Deel III: Intermezzo over De Fabel
-
Deel III: Intermezzo over De Fabel
Peter Zegers wekt de indruk dat kritiek op Israël en het zionisme niet thuis hoort binnen het linkse gedachtengoed. Hoewel het mij een raadsel is waarom links denkenden zich afzijdig zouden moeten houden van de onderdrukking van een gehele bevolkingsgroep (inclusief de daaraan verbonden moordpartijen), zijn dergelijke geluiden vaker hoorbaar in Nederland.
door Peter Edel
Want terwijl kritiek op Israël en het zionisme vroeger een hot item was, binnen bijvoorbeeld de CPN, wordt daar nu heel anders over gedacht in links Nederland. Dat bleek tijdens een telefoongesprek dat ik verleden jaar had met GroenLinks-bestuurslid Kees Kalkman. Ik belde hem om te zien hoe de stemming er op dat moment binnen GroenLinks bijstond waar het op Israël aankwam. Dat laatste vroeg ik me mede af omdat GroenLinks eind jaren tachtig nog bereid was om deel te nemen aan de boycotactie tegen het Israëlische nederzettingenbeleid, die destijds op initiatief van medewerkers van het Autonoom Centrum ontstond. Uit het gesprek met Kalkman bleek dat binnen GroenLinks veel veranderd is. Toen ik hem sprak vertelde hij dat Israël en het zionisme naar zijn mening geen onderwerpen waren die door GroenLinks ter discussie gesteld dienden te worden. Ik vroeg hem vervolgens of GroenLinks daarmee niet afweek van het oorspronkelijk gedachtengoed van de CPN. Dat was echter niet het geval volgens Kalkman, want de CPN had zich volgens hem nooit antizionistisch opgesteld. Lichtelijk gefrustreerd belde ik daarop de voormalige CPN ideoloog Ger Harmsen, die hard moest lachen om de uitspraak van Kalkman. Over de periode 1946-1958, waarin hij aan de CPN verbonden was, merkte Harmsen op: "We waren zo antizionistisch als de pest" (1).
Op het moment dat ik Kalkman sprak, had Ariel Sharon zijn beruchte wandelingetje over de Tempelberg nog niet gemaakt en was de tweede Intifada nog niet uitgebroken. Het is mogelijk dat Kalkman door de recente ontwikkelingen in het Midden-Oosten ondertussen tot andere inzichten is gekomen. Het ziet er echter niet naar uit dat er sindsdien veel is veranderd bij GroenLinks. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de website van het "Centrum Informatie en Documentatie Israël" (CIDI), waar ik een verklaring aantrof van Joost Lagendijk, een Europarlementariër van GroenLinks. Lagendijk vindt dat de "terugkeer van miljoenen Palestijnse vluchtelingen niet wenselijk" is. Alleen bij het gebruik van de woorden "niet wenselijk" werd ik al misselijk. Volgens Lagendijk, die samen met andere GroenLinks politici een bezoek aan de Gaza aflegde, moeten de Palestijnen maar fijn in hun vluchtelingenkampen blijven. Volgens Lagendijk zou: "Het karakter van Israël er door veranderen", als de Palestijnen terugkeren naar het grondgebied waar velen van hen geboren zijn. Ik vraag me af: hoe kan het karakter van een staat zo belangrijk zijn, dat een groot deel van de inwoners ervoor op de vlucht moet.
Fabel
Buitenparlementair links in Nederland is in de laatste decennia eveneens in toenemende mate afstand gaan nemen van de kritiek op Israël en het zionisme, die hier vroeger in verschillende actiegroepen leefde. Een goed voorbeeld van de wijze waarop links Nederland tegenwoordig vaak reageert op de duistere kanten van het zionisme, is het artikel "Tussen Antizionisme en Antisemitisme" van Eric Krebbers, dat eind 2000 in het tijdschrift 'De Fabel van de Illegaal' verscheen (2). Krebbers maakt geen enkel onderscheid tussen antizionisme en antisemitisme. De aanslagen op joodse doelen in Europa, die volgden op het uitbreken van de tweede Intifada, acht hij nauw verwant aan traditionele vormen van jodenhaat. Dat het met name de Israëlische politiek is, die tegenwoordig vaak tot antisemitische incidenten in de diaspora leidt, wil Krebbers absoluut niet weten. Voor hem kent het antisemitisme momenteel sowieso een sterke opleving. Zoals hij er over schrijft lijkt het wel of de treinen ieder moment weer richting Polen kunnen vertrekken.
