Skip to main content
  • Archivaris
  • 346

Een voorstel aan B'nai B'rith Nederland

Aan het einde van de serie "Misverstanden over samenzweringstheorieën - X-files in Israël" (zie vorige Kleintjes) schreef ik het al: het Openbaar Ministerie is tegen het Amsterdamse tijdschrift Ravage en mij in cassatie gegaan bij de Hoge Raad. Aanleiding tot die beslissing vormde de uitkomst van het hoger beroep dat op 11 april 2000 diende. In het arrest van 25 april bekrachtigde rechter Mr. Walkate namelijk de uitspraak die zijn confrère Mr. Bartels op 18 november 1998 deed. Het OM blijft daardoor niet-ontvankelijk in deze kwestie. Cassatie bleek daarop de enige mogelijkheid voor de advocaat generaal om deze procedure nog te kunnen verlengen.

door Peter Edel

Het begon allemaal in mei 1996 met de publicatie in Ravage van het artikel "Kanttekeningen bij herdenking". In een zijdelings bedoelde passage besprak ik in dit artikel een verband tussen de racistische KKK en de, aan de B'nai B'rith broederschap verbonden, Anti Defamation League. Hoewel het alleszins duidelijk was dat deze passage betrekking had op de Amerikaanse situatie, en niet op de Nederlandse, meenden de leden van de Nederlandse B'nai B'rith loges dat ik hen beledigd had. Dat maakten zij drie maanden na publicatie kenbaar door aangifte te doen van smaad c.q. laster.
De reden waarom justitie zowel bij van het eerste proces, als het hoger beroep, niet-ontvankelijk is verklaard door de rechter, houdt nauw verband met het Nederlandse strafrecht waarin alleen de direct beledigde partij recht tot klagen heeft. Daar bleek voor justitie een probleem te zitten, want beide rechters vonden dat de Nederlandse vertakkingen van B'nai B'rith Nederland niet als de beledigde partij konden worden aangemerkt. Het verband tussen de Nederlandse B'nai B'rith loges en de Amerikaanse ADL/B'nai B'rith was daartoe in hun ogen onvoldoende aangetoond.
Van speciaal belang bij de uitkomst van het hoger beroep was het ontbreken van een machtiging waaruit had kunnen blijken dat de Anti Defamation League en de Amerikaanse B'nai B'rith vertakkingen het met de aanklacht eens waren. Advocaat generaal Van der Kaaij slaagde er niet eens in om aannemelijk te maken dat ADL/B'nai B'rith in de VS op de hoogte is van deze justitiële procedure, laat staan dat zij hard kon maken dat men daar één en ander zou onderschrijven.
Door deze gang van zaken ben ik er zo langzamerhand van overtuigd geraakt dat deze kwestie een geheel Nederlands karakter kent. Want zoals het er nu naar uit ziet wil ADL/B'nai B'rith in de VS van geen enkele juridische stap tegen mij weten, dat wil zeggen: voor zover men daar al van op de hoogte is. Die conclusie kan niet alleen verbonden worden aan het ontbreken van een machtiging tijdens het proces, maar ook aan het feit dat mijn bron met betrekking tot de genoemde passage, het Amerikaanse tijdschrift Executive Intelligence Review (EIR), nooit is aangeklaagd door ADL/B'nai B'rith voor het beschrijven van relaties met de KKK.
Het laatste lijkt te verklaren waarom een machtiging van ADL/B'nai B'rith vooralsnog ontbreekt. Als EIR in de VS ongemoeid wordt gelaten door ADL/B'nai B'rith, waarom zou men dan wel de aangifte tegen een Nederlandse journalist ondersteunen, die niets anders heeft gedaan dan dit tijdschrift citeren? Blijft de vraag waarom de Nederlandse B'nai B'rith betrokkenen, in tegenstelling tot hun Amerikaanse broeders, wel voor een juridische optie hebben gekozen.

