Terug naar hoofdinhoud
  • Archivaris
  • 354

Het Revisionistisch Zionisme (deel 2: Likud)

In het vorige Kleintje beschreef Peter Edel hoe de revisionistische zionisten zich voor de Tweede Wereldoorlog van de World Zionist Organisation afscheidden. In dit artikel geeft Edel een indruk hoe deze splitsing na de oorlog zijn vertaling heeft gekregen in de Israëlische politiek.

door Peter Edel

Nadat op 14 mei 1948 de staat Israël eenmaal was uitgeroepen, werd David Ben Goerion de eerste premier van de joodse staat. Dit was een logisch vervolg op de situatie die eerder in Palestina had geheerst. Toen had Ben Goerion de leiding over de 'Jewish Agency', een instelling die min of meer als joodse regering in Palestina functioneerde, toen dit land nog onder Brits bestuur viel. Nadat Israël eenmaal een feit was, verzamelden de revisionistische zionisten zich in verschillende rechtse partijen, zoals de 'Herut' partij van Menachem Begin. De revisionisten kenden in die jaren nog geen stem van betekenis in de Israëlische politiek. Veel Israëliërs die in de jaren dertig nog in Europa verbleven, konden zich nog goed herinneren hoe Jabotinsky's 'Betarim' zich in de vooroorlogse periode met veel uiterlijk vertoon als joodse tegenhangers van de nazi's hadden gemanifesteerd. Daarnaast waren Israëliërs, die in de jaren dertig al in Palestina woonden, nog niet vergeten hoe de revisionistische zionist Abba Achimeir destijds Mussolini en Hitler bewonderde. Dat het zo lang heeft geduurd voordat de revisionistische zionisten iets te zeggen kregen in de Israëlische politiek, werd verder echter vooral veroorzaakt door de beslissing van de seculiere Ashkenazische elite om de kant van de Arbeiderspartij te kiezen. En het zijn nu juist de niet-godsdienstige Ashkenaziem die het in economisch opzicht doorgaans voor het zeggen hebben gehad in Israël, dat geldt tot op de dag van vandaag. Zij beschikken, in tegenstelling tot de oriëntaalse Sefardim, over verreweg het meeste kapitaal in de joodse staat. De 'linkse' Arbeiderspartij geldt dan ook traditioneel als de partij van de Israëlische elite, terwijl de aanhang van het rechtse Likud blok vooral bestaat uit 'outsiders', dat wil zeggen: de Sefardim, de religieuze joden en de Israëliërs met lage inkomens.

Begin's 'Putsch'
De aanvankelijk beperkte rol van de revisionistische zionisten binnen de Israëlische politiek betekende niet dat de aanhang van Begin geen felle oppositie tegen de Arbeiderspartij van Ben Goerion voerde. Toen de Israëlische regering begin jaren vijftig begon te onderhandelen met West-Duitsland over herstelbetalingen, reageerde Begin des duivels. Hij vond dat het politieke establishment zich onder aanvoering van Ben Goerion's Arbeiderpartij liet afkopen door de Duitsers. Begin vond dat de socialistische zionisten er in de eerste plaats op uit waren om hun eigen economische situatie te verbeteren, zoals zij dat naar zijn zeggen ook in de jaren dertig hadden gedaan aan de hand van het 'Ha'avara Abkommen' (1).
Niets ging Begin te ver om zijn afschuw over de politiek van de 'Mapai' (de door Ben Goerion opgerichte partij die deel uitmaakte van de Arbeiderspartij) te beschrijven. Hij noemde Ben Goerion en de zijnen een stel nazi's en vergeleek de onderhandelingen tussen Israël en de Bondsrepubliek met de holocaust. Op posters van de Herut partij viel destijds het volgende te lezen: "The bones of our martyred parents-to the Mapai-Nazi Blood Market." (2)
Begin riep tegenstanders van de Duitse herstelbetalingen op tot protestdemonstraties, met een aantal felle confrontaties met de Israëlische oproerpolitie als gevolg. Het revisionistische protest tegen Ben Goerion en zijn aanhang had zo nu en dan zelfs veel weg van een poging tot staatsgreep. In zijn dagboek beschreef Ben Goerion de onderneming van Begin dan ook als een 'putsch'. Vooral toen een groep revisionistische demonstranten een opmars maakte naar het gebouw van de Knesset, waar op dat moment werd gediscussieerd over verdere onderhandelingen met de Bondsrepubliek, begon het erop te lijken dat de revisionistische zionisten de macht voor zich op wilden eisen in Israël. (3) Tegelijkertijd ondernam de aanhang van Begin in Europa pogingen om een einde te maken aan de onderhandelingen met de West-Duitse bondskanselier Konrad Adenauer, door hem een bompakket te sturen. Adenauer werd niet getroffen door deze aanslag, omdat diens veiligheidsagenten het pakje niet vertrouwden. Eén van hen werd echter gedood bij het openmaken ervan (4).
Uiteindelijk liep het protest van Begin op niets uit, omdat hij er niet in slaagde een politieke vuist te maken. Toen bekend werd gemaakt dat Israël in de jaren vijftig ook nog eens was begonnen met de leverantie van wapens aan West-Duitsland, dreef dit Begin bijna tot waanzin. Maar ondanks zijn luide protesten, kon hij ook aan dit besluit van Ben Goerion (dat zorgvuldig geheim was gehouden voor de Knesset) niets veranderen. Een jaar nadat de Israëlische regering tot definitieve afspraken met West-Duitsland was gekomen, deed zich in Israël echter een situatie voor die uiteindelijke een grotere politieke invloed voor de revisionisten met zich mee zou brengen.

