artsen permanent onder druk te zetten tot het voorschrijven van medicijnen. De industrie maakt zich massaal schuldig aan omkooppraktijken, zodat men zelfs van regeringswege meende dat er paal en perk aan gesteld diende te worden.
Het is deze honger naar winst die de doorslaggevende reden vormt voor de oorlog tegen concurrerende therapieën. Daarbij kan de medicijnenindustrie bogen op een lugubere traditie. Drie supermachtige Duitse farmaceutische bedrijven - Hoechst, Bayer en BASF - zijn voortgekomen uit het beruchte IG Farben. In 1947 werden tijdens het proces van Neurenberg 24 van haar managers aangeklaagd wegens voorbereiding en uitvoering van een aanvalsoorlog, massamoord, experimenten op gevangenen, roof, plundering en slavernij. Vijf jaar later waren de veroordeelde topfunctionarissen weer op vrije voeten. In mei 1999 werd onder meer Bayer voor het Amerikaanse gerechtshof gedaagd, omdat het bedrijf in de oorlog had deelgenomen aan medische experimenten van Joseph Mengele (zie ook www.friendsoffreedom.org). Tot in de zeventiger jaren zetelden deze nazi-misdadigers in de top van deze industrie. Bedrijven met deze traditie worden geacht zieke mensen te helpen!
Niet alle bedrijven in deze sector hebben dit besmet verleden. Maar de holocaust van toen is hedentendage voor grote delen van de wereld dagelijkse realiteit. Middelen waarvan men aanneemt dat ze Aids tegengaan wilden de bedrijven die ze produceerden onthouden aan de Zuid-Afrikaanse bevolking, alvorens men door een storm van verontwaardiging wat moest inbinden. Voor de bestrijding van malaria, waarvan onlangs de genetische achtergrond werd ontrafeld, zal de komende jaren geen vaccin beschikbaar komen. Reden: het heeft geen prioriteit bij de farmaceutische industrie bij gebrek aan koopkracht onder de miljoenen slachtoffers.
Anders is het gesteld onder het koopkrachtige deel van de mensheid. De genoemde marketingstrategieën worden er in de westerse wereld ingehamerd, met als doel ons zoveel als maar kan te laten slikken. Maar omdat onze portemonnee het wèl toelaat medicijnen te kopen (of via een verzekering voorgeschreven te krijgen), kan diezelfde portemonnee ook gebruikt worden voor alternatieven. Het medisch-industrieel complex moet er dus ook voor zorgen dat de alternatieven onaantrekkelijk zijn. Twee bedreigingen voor de industrie doen zich daarbij voor.
Ten eerste zijn consumenten nogal eigenzinnig geworden. Er is een enorm scala aan gezondheidsmiddelen beschikbaar gekomen en de omzet ervan stijgt. In het verlengde daarvan mogen niet-reguliere behandelaars zich in een toenemende belangstelling verheugen. Het gebruik van deze middelen en de toevlucht tot andere geneeskundige behandelingen maakt een deel van de reguliere medicatie overbodig en dringt de afhankelijkheid van de medische stand terug.
Ten tweede is er de afgelopen decennia een stortvloed aan wetenschappelijk onderzoek beschikbaar gekomen, dat de inzichten van een deel van de niet-reguliere geneeskunde bevestigt. Wanneer dit massaal zou doordringen tot de publieke opinie, is de ineenstorting van de farmaceutische multinationals nabij. Wanneer we daarbij bedenken dat het bij adviescommissies, tijdschriften en onderzoeksinstellingen wemelt van de mensen die op de loonlijst van de farmaceutische industrie staan, worden de agressieve anti-reacties ineens een stuk begrijpelijker.
medisch establishment
In de loop van de jaren negentig zetten de farmaceutische concerns een verhevigd offensief in tegen alternatieven voor hun produkten. Achtergrond daarvan vormde vooral de aanname, in augustus 1994, door Senaat en Huis van Afgevaardigden in de Verenigde Staten, van een wet op de vitaminevrijheid, de 'Dietary Supplement Health and Education Act'. Daarin werd gegarandeerd dat vitaminen zonder beperkingen en zonder recept mogen worden verkocht en dat waarheidsgetrouwe uitspraken daarover alsmede over natuurlijke therapieën openlijk mogen worden verspreid.
