Terug naar hoofdinhoud
  • Archivaris
  • 357

Bosnië: NAVO versus de VN

Globalisatie deel 4

Na ruim vier jaar oorlog in Bosnië werd op 21 november 1995 op de Amerikaanse luchtmachtbasis Dayton in Ohio een akkoord gesloten dat een einde aan het bloedvergieten zou moeten betekenen.

door Bas van der Plas

Het akkoord werd uiteindelijk op 14 december 1995 in Parijs ondertekend, en ging de geschiedenis in als het Dayton-akkoord. Voor de Balkan betekende het akkoord een (voorlopige) vrede, maar voor Europa betekende het dat de zwakke plekken werden blootgelegd. Europa was niet in staat gebleken het conflict in Bosnië zonder Amerikaanse hulp op te lossen, noch om een IFOR/SFOR-missie in het leven te roepen zonder dat de VS daarin een grote rol speelde. Bovendien gaf de oorlog in Bosnië aanleiding tot het verheffen van militaire interventie als oplossing van conflicten boven het VN-programma van niet militaire oplossingen en peacekeeping. In het conflict rond Kosovo werd wederom naar zware militaire middelen gegrepen.

wapenembargo
Voor de ondertekening van het Dayton-akkoord was al pijnlijk duidelijk geworden dat de westerse landen geen eenduidig standpunt hadden over de crisis op de Balkan en sterker nog, dat zij allen hun eigen politieke agenda hadden. Met grote inspanningen werd een gemeenschappelijk embargo afgesproken tegen Joegoslavië en een wapenembargo tegen de strijdende partijen in Bosnië, maar die werden in de praktijk niet nageleefd. Terwijl NAVO-oorlogsschepen patrouilleerden in de Adriatische Zee en schepen controleerden op eventuele wapenzendingen, namen de Amerikanen via hun spionagesatellieten waar hoe sinds 1994 Iran wapens leverde aan de Bosnische moslims. Clinton zweeg daarover. Het is cynisch dat uitgerekend een 'schurkenstaat' op stilzwijgende goedkeuring van de Amerikanen kon rekenen om in Bosnië de moslims militair te versterken. Maar datzelfde cynisme geldt ook voor de Europese landen. De Europese regeringen legden aan de strijdende partijen viermaal een vredesplan voor, maar serieus werden die plannen niet genomen, omdat de theorie haaks stond op de praktijk. En de praktijk was dat de Serviërs gesteund werden door Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland, de Kroaten door Duitsland, en de moslims door de Verenigde Staten.
Doordat er geen enkel vredesplan serieus werd overwogen door de strijdende partijen, die precies wisten hoe de verschillende westerse belangen lagen, kon de strijd in Bosnië escaleren. De Verenigde Naties stationeerde Unprofor-vredestroepen, die echter regelmatig werden aangevallen. Ruim 300 blauwhelmen verloren het leven.
Om aanvallen op Unprofor-troepen af te straffen begon de NAVO in 1994 met bombardementen op de stellingen van de aanvallers, die door de betrokkenen als partijdigheid in het conflict en interventie werden opgevat. Als reactie namen de Serviërs in het voorjaar van 1995 een groot aantal blauwhelmen in gijzeling. Frankrijk en Engeland reageerden door het sturen van een zwaarbewapende 'Rapid Reaction Force' om de gijzelaars, meest Britten en Fransen, te bevrijden. Toen de Serviërs ook hierna nog doorgingen met het aanvallen van Unprofor-troepen zette de NAVO interventietroepen op het land in, die ondersteund werden door zware luchtbombardementen. Uit de oorspronkelijke 'peacekeeping' van de VN escaleerde een zware militaire interventie onder leiding van de NAVO.