Het Kasztner-proces
Aanleiding tot die situatie was het proces rond de Hongaarse zionistenleider Reszo Kasztner, die aan het einde van de Tweede Wereldoorlog onderhandelde met de nazi-moordenaar Adolf Eichmann. Kastzner deed de toezegging aan Eichmann dat hij zich in zou zetten voor een ordelijk verloop van de deportaties naar de vernietigingskampen, als hij in ruil daarvoor zo'n 1600 zionistische jongeren naar Palestina kon laten ontkomen (5).
Na de oorlog emigreerde Kasztner naar Palestina, om zich daar al snel op te werken binnen de hiërarchie van Ben Goerion's 'Mapai' fractie; hij stond zelfs op de nominatie om lid van de Knesset te worden. Andere Hongaarse joden waren zijn handelen tijdens de oorlogsjaren echter niet vergeten, met als gevolg het geruchtmakende Kasztner-proces van 1953. De Mapai fractie kreeg het naar aanleiding van dit proces zwaar te verduren, want de revisionistische zionisten wezen nadrukkelijk op de banden tussen Kasztner en Mapai. Onder invloed van de revisionistische beschuldigingen groeide bij menig Israëliër de indruk dat Kasztner's oorlogsverleden representatief was voor de opstelling van de linkse zionisten tijdens het nazi-regime. Onderwerpen als het 'Ha'avara Abkommen' en de weigering van de WZO om aan de antinaziboycot van 1933 deel te nemen, vormden daarbij belangrijke munitie van de revisionisten.
Het Kasztner proces kwam voor Mapai op een zeer ongelegen tijdstip, aangezien de Israëlische verkiezingen voor de deur stonden. In een poging de schade te beperken gaf de toenmalige Israëlische premier, Moshe Sharett, opdracht aan de Mossad om naar materiaal te zoeken waarmee de revisionisten tegenvuur kon worden geboden. Mossad-chef Isser Harel ontdekte vervolgens dat de revisionistische 'Stern Gang' tijdens de oorlog tot onderhandelingen met zowel de nazi's in Duitsland, als de fascisten in Italië, had willen komen. Op voorstel van Harel zorgde Sharett er vervolgens voor dat het oorlogsverleden van de Stern Gang in de Israëlische krant Davar terecht kwam (6). Dat deze manoeuvre van Sharett en Harel niet het gewenste resultaat had, bleek met de verkiezingen in Israël van 26 juli 1955. Daarbij moest de socialistische Mapai partij een stevige veer laten; in totaal verloor deze partij vijf zetels binnen de Knesset. En dat terwijl de Herut partij een behoorlijke winst uit de Kasztner affaire wist te slaan: tot zijn vreugde zag Begin dat het aantal zetels van zijn partij bijna verdubbeld was geraakt.