In werkelijkheid is het antisemitisme in de diaspora, sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog, steeds verder afgenomen. Zo ver zelfs dat momenteel van een absoluut laagtepunt gesproken kan worden. Ik wil zeker niet beweren dat er geen malloten meer op deze aardkloot rondlopen met ongezonde ideeën over joden (zoals bijvoorbeeld in Oost Europa), maar het zijn er over het geheel genomen nog nooit zo weinig geweest (3). Bovendien is het tegenwoordig de vraag of achter alle uitingen van antisemitisme ook echte antisemieten schuil gaan. Evenmin is er bij deze incidenten vaak sprake van een goed georganiseerde extreem rechtse structuur. In veel gevallen gaat het om niet meer dan sensatiezucht en "uiterlijk vertoon" (4). Antisemitisme -van wat voor aard dan ook- veroordeel ik overigens ten zeerste. En dan heb ik het tevens over de incidenten naar aanleiding van de Intifada. Het is immers de grootste mogelijke onzin om een jood in Nederland aan te spreken op de daden van de Israëlische regering.
Verder vind ik het verbazingwekkend dat Krebbers in zijn artikel met geen woord heeft geschreven over de antizionistische geluiden binnen de joodse gemeenschap zelf. Om hem hieraan te herinneren besloot ik een reactie naar De Fabel te sturen. Daarin schreef ik onder andere dat er niet alleen voor Palestijnen alle reden is om zich antizionistisch op te stellen, maar ook voor veel joden. Dit illustreerde ik aan de hand van een aantal voorbeelden uit de geschiedenis, waaruit blijkt dat joden in het verleden herhaaldelijk in diskrediet zijn gebracht -of zelfs ronduit vernederd- in het kader van de zionistische ideologie.
Na mijn reactie verstuurd te hebben, hoorde ik vervolgens niets meer. Geen email dat men afzag van publikatie, helemaal niets. Normaal gesproken is een dergelijk berichtje vrij gebruikelijk. Ook de redactie van het Kleintje ziet wel eens af van publikatie, maar men zorgt dan wel dat er met de schrijver van het betreffende artikel nog even contact wordt opgenomen. Zoiets heet fatsoen, maar bij De Fabel kent men dat begrip niet. Overigens ben ik zeker niet de enige met dergelijke klachten, want in de laatste maanden heb ik vastgesteld dat men er bij De Fabel een gebruik van heeft gemaakt om reacties op gepubliceerde artikelen in de vuilnisbak te gooien. Bij De Fabel verkondigt men bij voorkeur het eigen gelijk, waarbij dwarsliggers simpelweg worden genegeerd.
Het had voor de hand gelegen dat mijn reactie op het artikel van Krebbers op een zeker moment in het Kleintje terecht was gekomen. Dit tijdschrift stond echter al vol met de reacties van Zegers op mijn artikelen, die op zich al vrij verwarrend zijn omdat ze met name betrekking hebben op zaken die nooit in het Kleintje hebben gestaan. Als ik daar een kritiek op het artikel van Krebbers bovenop had gegooid, dat evenmin in het Kleintje heeft gestaan, dan had helemaal niemand er nog iets van begrepen; althans daar was ik bang voor. Even dreigde mijn reactie op het artikel van Krebbers daardoor ongepubliceerd te blijven. Gelukkig verklaarde de redactie van het blad 'Buiten de Orde' zich bereid tot publikatie (5). Eerder had dit tijdschrift Krebbers' artikel uit De Fabel overgenomen. Toen in combinatie met mijn artikel over de implicaties van het vredesproces, dat eerder in Kleintje nummer 350 verscheen.