Op initiatief van - alweer - de Duitse farmaceutische concerns werd vervolgens de 'Codex Alimentarius' ingezet voor een tegenoffensief. Deze commissie, onder meer gesponsord door de Wereld Gezondheid Organisatie (WHO), werd in 1962 door de farmaceutische industrie in het leven geroepen. Een van de architecten ervan was Fritz ter Meer, directielid van IG Farben en tijdens het proces van Neurenberg tot zeven jaar gevangenisstraf veroordeeld, maar enkele jaren na zijn vrijlating in 1952 gepromoveerd tot bestuursvoorzitter bij Bayer (1956-1964).
De commissie besloot in 1996, tijdens een bijeenkomst in Bonn, dat alle uitspraken over de preventieve en genezende werking van vitaminen en andere natuurlijke stoffen voor de gezondheid per wet verboden dienden te worden, en wel wereldwijd. Als sanctie op het niet-aanvaarden door VN-lidstaten van deze beslissingen zouden economische sancties moeten worden getroffen. Daarbij gaat het om stoffen boven een bepaalde kwantiteit. Met name in de orthomoleculaire richting werkt men namelijk met doseringen die veel hoger liggen dan de Aanbevolen Dagelijkse Hoeveelheid (ADH). Het zijn deze ADH's waar de reguliere geneeskunde zich op beroept om extra vitaminen of andere stoffen als onnodig te kwalificeren. Daarbij is van belang op te merken wat de wetenschappelijke basis is van deze ADH: die is er eenvoudig niet.
Ook in het verband van de Europese Unie wordt driftig gewerkt aan beperkende maatregelen. En ook hier zijn de belangen van industrie en politici nauw verweven. Op dit niveau heeft men meer resultaat behaald dan tot op heden met de Codex: er is een lijst opgesteld van toegestane vitaminen, mineralen en sporenelementen die zo beperkend is dat veel gezondheidsproducten van de markt moeten worden gehaald. Een daartoe strekkende richtlijn van de Europese Commissie werd, ondanks een overweldigend aantal protesten, op 13 maart 2002 door het Europees Parlement aanvaard.
Wie twijfelt aan de waarde van niet-reguliere middelen tegen ziektes en aandoeningen, kan zich dan ook het beste deze vragen stellen: Als deze allemaal onzin zijn, waarom doen deze multinationals dan zo veel moeite, tot op de allerhoogste internationale niveaus aan toe, om ze goeddeels verboden te krijgen? Waarom zouden zij er überhaupt aandacht aan besteden, als ze toch niet werken?
Het medische establishment krijgt het steeds moeilijker om de afwijzing van deze middelen nog enige geloofwaardigheid te geven. Erkend wordt dat de mens afhankelijk is van het binnenkrijgen van voldoende micronutriënten. Niet erkend wordt dat de hedendaagse voeding dat al lang niet meer garandeert en dat daarom aanvullende voedingssupplementen nodig zijn. En zeker wordt niet erkend dat hoge doses van een bepaalde stof of combinatie van stoffen de belofte in zich dragen om genezingsprocessen in werking te zetten.
Maar de feiten keren zich met de dag meer tegen deze opvattingen. Een jaar of tien geleden werden orthomoleculaire pleidooien om zwangere vrouwen foliumzuur (vitamine B11) te geven, geschaard onder 'kwakzalverij'. Nu is dit in Nederland een officieel advies geworden, omdat er mee voorkomen kan worden dat kinderen geboren worden met een open ruggetje. Ook ten aanzien van andere stoffen is deze tendens vast te stellen. In 2000 kwam de Gezondheidsraad met het advies aan alle 70-plussers om extra calcium en vitamine D te gebruiken: de kans op botbreuken zou er met een kwart tot de helft mee verlaagd worden. De Volkskrant meldde op 8 december 2001 dat volgens onderzoek deze zelfde groep door extra vitamine B12 afnemende geestelijke vermogens kon tegengaan, een noodzaak die overigens al vele jaren eerder door de orthomoleculair psychiater Abram Hoffer werd aangetoond ten aanzien van vitamine B3. Dezelfde krant meldde op 26 oktober 2002 dat foliumzuur van belang is ter preventie van hart- en vaatziekten. En zo kunnen we doorgaan: vitamine D voor kinderen 'als de R in de maand is', vitamine C voor rokers en alcoholici, calcium/magnesium bij vrouwen in de overgang. Ook onder topsporters is het gebruik van voedingssupplementen allang een vanzelfsprekendheid. En om te besluiten de voorbode van een grotere mate van erkenning: de grootste Amerikaanse artsenorganisatie, de American Medical Association, lijkt zich in 2002 schoorvoetend gewonnen te geven aan het orthomoleculaire standpunt dat iedereen dagelijks een multi-vitaminen-mineralen preparaat zou moeten slikken. In de uitgave van deze hoogst gerespecteerde, maar in medisch opzicht als conservatief bekend staande organisatie verscheen een tweetal artikelen hierover. CBS News meldde op 24 juni: 'Na twintig jaar heeft de Journal of the American Medical Association (JAMA) haar beleid volledig omgedraaid en beveelt nu alle volwassenen aan om tenminste één multivitamine per dag te nemen. (...) De nieuwe richtlijn zal artsen en specialisten aanmoedigen met hun patiënten te spreken over het innemen van vitamines.' Met dank aan de 'kwakzalvers'.