Srebrenica
De militaire interventie van de NAVO had veel slachtoffers tot gevolg, en uiteindelijk waren de strijdende partijen wel gedwongen tot een overeenkomst te komen, zoals bereikt in Dayton. Achteraf kan men in dit verband spreken over een gewelddadige weg naar vrede. Tot die gewelddadige weg behoort ook het drama van Srebrenica. In een door blauwhelmen beschermd gebied werden duizenden burgers vermoord. In totaal waren er zes van dergelijke beschermde gebieden, maar de Unprofor-troepen waren door onderbezetting niet in staat daadwerkelijke bescherming te bieden. VN secretaris-generaal Boutros-Ghali riep telkens tevergeefs om de inzet van meer blauwhelmen. Toen begin juli 1995 Servische eenheden oprukten naar Srebrenica verzochten de daar gestationeerde Nederlandse blauwhelmen vergeefs om luchtsteun van de NAVO. De meest waarschijnlijke verklaring voor het uitblijven van deze steun is nog steeds dat in het reeds gereedliggende Amerikaanse concept-vredesplan geen plaats was voor enclaves als Srebrenica en Zepa. De opheffing van dergelijke enclaves zelfs een voorwaarde in het Dayton-concept. Parallel aan het opgeven van de 'veilige' enclaves Srebrenica en Zepa veroverden troepen van de Kroatische president Tudjman in de zomer van 1995 ongehinderd drie van de vier 'beschermde gebieden' in het noorden, Noord- en Zuid-Krajina en West-Slavonië.

peacekeeping
Op 29 augustus 1995 kwamen Milosevic en Karadzic een onderhandelingsmandaat met de Amerikanen overeen. Maar een dag later reeds begon de NAVO met 'Deliberate Force' en voerde hevige bombardementen uit op stellingen van de Bosnische Serviërs. Beide militaire interventies van de NAVO uit 1995 hadden weinig te maken met de bescherming van Bosnische slachtoffers of met het afdwingen van vrede. Tijdens de eerste interventie ging het om het prestige van de westerse landen en de bevrijding van de gegijzelde blauwhelmen, terwijl de tweede interventie meer als militaire vergelding was bedoeld voor de Servische misdaden in Srebrenica en Zepa.
Toen het Dayton-akkoord uiteindelijk werd ondertekend waren er in Bosnië-Hercegovina 145.000 doden en 174.000 gewonden. 2,5 miljoen inwoners waren van huis en haard verdreven, waarvan er 1,1 miljoen het land verlaten had. 60% van alle woningen was onbewoonbaar.
In de loop van 1996 werden er 60.000 soldaten naar Bosnië gestuurd. De nauwelijks bewapende blauwhelmen van Unprofor werden sinds 1992 in de vuurlinies van de strijdende partijen gestationeerd om ze daarna te verwijten dat ze hun 'peacekeeping'-taken niet naar behoren hadden vervuld. De in 1996 gestationeerde IFOR-troepen waren echter goed bewapend en moesten toezien op naleving van het door de strijdende partijen geaccepteerde vredesverdrag.

VN-debâcle
De oorlog in Bosnië heeft haar eigen gecompliceerde achtergronden, waar over de lijken van talloze slachtoffers de tegenstrijdige belangen van verschillende landen en de tegenstrijdige belangen van de internationale gemeenschap werden uitgevochten. Er was geen sprake van humanitaire interventies, maar de interventies die werden uitgevoerd waren slechts bedoeld om gezichtsverlies te voorkomen. En daarmee heeft het onvermogen van een gemeenschappelijke Europese buitenlandse- en veiligheidspolitiek tot tragische ontwikkelingen geleid.
En dan vindt op 20 december 1995 de overdracht van bevoegdheden plaats van de VN-soldaten van Unprofor aan de NAVO-troepen van IFOR. Een vernederde VN trekt zich terug van de slagvelden, in de publieke opinie zelf schuldig aan het verzaken van zijn plichten: bescherming van de burgerbevolking en bewaken van de vrede in Bosnië.
Het VN-debâcle is koren op de molen van de Amerikanen. Tijdens de VN-inzet in Bosnië weigerden meerdere landen hun bijdragen aan de VN te betalen. Het gevolg was een tekort van 3,6 miljard dollar, waarvan de helft schuldig was door Washington. Er was in de Verenigde Staten al langer sprake van een breuk met de VN, een breuk die na de overwinning van de Republikeinen tijdens de verkiezingen voor het Huis van Afgevaardigden in november 1994 alleen nog maar versterkt werd. Terwijl in Republikeinse kringen de VN wordt beschouwd als steunpilaar voor anti-Amerikaanse activiteiten, beschuldigen steeds meer Derde Wereldlanden de VN juist van Amerikaanse dominantie. Deze beschuldigingen klonken nog luider toen eind 1996 de Amerikaanse regering een tweede ambtstermijn van Boutros-Ghali verhinderde. Met de verkiezing van Kofi Annan kreeg de hele wereld een boodschap mee: secretaris-generaal van de VN kan alleen diegene worden die voor Washington acceptabel is en zijn belangrijkste taak is het om de wereldorganisatie te hervormen naar de wensen van de VS.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 357, 7 juni 2001