De oorlogsverklaring van Eric Krebbers
Op dat artikel in Buiten de Orde volgde geen reactie van Krebbers. In plaats besloot hij in het zomernummer van De Fabel weer eens ouderwets van leer te trekken tegen mijn artikel Kanttekeningen bij herdenking, zoals dat in 1996 door Ravage gepubliceerd werd. Krebbers koos hier voor een bekende strategie. Hij concentreerde zich zoveel mogelijk op het Ravage-artikel, in de kennelijke hoop dat de toenmalige impact van dit artikel een negatieve reflectie zou hebben op mijn latere artikelen. Eerder koos Ronald Eissens van de 'Magenta Foundation' voor een soortgelijke benadering; er begint zich dus zowaar een vast patroon af te tekenen. Ook in deze 'oorlogsverklaring' van Krebbers in De Fabel dus geen woord over de rode draad in mijn artikelen: het verwerpen van het zionisme als een achterhaalde racistische ideologie en het streven naar de vestiging van een seculiere democratie in Israël. Vreemd toch dat niemand het daar over wil hebben. In plaats daarvan verplaatst Krebbers zich achter zijn eigen dogma dat antizionisten antisemieten zijn, waarmee niet gediscussieerd dient te worden.
Zonder een moment stil te staan bij de strekking van mijn artikelen voor het Kleintje meent Krebbers deze zonder meer als antisemitisch te kunnen verketteren. Zo kort door de bocht kan ik ook. Bijvoorbeeld door er vanuit te gaan dat Krebbers een voorstander is van de zionistische praktijken die ik in Kleintje Muurkrant heb bekritiseerd. Langs die weg geredeneerd geeft Krebbers bijvoorbeeld zijn goedkeuring aan de racistische onderdrukking van Palestijnen en de opbouw van een nucleair vernietigingsarsenaal in Israël. En omdat Krebbers mijn artikel in het Midden-Oosten tijdschrift Soera eveneens onbesproken als antisemitisch terzijde schuift, neem ik aan dat hij zich tevens kan vinden in de godsdienstwaanzin van de 'Haredim' en het bloedgevaarlijke messianisme van de kolonistenorganisatie 'Gush Emunim'. Ook de deals die Israël in het verleden met allerlei fascistische regimes heeft gesloten, zal Krebbers wel een goede zaak vinden. Zoals ik eerder al schreef ga ik hier erg kort door de bocht. Maar wat Krebbers kan, kan ik ook.
Met de beschuldiging van antisemitisme gaat Krebbers erg ver. Verder zelfs dan het CIDI en het openbaar ministerie een paar jaar geleden tijdens het proces naar aanleiding van het artikel in Ravage. Daar ben ik nooit direct van antisemitisme beschuldigd geweest. Dat had men waarschijnlijk wel gewild, maar ook officier Velleman begreep indertijd dat hij dit nooit hard kon maken. Dat Krebbers nu wel met deze beschuldiging komt, betekent dat hij zich op dun ijs heeft begeven. Uiteraard vraagt een dergelijke beschuldiging om een weerwoord. Daarom zal ik een aangepaste versie van dit artikel ter publikatie aanbieden bij De Fabel. Maar ik maak me geen illusies. Aangezien dat tijdschrift ook mijn eerdere reactie naast zich neer heeft gelegd, ligt het voor de hand dat ook nu van publikatie afgezien zal worden.
Om te benadrukken dat het hem menens is, besloot Krebbers zelfs om een aparte brochure aan ondergetekende te wijden. Deze brochure verscheen onlangs in 'De Gebladerte' serie. Hoewel ik natuurlijk zeer vereerd ben, staat hierin feitelijk geen nieuws. Krebbers valt in herhalingen. Wederom moeten we zijn eerder genoemde artikel "Tussen Antizionisme en Antisemitisme" lezen. Verder laat Krebbers alle kritiek op mijn artikel in Ravage van vijf jaar geleden nog eens de revue passeren, waarbij het vrijwel voor zich spreekt dat hij ook niet of nauwelijks stil staat bij mijn latere artikelen. Daarnaast is in deze brochure ook de reactie van de eerder genoemde Ronald Eissens opgenomen, die het zoals ik eerder beschreef ook al vrijwel uitsluitend over "Kanttekeningen bij herdenking" heeft gehad. In deze anti-Edel brochure staan verder de artikelen van Zegers, zoals die recentelijk in het Kleintje hebben gestaan.