Men hoeft niet te denken dat er vervolgens erkenning volgt van de waarde van orthomoleculaire behandelingsmethoden. Men neemt stilzwijgend over wat niet meer te ontkennen valt en blijft de pioniers ervan op afstand houden. Vóór alles gaat het om de handhaving van het medisch monopolie. In de woorden van Piet Borst, oud-directeur van de Nederlandse Kankerbestrijding: 'De hedendaagse geneeskunde is pragmatisch en opportunistisch genoeg om alles wat echt werkt geruisloos te absorberen' (www.kanker-aktueel.nl). Let op het veelbetekenende woord 'geruisloos'!
Op de lange duur zullen de farmaceutische bedrijven reageren met de gezien hun macht ongetwijfeld kansrijke poging om de complete markt voor vitamine-achtige stoffen over te nemen. Net zoals nu al commerciële aanbieders de pioniersorganisaties op orthomoleculair gebied overwoekeren.
'normale' geneeskunde
De berichtgeving over excessen onder 'alternatieve genezers' leidt de aandacht af van de schade, veroorzaakt door zogenaamd normale behandelingsmethoden. Deze vertrouwen op de laaggedoseerde gifstoffen die we medicijnen noemen en die 'lichaamsvreemd' zijn. Zij blokkeren doorgaans het vermogen van het lichaam om ons een minimum aan gezondheid te garanderen.
Het uitermate complexe en ingenieuze systeem dat ons lichaam is, kan vergeleken worden met de ook al zo complexe en ingenieuze natuur. In feite is ons lichaam een onderdeel van de natuur. Zoals ook het belasten van de natuur met stoffen die er niet thuishoren ecologische schade veroorzaakt, hebben medicijnen in ons lichaam schadelijke effecten. Deze bijwerkingen betekenen een ondermijning van de gezondheid en zijn in veel gevallen dodelijk. Zo berichtte JAMA dat in 1994 in de Verenigde Staten 2.216.000 ziekenhuispatiënten met ernstige bijwerkingen als gevolg van medicijngebruik werden geregistreerd. Daarvan overleden in totaal 106.000 mensen. Het gerenommeerde medische tijdschrift meldde verder dat jaarlijks 80.000 mensen overlijden als gevolg van een ziekenhuisinfectie, 27.000 door medische fouten en 12.000 door een onnodige operatie. In Nederland worden naar schatting 130.000 mensen per jaar in ziekenhuizen opgenomen als gevolg van bijwerkingen van medicijnen (Medisch Contact, 26 april 2002). Na hartinfarcten, beroertes en kanker is medicijngebruik daarmee in de westerse wereld uitgegroeid tot de vierde doodsoorzaak. Maar een enkel sterfgeval onder 'alternatieve' behandelaars wekt nog altijd meer opschudding dan het massale sterven aan 'reguliere' behandelingen.
De door orthomoleculaire artsen voorgeschreven 'lichaamseigen' stoffen hebben doorgaans géén bijwerkingen. Als ze wel optreden, komt dat in de meeste gevallen door het negeren van doseringsvoorschriften of door interactie met reguliere medicijnen. Geen van beide hebben iets met de middelen zelf te maken: ze blijken telkens weer opvallend veilig te zijn.
bijvoorbeeld vitamine C
Onder meer uit een onderzoek van de Stichting Orthomoleculaire Educatie (SOE) uit 1995 - directeur is 'kwakzalver Ruud Nieuwenhuis' - alsmede uit een niet openbaar gemaakt onderzoek van TNO van een jaar later is gebleken dat vrijwel de gehele Nederlandse bevolking een tekort aan elementaire voedingsstoffen heeft. Onder sommige groepen, zoals zwangere vrouwen, zijn de tekorten nog veel groter. Het orthomoleculaire advies is dan ook om dagelijks, bovenop een gezonde basisvoeding, een multi-vitaminen-mineralen preparaat te slikken. Men doet dat preventief om permanent de lichaamscellen met de juiste stoffen te voeden en daarmee tekorten vóór te zijn. Eenmaal ontstane tekorten kunnen worden gecorrigeerd en eventuele ziekteverschijnselen die uit die tekorten voortvloeien, kunnen ermee te lijf worden gegaan.