Qibya
Onderhandelingen met Duitsers waren voor de revisionisten in de prille joodse staat dus volstrekt onbespreekbaar. In dit opzicht waren zij trouwe volgelingen van Wladimir Jabotinsky, die zich, zoals in het vorige Kleintje werd beschreven, al in de jaren dertig verzette tegen de beslissing van de socialisten binnen de 'World Zionist Organisation' om een deal met nazi-Duitsland aan te gaan. Daarnaast bleven de revisionisten vasthouden aan de opvatting van Jabotinsky over het streven naar een groot Israël, waarbij de Palestijnen zo hard mogelijk aangepakt dienden te worden. Revisionistische zionisten waren dan ook ruim vertegenwoordigd in de joodse milities, die voor het uitroepen van de joodse staat aanslagen op Arabische doelen pleegden, terwijl zij ook later nauw betrokken bleven bij het geweld tegen Palestijnen.
In 1953 deed een Israëlische eenheid van parachutisten, onder bevel van Ariel Sharon, een aanval op het dorp Qibya in Jordanië. Aanleiding vormde de moord op een vrouw en twee kinderen in een Israëlisch nederzetting nabij de Jordaanse grens. De regering van Jordanië deed de toezegging om de moordenaars op te sporen en te vervolgen, maar dit was voor de toen 25-jarige Sharon bij lange na niet voldoende. Dat er geen enkele reden was om de inwoners van Qibya met de moord in verband te brengen, kon hem niet schelen: hij wilde bloed zien. Twee uur nadat Sharon en zijn mannen klaar waren in Qibya, arriveerde daar een groep waarnemers van de VN. De beschrijving van wat zij aantroffen is zonder meer schokkend: "Bullet-riddled bodies near the doorways and multiple bullet hits on the doors of the demolished houses indicated that the inhabitants had been forced to remain inside until their homes were blown up over them... Witnesses were uniform in describing their experiences as a night of horror, during which Israeli soldiers moved abait in their village blowing up buildings, firing into doorways and windows with automatic weapons and throwing handgrenades." (7)
Het bloedbad van Qibya, waarbij 70 Arabieren (waaronder veel vrouwen en kinderen) de dood vonden, leidde tot een vrijwel algemene verontwaardiging in de internationale media. Daarbij werden zelfs vergelijkingen gemaakt met de slachtpartij die de nazi's in het Tsjechische Lidice begingen. Niet vreemd dus dat de Israëlische regering behoorlijk in de maag zat met de gebeurtenissen. Vooral de betrokkenheid van Israëlische militairen lag daar erg gevoelig. Op 19 oktober 1953 legde Ben Goerion echter een verklaring af waarin hij ontkende dat Israëlische soldaten in Qibya actief waren geweest. In plaats daarvan legde hij de volledige verantwoordelijkheid bij de kolonisten van de Israëlische grensnederzetting in de nabijheid van de Jordaanse grens (8). Ondertussen is de aanval op Qibya echter officieel de militaire geschiedenis van de joodse staat ingegaan als één van belangrijkste prestaties van de Israëlische paratroepen (9).