Bijzonder is de tekst op de achterzijde van genoemde brochure: "Sommige anti-zionisten gaan zover om te suggereren dat de zionisten de werkelijke nazi's zijn. De Amsterdamse kunstenaar Peter Edel heeft een compleet oeuvre gewijd aan dit soort 'theorieën' en vindt daar een gewillig oor voor, ook in sommige linkse kringen."
Krebbers suggereert hier dat ik zionisten als "de werkelijke nazi's" zou beschouwen. Ik vraag me af waarop hij zich wat dit betreft op baseert, want ik heb iets dergelijks nooit beweerd. Zeker: ik heb beschreven dat er raakvlakken bestaan tussen de ideologieën van het zionisme en het nationaal socialisme (in het bijzonder wat betreft raciale opvattingen). Bovendien vind ik dat het huidige Israëlische beleid ten aanzien van de Palestijnen in veel opzichten doet denken aan de anti-joodse maatregelen die in de jaren dertig door de nazi's ingevoerd werden. Toch legitimeren dergelijke overeenkomsten m.i. geen algehele vergelijking tussen zionisme en nationaal socialisme. Dat laatste om de simpele reden dat zionisten zich, in tegenstelling tot de nazi's, nooit hebben schuldig gemaakt aan massamoord. Althans, niet in die mate dat een vergelijking met de nazi's gerechtvaardigd is. Er bestaat geen twijfel over dat Ariel Sharon opdracht heeft gegeven om complete Palestijnse dorpen uit te moorden, maar dat is toch wat anders dan Auschwitz. Om die reden vind ik het zinloos om te discussiëren over de vraag of het zionisme wel of niet met het nationaal socialisme vergeleken kan worden. Wat ik wel weet is dat het voor alles voorkomen moet worden dat deze vergelijking op een kwade dag wél gerechtvaardigd raakt. Want die dreiging ligt, in een land waar de beveiliging van de nucleaire installaties mede wordt uitgevoerd door een stel godsdienstwaanzinnigen, altijd op de loer. En het is juist onder de ultra-religieuze groeperingen in Israël, waar het inzetten van kernwapens een realistisch gegeven is. Zou deze discussie eigenlijk niet over dat soort bloedgevaarlijke ontwikkelingen moeten gaan?
De zojuist geciteerde passage van Krebbers over "de werkelijke nazi's" kwam me bekend voor, toen ik hem aantrof op de achterzijde van de Gebladerte brochure. Woorden van gelijke strekking stonden in Krebbers' eerder genoemde artikel "Tussen Antizionisme en antisemitisme". Dit was dan ook één van de punten die ik noemde in mijn reactie op het artikel van Krebbers, welke zoals eerder beschreven de vuilnisbak in ging bij de Fabel. Jammer, want hier bleek mijn standpunt over vergelijkingen tussen zionisme en nationaal socialisme reeds eerder: "binnen de kring van antizionisten in de VS en Israël waar ik mee in contact sta zal men een dergelijke onzinnige vergelijking nooit horen." Krebbers wist dus heel goed dat ik een directe vergelijking tussen zionisten en nazi's als onzinnig kwalificeer toen hij besloot om mij in dit verband te beschuldigen. Soms komt het hem wel erg goed uit dat de Fabel weigert om reacties te plaatsen die niet aansluiten bij het eigen gelijk. Zo kan hij zonder tegenspraak van alles en nog wat beweren. Gelukkig heeft 'Buiten de Orde' mijn reactie op zijn artikel wel geplaatst, waardoor ik er hier alsnog aan kan refereren. Dat is in dit geheel niet onbelangrijk, want het zojuist genoemde citaat uit dat artikel toont aan dat Krebbers er geen problemen mee heeft om zijn beschuldigingen te baseren op argumenten waarvan hij zelf weet dat ze niet met de werkelijkheid overeenkomen. Of om het plat te zeggen: Eric Krebbers liegt dat-ie barst.
