Terug naar hoofdinhoud
  • Archivaris
  • 391

Leve het getob en gepieker

Op 20 maart 1995 lieten vijf leden van Aum Shinrikyo tijdens de ochtendspits sarin vrij in drie metro's in Tokyo. Twaalf mensen stierven door het zenuwgas, vijfduizend raakten (soms zeer ernstig) gewond. De leider van Aum, Shoko Asahara, werd eerder dit jaar tot de doodstraf veroordeeld.

door Karin Spaink

Het ergerde Haruki Murakami, een geweldig romanschrijver die ooit de Nobelprijs voor de literatuur zal winnen, dat er veel over de sekte werd geschreven en weinig over de slachtoffers. Wat hebben zij die dag - en de jaren erna - gedacht, gevoeld, meegemaakt? Zijn ze wraakzuchtig? Zijn ze bang geworden voor de metro? Hoe werkt de aanslag op hun leven door? Hij traceerde zestig mensen die de aanslag hebben meegemaakt en sprak uitgebreid met hen. Daarna ondernam hij een tweede queeste: een serie interviews met leden van Aum Shinrikyo. Een selectie van beide series is gebundeld in het boek "Underground".
Uit het boek rijst een verbluffend en onrustbarend beeld op: de slachtoffers lijken op de sekteleden. Anders gezegd: de Aumleden zijn niet de verblinde lieden waarvoor we sekte-aanhangers gewoonlijk verslijten, niet de fanatici de we met terroristische groeperingen associëren. De slachtoffers zijn gewone mensen die elke dag naar hun werk gaan, daar braaf doen wat van hen wordt verwacht, zich afvragen of lange dagen op kantoor maken nu alles is, die sterk aan gezin en vrienden hangen en die zouden willen dat het leven meer te bieden had. De sekteleden waren wellicht op voorhand meer Einzelgängers dan hun slachtoffers en hadden een iets sterker gevoel van maatschappelijke ontheemding. In Aum vonden ze een gezin, een hechte familie, en een dagelijkse routine. Ze kwamen er omdat ze de wereld (en zichzelf) wilden verbeteren, ze hadden de oprechte wens goed te doen. En ze deden braaf wat er van hen werd verwacht. Eindeloos brood bakken voor de sektegemeenschap, boeken binden of buizen lassen.
Ergens rond 1991 veranderde Aum, vertellen ze. Het werd harder. Maar ondertussen hadden de leden - waarvan veel ingetreden waren en als monniken leefden - zoveel in Aum geïnvesteerd en zoveel buitenwereld opgegeven dat ze er niet meer uit durfden of konden. Sterker: het besef dat je weg kon was verdwenen, hoewel het onbehagen groeide. Hetzelfde onbehagen waarvan de slachtoffers, hoewel iets minder geprononceerd, verhalen: dat hun werk een sleur was, dat ze afgebuffeld werden, dat de wereld een kant op ging die ze niet prettig vonden zonder dat ze het idee hadden dat ze dat konden stoppen, of zelfs maar remmen.
In het midden van zijn interviewboek, als een scharnier tussen slachtoffers en sekteleden, tracht Murakami in een essay te achterhalen wat de essentiële vragen zijn die het ontstaan van een terroristische sekte als Aum oproept (en wellicht kun je voor 'Aum' ook andere terroristische sektes invullen, zoals Al Qa'ida). Hij laat daarin zien dat er geen sprake kan zijn van een eenvoudige tegenstelling tussen 'wij', de normale, de goede mensen, en 'zij': de slechteriken, de gekken. Er bestaat geen hersenspoeling door een leider. Er bestaan wel mensen die hun eigen ik graag uitleveren aan een ander, die zichzelf met graagte laten herschrijven door een dwingend verhaal. Wat Aum deed was vragen uitroeien, ambivalenties en incongruenties met abstracte logica gladstrijken. Aums ijzeren rationaliteit maakte haar gevaarlijk. Het is juist het dagelijkse getob dat de metroreizigers menselijk hield en ons aan de banale realiteit kleeft.

(geschreven door Karin Spaink en door 't Kleintje overgenomen uit Het Parool van 4 mei 2004. Zie www.spaink.net)

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 391, 14 mei 2004