Waarom een proces?
De aangifte werd gedaan door Mr. Kiek, een aan B'nai B'rith verbonden advocaat, terwijl zich ook onder de klagers een aantal juristen bevinden. Wat nu vreemd op mij overkomt, is dat niemand van deze juristen zich realiseerde dat het Openbaar Ministerie in deze kwestie nooit ontvankelijk geacht kon worden door de rechter. De Nederlandse wet moet toch ook bij hen bekend zijn. Zo goed als mijn advocaat en twee rechters dat weten te vertellen, kunnen zij dat ook.
Met andere woorden: de klagers konden op hun vingers natellen dat ik nooit veroordeeld zou worden. Daarom kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat het eigenlijk nooit de bedoeling is geweest om mij te laten veroordelen en daarmee "recht te doen gelden." In plaats daarvan lijkt het er veel meer op dat men mij aan de hand van juridische middelen onder een zekere druk probeert te houden.
Ik kan de gedachten van dhr. Naftaniël en diens medestanders niet lezen, maar als het inderdaad zo zit als hierboven beschreven, dan moet gezegd worden dat hun inspanningen aardig geslaagd zijn. Want met beide processen heeft men ondertussen een aardige greep op mijn bestaan weten te verkrijgen. Dat komt niet zo zeer door de uitspraken die op beide processen volgden, maar vooral door de reacties in de pers die ik de dag daarop mocht vernemen. Als dhr. Naftaniël namens de klagers een zielig gezicht trekt, dan weet hij toch steeds weer een aantal journalisten voor zich te winnen, die bereid zijn een volledig eenzijdig beeld van mij te schetsen. Daardoor is bij velen de indruk gewekt dat ik schuldig ben aan hetgeen mij ten laste gelegd is, terwijl het in feite nooit tot een veroordeling is gekomen.

Het aantasten van een reputatie
Hoe dan ook: met alle onzin die over mij geschreven is, heeft men mijn reputatie sinds 1996 aardig om zeep geholpen. Onlangs werd ik nog gebeld door een hevig geschrokken kennis die er getuige van was geweest hoe iemand mij als nazi afschilderde. Later bleek het een Israëliër te zijn, waardoor de beschuldiging weer wat werd afgezwakt; in Israël scheldt men elkaar immers al voor nazi uit bij onenigheid over landbouwkwesties. Maar leuk is natuurlijk anders. Ik hoef waarschijnlijk niemand uit te leggen hoe eenvoudig dergelijke beschuldigingen een eigen leven kunnen gaan leiden, vooral in Nederland.
Vast staat dat de gebeurtenissen van de laatste jaren nogal een stempel op mijn bestaan hebben gedrukt en hetzelfde geldt voor mijn gezin. Dat laatste moest ook de advocaat generaal toegeven tijdens het hoger beroep. Maar aan de andere kant blijkt nu dat justitie er helemaal geen bezwaar tegen heeft om het allemaal nog langer te laten duren. De verwachting is dan ook dat het volgende proces nog wel een jaartje op zich zal doen wachten.
We zijn dan vijf jaar na publicatie van "Kanttekeningen bij herdenking". Het is de waanzin ten top. En dan heb ik het nog niet over de financiële kant van de zaak. Alleen mijn advocaat kostte de laatste keer al 12000 gulden exclusief en ik neem aan dat al die rechters het ook niet voor niets doen. Ik schat daarom dat dit proces de belastingbetaler ondertussen al meer dan een ton is gaan kosten. En dat allemaal voor een geëiste boete van 500 gulden! Dat is toch wel wat veel voor het onder druk houden van een lastige journalist lijkt me.
Je zou je af kunnen vragen hoe justitie er bij komt om met dit alles door te gaan. De advocaat generaal straalde bij het hoger beroep nou niet bepaald veel enthousiasme uit, althans veel minder dan Mr. Velleman, die mij tijdens het eerste proces nog zo vurig beschuldigde. Maar Mr. Velleman heeft dan ook nogal nadrukkelijk banden met organisaties die mij het leven zuur wensen te maken, zoals het CIDI en de "Magenta Foundation". Zo bleek mij onlangs nog dat Mr. Velleman het erg goed kan vinden met Ronald Eissens van de Magenta Foundation. En over de laatstgenoemde begreep ik dan weer dat hij onlangs nog een lezing heeft gehouden bij het CIDI, althans dat stond in de "Israël nieuwsbrief" van het CIDI.