Begin en de oorlog in Libanon
Naar aanleiding van de controverse rond Kasztner begonnen de revisionistische zionisten in politiek opzicht meer betekenis te krijgen. Het zou echter tot 1977 duren voordat verschillende revisionistische partijen, die zich ondertussen in het Likud-blok hadden verzameld, in de persoon van Menachem Begin een premier konden leveren. Hij is de geschiedenis ingegaan als de Israëlische leider die vrede met Egypte heeft gesloten, maar tevens als degene die de oorlog in Libanon begonnen.
Officieel was het de bedoeling van operatie 'Peace for Galilee' om de PLO uit Zuid-Libanon te verdrijven, maar in werkelijkheid draaide het voor een groot gedeelte om handel. De oorlog die Israëliërs in Libanon vochten is dan ook wel vergeleken met de handelsoorlogen in de zeventiende en achttiende eeuw (10). Libanon is voor Israël niet alleen van belang als doorvoerland naar andere Arabische landen, maar ook als afzetgebied voor producten van de joodse staat. Israël heeft haar noordelijke buurland vaak gebruikt voor het dumpen van agrarische overproductie. Verder regelde de Israëlische regering destijds dat Libanon als afzetgebied ter beschikking kwam te staan voor agrarische producten uit Zuid-Afrika. Vanwege de economische boycot die destijds tegen dit land van kracht was, werden Zuid-Afrikaanse producten door geen ander land gekocht, waardoor men daar met een gigantisch overschot kwam te zitten. Door alsnog in Libanon voor een afzetgebied te zorgen, was Israël het apartheidsregime van Zuid Afrika weer eens van dienst (11).
Om de export van Israëlische groenten naar Libanon te stimuleren, vaardigde Israël naar aanleiding van de bezetting van Libanon een aantal speciale wetten uit. Eén van die wetten bepaalde dat Libanese boeren hun producten niet meer na 11.00 uur 's ochtends mochten verkopen. Een andere wet luidde dat Libanezen hun producten slechts mochten verkopen, als de Israëlische al uitverkocht waren. Met de invoering van dergelijke wetten in het achterhoofd, is het niet verwonderlijk dat zich in de bezette gebieden van Libanon verzet ten aanzien van Israël ontwikkelde, dat al snel de vorm kreeg van een guerrillastrijd (12). Israëlische propagandisten geven er de voorkeur aan om dit 'terrorisme' met 'de eeuwige jodenhaat' in verband te brengen. Natuurlijk zijn veel van de aanslagen in dit verband het werk van moslim fundamentalisten, die een religieuze haat jegens Israëliërs koesteren. Als zodanig komt het anti-Israëlische geweld uit Libanon doorgaans dan ook in de pers terecht. Dat de aanslagen vanuit Libanon daarnaast voor een belangrijk deel zijn voortgekomen uit de commerciële greep die de joodse staat op dit land wist te verwerven, kan echter vrijwel nooit in de westerse media worden aangetroffen.
Door operatie 'Peace for Galilee' was Israël in staat om de grenzen met Libanon (zowel als die tussen het zogenaamde 'veiligheidsgebied' en Libanon) te controleren. Daardoor werd het onmogelijk om producten uit Libanon ongemerkt naar Israël te transporteren, terwijl tot het omgekeerde alle mogelijkheden open bleven. Autoriteiten in Libanon hadden wat dit betreft niets te vertellen. Er is één Libanese politicus geweest die het ooit gewaagd heeft om aan Israël voor te stellen douaneposten in te stellen bij deze grenzen, waardoor ook de Israëlische export naar Libanon gecontroleerd kon worden. Deze Bashir Jumail werd begin jaren tachtig tot president van Libanon verkozen. Maar dit ambt heeft de man nooit kunnen bekleden, want hij werd slachtoffer van een moordaanslag, kort nadat hij zijn ideeën kenbaar had gemaakt aan premier Begin (13).