Banken, de sociaaleconomische factor
Eén van de punten in het Ravage-artikel uit 1996 waar Krebbers bezwaar tegen maakt is mijn conclusie dat joodse bankiers betrokken zijn geweest bij de financiering van het nationaal socialisme. Zoiets is volgens Krebbers zo onvoorstelbaar dat hij mij op basis van alleen dit gegeven al van antisemitisme beticht. Hetzelfde geldt voor Zegers, die in zijn correspondentie met Lenni Brenner, het thema van joodse bankiers talloze malen ter sprake heeft gebracht. Daarom zal ik hier in het kort bij stil staan. Het ziet er niet naar uit dat Krebbers en Zegers de rol van het bankiershuis Warburg gedurende de jaren dertig in hun overwegingen mee hebben genomen. Destijds speelde die bank een cruciale rol bij de samenwerking tussen zionisten en nazi's, die bekend is geworden als het 'Ha'avara Abkommen'. Eerder beschreef ik dat project in de serie "Kanttekeningen deel II". De nazi's stemden in met het Ha'avara Abkommen, niet alleen omdat het tot de emigratie van joden naar Palestina zou leiden, maar ook omdat het bij zou dragen aan de opbouw van de begin jaren dertig nog zwakke economie van nazi-Duitsland. Dat laatste aspect was voor Warburg echter geen reden om van deelname aan dit project af te zien. Dit kan terug gevonden worden in zowel de 'Yad Vashem' studies als de 'Encyclopedia Judaica'. De betrokkenheid van de Warburgs ging in de jaren dertig nog verder, want de Amerikaanse tak van deze familie was nauw betrokken was bij de vertakking die IG Farben in de VS kende. Deze Duitse multinational was niet alleen één van de belangrijkste financiers van de nazi's, maar nam zoals ik eerder beschreven heb ook deel aan het Ha'avara Abkommen.
Verder zal ik niet reageren op alle valse insinuaties en onwaarheden van Krebbers naar aanleiding van het artikel uit Ravage. Ik ben op dat artikel vijf jaar geleden al uitgebreid ingegaan. Bovendien heb ik de wijze waarop dat artikel ontstond ook al verschillende malen beschreven. Ik zie nu geen reden om dat allemaal nogmaals te doen.
Waar ik wel bij stil wil staan is de door Krebbers genoemde reden, waarom mijn eerdere reactie naar aanleiding van zijn artikel, werd geweigerd door de Fabel. Die reden hield verband met de opmerking van mijn kant dat het (klassieke - P.E.) antisemitisme een reactie was op de sociaal/economische positie van joden in de diaspora. Aangezien ik nog niet al te lang geleden uitgebreid ben ingegaan op de sociaal economische factoren achter het ontstaan van het klassieke antisemitisme, zal ik mij hier beperken tot een voorbeeld dat ik nog niet eerder heb genoemd (6).
Dit voorbeeld heeft betrekking op het antisemitische geweld in Rusland aan het einde van de negentiende eeuw. Dat raakte destijds in een stroomversnelling nadat de oorspronkelijk economische positie van veel joden veranderd was geraakt door de opkomst van het kapitalisme en het verval van het feodalisme. Door die ontwikkelingen kwamen er joden in ambachten terecht, die eerder het domein waren van niet-joodse Russen. Toen dergelijke ambachten vervolgens onder vuur kwamen te staan door het oprukken van de industrialisatie, uitte dit zich in anti-joodse gevoelens en een serie bijzonder bloeddorstige pogroms. Hierbij mag niet onopgemerkt blijven dat het geweld tegen joden door de geheime politie van het tsaristische regime werd aangemoedigd. In de politiek instabiele situatie van destijds was de Russische elite als de dood voor een alliantie tussen joodse en niet-joodse arbeiders. Het verder doen escaleren van geweld tegen joden, moest ervoor zorgen dat het daar niet van kwam.