Het daaropvolgende advies luidt meestal om daarnaast extra vitamine C te slikken, omdat deze van alle micronutriënten de belangrijkste is. Vitamine C is de meest multifunctionele onder deze stoffen en kan ook bij eenmaal ontstane ernstige aandoeningen worden ingezet. Onderzoek heeft uitgewezen dat deze vitamine onder meer het afweersysteem versterkt, wondheling versnelt en een beschermend effect heeft tegen het ontstaan van verschillende soorten kanker en andere aandoeningen zoals staar.
De benodigde hoeveelheden verschillen per persoon, maar verschillen vooral naar de mate van gezondheid. De officieel aanbevolen hoeveelheid bedraagt slechts 70 milligram. Iemand met een redelijke of goede gezondheid wordt daarentegen door de orthomoleculairen tussen de 1 en 3 gram per dag aanbevolen. Mensen met kanker in een vergevorderd stadium krijgen van hen soms grote hoeveelheden voorgeschreven, tot wel honderd gram of meer, die per infuus worden toegediend.
Bij het slikken van grote hoeveelheden treedt geen gezondheidsschade op, omdat vitamine C wateroplosbaar is en overbodige hoeveelheden langs natuurlijke weg het lichaam verlaten. Zoals men dat zo netjes uitdrukt: men kan het slikken tot darmtolerantie. Hoe zieker men is, hoe langer het duurt voor dat punt bereikt is.
Vitamine C speelt ook een belangrijke rol bij het voorkomen van hart- en vaatziekten.
In ons lichaam loopt een bloedvatenstelsel van bijna 100.000 kilometer. Overal kunnen verstoppingen optreden als gevolg van vernauwde bloedvaten door aangekoekte stoffen, waaronder cholesterol. Maar wij maken ons doorgaans geen zorgen over een verstopping in de grote teen, maar wel in vitale lichaamsorganen, in het bijzonder het hart. Van een aantal micronutriënten is vastgesteld dat ze essentieel zijn om het functioneren van dit orgaan te bevorderen en afwijkingen te corrigeren. Daaronder vallen onder meer bèta-caroteen, vitamine E, het mineraal magnesium en de aminozuren lysine en proline. Maar ook vitamine C is van groot belang: deze levert een onmisbare bijdrage aan stevige, tegen verkalking beschermde bloedvaten.
Anders dan de meeste dieren, maakt de mens niet zelf vitamine C aan en moet dat dus uit de voeding, zoals groente en fruit, halen. Krijgen we dat helemaal niet binnen, dan overkomt ons hetzelfde lot als de zeelui: we gaan dood omdat onze aderen scheuren. Die situatie van scheurbuik doet zich hier niet voor, maar wel de zogeheten 'subklinische scheurbuik'. Door allerlei factoren, in het bijzonder door onvolwaardig voedsel, kan er een relatief tekort ontstaan. Dit wordt in de loop van vele jaren opgebouwd en bij een ernstig tekort neemt het risico op aandoeningen aan de bloedvaten sterk toe. Dan krijgen we als het ware een voorstadium van scheurbuik, bijvoorbeeld in de vorm van een hartinfarct.
Een niet-menselijk dier heeft het op dit punt makkelijk. Zo'n dier met een met dat van de mens vergelijkbaar lichaamsgewicht produceert duizenden milligram vitamine C per dag. Onderzoekers menen dat het onvermogen van de mens om dit te doen is ontstaan als gevolg van een genetische afwijking die ongeveer 25 miljoen jaar geleden is ontstaan. Op grond hiervan ontwikkelde de biochemicus Irwin Stone in de jaren zestig een theorie dat mensen nog steeds grote hoeveelheden vitamine C nodig hebben. In de jaren negentig kwam de Duitse arts en wetenschapper Matthias Rath - volgens de kranten een 'mysterieuze vitamineprofessor' en volgens orakel Renckens een 'zogenaamde wetenschapper met paranoïde inslag' - met een boek waarin hij de koppeling legde tussen de evolutietheorie en hart- en vaatziekten. Het heette "Waarom dieren geen hartinfarct krijgen maar mensen wel".