B'nai B'rith afwezig, of toch?
Erg gezellig allemaal, maar ga me nou niet vertellen dat het openbaar ministerie in deze kwestie onafhankelijk opereert. Mr. Velleman hoefde daartoe tijdens het proces niet gesouffleerd te worden, maar met advocaat generaal Van der Kaaij lag dat anders. Zij leek veel een marionet die vanaf de publieke tribune werd bediend door een aldaar aanwezige leden van B'nai B'rith. Officieel was er niemand van B'nai B'rith op komen dagen; ook de rechter toonde zich hier nog verbaasd over. het programma dat ik een tijd geleden over B'nai B'rith bij de Israëlitische Omroepstichting heb gezien bleek op dat moment echter zeer leerzaam. Want daardoor kostte het me weinig moeite om tussen mijn vrienden en kennissen twee betrokkenen van deze broederschap op de publieke tribune te herkennen. Tijdens een schorsing - die werd ingelast omdat tot ieders verbazing bleek dat de aanklacht ontbrak - wist één van hen niet hoe snel hij naar de advocaat generaal moest lopen. Hij vroeg nota bene de weg aan mijn advocaat! De reden waarom de vertegenwoordigers van B'nai B'rith niet in de zaal gingen zitten ligt voor de hand. Tijdens het vorige proces werden twee leden van deze broederschap, die officieel als vertegenwoordigers waren gekomen, pardoes door de rechter opgeroepen als getuigen. En dat dit voor hen niet in de lijn der bedoelingen lag sprak uit al hun gedragingen. Om zo weinig mogelijk prijs te geven over de organisatiestructuur van B'nai B'rith Nederland, werd toen door beide getuigen opvallend vaak verklaard dat zij hieromtrent niet op de hoogte waren. Van de nog tamelijke jonge Mevr. van Coevoorden kon ik me dit nog wel voorstellen, maar dat B'nai B'rith betrokkene en CIDI adjunct directeur Mevr. Hirschfeld de rechter hieromtrent niet in kon lichten, gaat er bij mij niet in. Om herhaling van deze gênante vertoning te voorkomen, nam de vertegenwoordiger van B'nai B'rith deze keer voor de zekerheid dus maar plaats op de publieke tribune, waar de rechter hem niet in de gaten had (maar ik dus wel). Ik moet zeggen: het is wel een staaltje van heldhaftigheid waarmee B'nai B'rith Nederland mij tegemoet treedt voor de rechter...

Mijn verklaring
Op de publieke tribune zorgde de B'nai B'rith broeder en zijn partner voor veel vermaak onder de aanwezigen door onhandig gestuntel met GSM's en laptops. Er ontstond grote schrik bij het tweetal toen de aanklacht bleek te ontbreken, maar groen en geel werd men pas toen ik mijn verklaring voorlas. Daarin zette ik aan de hand van een aantal gebeurtenissen uiteen dat ik het niet ben die de eer en goede naam van ADL/B'nai B'rith heeft aangetast, maar dat deze organisatie er door de jaren heen juist zelf van alles aan heeft gedaan om een slechte naam te verwerven.
Ik heb deze verklaring mede voorgelezen omdat ik niet de indruk wil laten ontstaan dat het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie een door mijn advocaat bedacht juridisch trucje was waarmee ik eenvoudig de dans kon ontspringen. Dat laatste meen ik namelijk links en rechts opgevangen te hebben. Als twee rechters besluiten om de wet te hanteren kan ik daar echter weinig aan veranderen. Beide edelachtbare heren kwamen zo te zien al erg snel voor zichzelf tot de overweging dat justitie nooit ontvankelijk kon zijn in dit proces, want aan een inhoudelijke kant van de zaak zijn zij nooit echt toegekomen. Hoewel beide uitspraken op zich natuurlijk terecht waren, betreur ik dat laatste wel degelijk; vandaar ook die verklaring. Strikt genomen was die niet echt noodzakelijk geweest, omdat het bij dit hoger beroep alleen draaide om de vraag of het OM nu wel of niet ontvankelijk was. Maar om voor iedereen die het maar weten wil duidelijk te maken dat ik absoluut geen bezwaren heb tegen een inhoudelijke discussie, heb ik mijn verklaring voor alle zekerheid toch maar uitgesproken.