Hoewel de hier beschreven uitbarsting van anti-joods geweld natuurlijk volstrekt verwerpelijk was, kan niet ontkend worden dat sociaal economische aspecten van de joodse gemeenschap er een nadrukkelijke rol bij speelden. Dit mag echter niet tot de gevolgtrekking leiden dat de joden in Rusland schuldig waren aan hun eigen vervolging. Zij hadden immers geen greep op ontwikkelingen als industrialisatie en verval van feodalisme.
Krebbers wil er niets van weten, maar er bestaat geen enkele twijfel over dat de joodse gemeenschap vaak een specifieke sociaal economische positie heeft gekend. Anton Constandse beschrijft in de Grondslagen van het atheïsme hoe joden al tijdens de Babylonische ballingschap in de handelssector betrokken raakten (7). Dat zij hierdoor in confrontaties met andere bevolkingsgroepen belandden, die ook een deel van de economische taart naar zich toe wilden trekken, is uit de aard van de zaak logisch. Het wijzen op dergelijke sociaal economische factoren heeft, in tegenstelling tot wat Krebbers beweert, niets te maken met het rechtvaardigen van antisemitisme. Of zoals Norman Finkelstein het heeft uitgedrukt: "The point, of course, is not that anti-Semitism is justifiable, nor that Jews are to blame for crimes committed against them, but that anti-Semitism develops in a specific historical context with its attendant interplay of interests". (8)
In het volgende Kleintje zal ik onder andere nader ingaan op Zegers' kritiek met betrekking tot mijn contacten met het 'Katholiek Nederlands Persburo'.
noten:
1. Ik heb dezelfde vraag toen ook gesteld aan een vertegenwoordiger van de Socialistische Partij, maar daar had men helemaal geen standpunt over Israël en het zionisme.
2. "Tussen antizionisme en antisemitisme", Eric Krebbers, De Fabel van de Illegaal, nummer 42, nov/dec 2000.
3. Een voorbeeld: volgens de Amerikaanse journalist J.J. Goldberg was 24% van de Amerikaanse bevolking in 1946 nog van mening dat joden een bedreiging voor de VS vormden, terwijl in 1962 nog maar 1% van de Amerikanen die mening was toegedaan. De vraag of joden teveel macht hadden, werd volgens Goldberg in 1946 door 67% van de Amerikanen bevestigend beantwoord. In 1962 was daar nog 17% van over. Deze cijfers zijn sinds de jaren zestig alleen nog maar verder naar beneden gegaan (en er zijn geen redenen om aan te nemen dat het in Europa anders zou liggen). Goldberg beschrijft hoe antisemitisme nog nauwelijks een rol speelt in het leven van Amerikaanse joden en dat zij zich daardoor tot één van de meest succesvolle bevolkingsgroepen in de Amerikaanse samenleving hebben kunnen ontwikkelen. Zie verder "Jewish Power, Inside the American Jewish Establisment", J.J.Goldberg, pagina 117, Addison Wesley, Reading, 1997.
4. Dat bleek onlangs bij de vernieling van grafzerken op joodse begraafplaatsen in Oosterhout. W. Hart van de antifascistische onderzoeksgroep Kafka zag de in verband met de vernielingen genoemde extreem rechtse groep Stormfront "meer als openbare-orde probleem dan een vorm van georganiseerd rechts-extremisme", die niet overschat moet worden. "Ze zijn gericht op symbolen en uiterlijk vertoon" NRC Handelsblad, 15-5-2001
5. Buiten de Orde, eerste kwartaal 2001, jaargang 12.
6. Zie "Definities van antisemitisme", Kleintje Muurkrant nummer 352
7. "Grondslagen van het atheïsme", Anton Constandse, pag. 72 N.H.Luigies & zonen, Rotterdam, 1925.
8. "The Holocaust Industry, Reflections on the Exploitation of Jewish Suffering", Norman G.Finkelstein, pagina 51-52, Verso, 2000.
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 357, 7 juni 2001