Sabra en Shatila
In Libanon kwam het tot oorlogsmisdaden tegen de Palestijnen die hun weerga niet kenden. Een dieptepunt daarbij werd gevormd door de gebeurtenissen in Sabra en Shatila. Aanleiding tot deze massaslachting was de samenwerking tussen het Israëlische leger en de christelijke Falangisten in Libanon, die wat betreft hun haat ten aanzien van Palestijnen, konden wedijveren met de meest fanatieke zionistische 'hardliners'. Van dat gegeven was de toenmalige minister van defensie Ariel Sharon, zeer goed op de hoogte, toen hij de Falangas toestemming gaf om zich uit te leven in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila.
Op donderdag 16 september 1982 omsingelden Israëlische strijdkrachten Sabra en Shatila, zodat er niemand meer in of uit kon. Vervolgens arriveerden er vrachtwagens met Falangisten die, terwijl de Israëlische soldaten toekeken, grof aan het moorden sloegen. Drie dagen later waren er ongeveer 2000 Palestijnen vermoord, waaronder veel vrouwen en kinderen (14). Over het exacte aantal slachtoffers bestaat onduidelijkheid, omdat de meeste doden direct in massagraven werden geworpen. De laatste avond van de moordpartij, vond een ontmoeting plaats tussen de Falangistische troepen en de Israëlische militaire chef Rafi Eithan (ooit een van de ontvoerders van Adolf Eichmann). Hij deelde complimenten uit omdat er volgens hem 'goed werk' was verricht in Sabra en Shatila. Eithan bood de Falangisten uit dankbaarheid zelfs een Israëlische bulldozer aan (waarvan de Israëlische kenmerken waren verwijderd) om het verwerken van de vele dode lichamen eenvoudiger te maken (15).
De internationale verontwaardiging naar aanleiding van de gebeurtenissen in Sabra en Shatila was niet gering. Evenals bijna dertig jaar eerder bij het bloedbad van Qibya, werden er nu ook vergelijkingen gemaakt met jodenvervolgingen uit de Tweede Wereldoorlog. Zo heeft de Amerikaanse linguïst en publicist Noam Chomsky de moordpartij in Sabra en Shatila vergeleken met de bloedige pogrom uit 1903 in het Russische Kishinev, naar aanleiding waarvan veel joden besloten om Rusland te ontvluchten (16).
Kritiek was er dit keer niet alleen in het buitenland, maar ook in Israël zelf. Ariel Sharon moest voor een overheidscommissie verantwoording afleggen omdat het bloedbad in Sabra en Shatila onder zijn verantwoordelijkheid had plaatsgevonden. Sharon bleef lang volhouden dat hij onschuldig was, omdat de misdaden feitelijk niet door het Israëlische leger waren begaan. Hij ging er daarbij echter aan voorbij dat de moordpartij was begaan door groeperingen in Libanon, waarmee het Israëlische leger nauw samenwerkte in de Libanese oorlog. Bovendien hadden Israëlische soldaten bij de slachtpartij op de uitkijk gestaan. Daarmee werd alles bij elkaar sterk de indruk gewekt dat de militaire leiders van de joodse staat ervoor hadden gekozen om het smerige werk door de Falangisten uit te laten voeren, zodat zij hun handen in onschuld konden wassen. De argumenten van Sharon overtuigden dan ook niet echt. De commissie waar hij voor moest verschijnen, stelde hem verantwoordelijk voor de excessen in Sabra en Shatila, waardoor hij moest aftreden als minister van defensie. Nadat Benjamin Netanyahu tot premier was verkozen, kon Sharon echter weer zonder problemen een ministerspost op zich nemen. En nu heeft hij het dan tot premier geschopt.

noten:
1. Zie "Kanttekeningen bij herdenking deel II(b)", Kleintje Muurkrant 327.
2. "The Seventh Million, the Israelis and the Holocaust", Tom Segev, New York: Hill and Wang, New York, 1993 (pagina 130).
3. idem, pagina 177
4. idem, pagina 178
5. Zie "Kanttekeningen deel II(c)", Kleintje Muurkrant 328
6. zie noot 2, pagina 290.
7. "The Fateful Triangle, The United States, Israel & The Palestinians", Noam Chomsky, Boston: South End Press, 1983 (pagina 383).
8. "Miserabele killer", Ruben Verhasselt, De Brug nummer 39, december 2000.
9. zie noot 7, pagina 383.
10. "Open Secrets", Israel Shahak, Londen: Pluto Press, 1987 (pagina 108).
11. idem, pagina 111.
12. idem, pagina 111.
13. idem, pagina 108.
14. "The Fateful Triangle, The United States, Israel & The Palestinians", Noam Chomsky, Boston: South End Press, 1983
15. idem pagina 365.
16. idem pagina 329.

(Kleintje-lezersters zullen zich wellicht afvragen waarom Peter Edel niet reageert op de kritiek van Peter Zegers, waarvan in dit Kleintje het derde deel is verschenen. De redactie heeft echter besloten om eerst de artikelen van Zegers af te drukken, daarna, vanaf Kleintje nummer 356, zal Peter Edel daarop uitgebreid reageren)

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 354, 9 maart 2001