Mijn voorstel aan B'nai B'rith Nederland
Als er voor de rechter geen ruimte is om tot een inhoudelijke behandeling van de zaak te komen, dan dient hier wellicht elders een plaats voor gecreëerd te worden. Daartoe zal ik de artikelen die ik in de laatste jaren voor Kleintje Muurkrant heb geschreven over ADL/B'nai B'rith, het zionisme en Israël, opgesturen aan vertegenwoordigers van het CIDI en B'nai B'rith Nederland. Ik zal hen daarbij verzoeken om deel te nemen aan een directe discussie met mij, hier in het Kleintje. Wanneer het CIDI en de Nederlandse B'nai B'rith vertakkingen ingaan op mijn voorstel, dan zouden we het bijvoorbeeld kunnen hebben over de laatste ontwikkelingen rond ADL/B'nai B'rith. Want terwijl het openbaar ministerie er maar niet in slaagt om Ravage en mij tot de betaling van 500 gulden te dwingen, is ADL/B'nai B'rith onlangs zelf tegen een veroordeling opgelopen. Uit een artikel dat onlangs in de New York Times verscheen blijkt namelijk dat ADL/B'nai B'rith in de Amerikaanse staat Colorado is veroordeeld tot het betalen van 10.500.000 dollar schadevergoeding, omdat een tweetal Amerikanen gedurende jaren onrechtmatig van antisemitisme is beschuldigd door deze organisatie.
Bij deze gelegenheid bleek tevens dat ADL/B'nai B'rith er nog altijd niet mee zit om gebruik te maken van illegale methoden bij het vinden van informatie, zoals in dit geval het afluisteren van telefoongesprekken. En dat terwijl men verleden jaar nog tot een schikking gedwongen werd, waarin de belofte werd gedaan voortaan bij het vergaren van informatie geen gebruik meer te maken van illegale praktijken, zoals afluisteroperaties, informanten en infiltranten. Om misverstanden te voorkomen wil ik benadrukken dat de hierboven beschreven omstandigheden absoluut geen betrekking hebben op de Nederlandse situatie. Ik ga er dus, voor alle duidelijkheid, niet vanuit dat de Nederlandse B'nai B'rith vertakkingen zich van dergelijke methoden zou bedienen. Maar dat neemt niet weg dat ik erg geïnteresseerd ben naar de mening van dhr. Naftaniël en de zijnen omtrent bijvoorbeeld de recente veroordeling van ADL/B'nai B'rith in de VS.

Er is stof tot discussie te over, lijkt me. Zo ben ik tevens erg benieuwd naar een reactie van Nederlandse B'nai B'rith betrokkenen over de uitlatingen van ADL 'National Director' Abraham Foxman omtrent de situatie in Oostenrijk, zoals ik die in het vorige Kleintje heb beschreven. In een wat breder verband vraag ik me echter vooral af waarom het CIDI en B'nai B'rith Nederland, na decennia van McCarthyaanse spionagepraktijken aan de kant van ADL/B'nai B'rith, nog altijd zonder enig voorbehoud over "goede naam en eer" spreken wanneer het over deze organisatie gaat.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 346, 30 juni 2000