Rath laat daarbij zien hoezeer verhoogd cholesterol een ondergeschikte risicofactor is, terwijl dit in de reguliere geneeskunde als fundamenteel wordt gezien. Cholesterol is echter een doodnormale, voor het lichaam zelfs onmisbare stof die door de lever wordt aangemaakt. Een te hoog gehalte aan cholesterol is alleen dan gevaarlijk als er reeds beschadiging van de bloedvaten is ontstaan. Anders gezegd: het is een 'symptoom', terwijl de oorzaak elders ligt. Cholesterol vormt namelijk een zelfreparatiemechanisme van het lichaam om de minuscule scheurtjes die in de loop der jaren in de bloedvaten ontstaan, te dichten. De reguliere geneeskunde probeert dus een stof terug te dringen van plaatsen waar deze uit zichzelf nooit naar toe zou gaan, tenzij de bloedvaten beschadigd zijn. En in het laatste ligt de oorzaak.
Men zie de beren die ter winterslaap gaan: zij vreten zich vóór die tijd te barsten en verhogen hun cholesterolniveau gigantisch, maar leven na verdiende rust vrolijk verder. Geen beer die cholesterolverlagers hoeft te slikken; andere dieren trouwens ook niet. Vitamine C levert de verklaring: deze stof heeft het vermogen om de bloedvatwanden stevig te houden en doorbloedingsstoornissen te voorkomen. Aankoeking van cholesterol aan de (slag)aderwanden wordt door vitamine C tegengegaan.
Intussen wordt het voorschrijvingsbeleid gebaseerd op de verkeerde veronderstellingen rond cholesterol. Terwijl extra vitamine C kan bijdragen aan een aanpak van het werkelijke probleem maar nog altijd weinig steun vindt, wordt de halve wereld overspoeld met cholesterolremmers om de symptomen te lijf te gaan. Deze middelen zijn niet zonder risico (van een aantal is bij dieren vastgesteld dat ze kankerverwekkend zijn), maar bedienen een zeer lucratieve afzetmarkt.
Het voert te ver om deze redenering van Rath - die het onderzoekswerk van de eerder genoemde Linus Pauling voortzet - hier nauwgezet te volgen. Diens 'cellulaire geneeskunde', die sterk verwant is aan de orthomoleculaire geneeskunde, bereikt intussen al miljoenen mensen overal ter wereld. Hij kan zich baseren op eigen onderzoeksresultaten van zijn medisch team, maar overal elders komen al sinds vele jaren onderzoeken los die overeenstemmen met zijn inzichten. Deze onderzoeken tonen aan dat hart- en vaatziekten het gevolg zijn van een chronisch tekort aan essentiële voedingsstoffen en dat het mogelijk is om met hooggedoseerde suppletie verstopping van de aderen te voorkomen en zelfs terug te draaien. Dit laatste opent voor de toekomst de mogelijkheid om het grootste deel van de hart- en vaatziekten te genezen. Wie regelmatig grasduint in medische of voedingstijdschriften, ziet dat onderzoek deze mogelijkheid bevestigt.
Zoals gezegd is vitamine C niet de enige in te zetten stof ter preventie en behandeling van hart- en vaatziekten. Enkele van de stoffen die bij een 'vitaminetherapie' een rol spelen, blijken intussen ook de direct betrokken beroepsgroep van cardiologen niet onberoerd te laten. Veelzeggend is dan ook een bericht uit 1999, afkomstig van de website van TNO Voeding. Daar wordt verwezen naar de bevindingen van een onderzoek onder Amerikaanse cardiologen, zoals gepubliceerd in American Journal of Cardiology van 1997. Het gezaghebbende Nederlandse instituut introduceerde de betekenis van dit onderzoek met de volgende bewoordingen: 'Er komen steeds meer aanwijzingen dat (...) met name vitamine E, vitamine C en bèta-caroteen bescherming kunnen bieden tegen hart- en vaatziekten. Voor zichzelf trekt bijna de helft van de cardiologen hieruit de conclusie dat het wenselijk is deze vitamines preventief te gebruiken.' Zijn deze cardiologen ook 'kwakzalvers'?
Waar het medische establishment uit machtsoverwegingen doorgaat met het boycotten van deze inzichten, bedreigt het permanent de levens van miljoenen mensen. We hoeven ons geen illusies te maken over de mogelijkheid dat de farmaceutische mafia tot inkeer komt. Haar zaakwaarnemers zullen ook niet snel in beweging komen. Van de vele artsen die zich bekommeren om de gezondheid van hun patiënten valt te hopen dat ze zich onttrekken aan deze perfide invloeden. Maar wat men in elk geval mag verwachten is dat kritische bladen dat doen door zich te baseren op feiten en niet op eenzijdige propaganda. Dat geldt ook voor Kleintje Muurkrant.
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 373, 15 november 2002