Skip to main content
  • Archivaris
  • 387

Leven zonder God

In 1939 publiceerde de Utrechtse hoogleraar H. C. Rümke een boekje met de titel "Karakter en aanleg in verband met het ongeloof". Volgens hem komt ongeloof uiteindelijk -enigszins overtrokken geformuleerd- neer op een ontwikkelingsstoornis.

door Wolter Seuntjens

In 2003 publiceerde Harm Visser een bundel met elf interviews over ongeloof. Waar het geloof uiteindelijk op neerkomt volgens Visser en zijn geïnterviewden? U raadt het antwoord al: een ontwikkelingsstoornis en meer in het bijzonder een denkstoornis. Dit is meer dan alleen grappig. In 1939 was voor de psychiater Rümke het ongeloof nog problematisch, ondertussen is voor velen in Nederland het geloof problematisch. Wat beide gemeenschappelijk hebben is dat zij de andere positie willen terugbrengen tot een stoornis. En daarmee zijn zowel Rümke als de meeste geïnterviewden van Visser onder een noemer te brengen: onverdraagzaamheid. Men verdraagt - intellectueel gezien - de andere positie niet. Plus ça change.
Dit boek is belangwekkend: het gaat ergens over. Net zoals bijvoorbeeld 't EO televisie programma "zij gelooft, zij niet" elke zaterdagavond. Dat neemt niet weg dat er een flink aantal tendentieuze uitspraken in de interviews worden gedaan (net zoals trouwens in "zij gelooft, zij niet"). De bundel interviews van Visser bevat in dit opzicht een aantal onthullende doorkijkjes.

Het eigen gelijk
Om te beginnen: de meeste geïnterviewde ongelovigen achten zich beter - want objectiever, slimmer, weetgieriger, etcetera, etcetera, en bovendien toleranter - dan al die verdraaide gelovigen. Enkele voorbeelden:
Slimmer: "De algemene tendens is toch: hoe geloviger hoe achterlijker. Ongeloof daarentegen gaat hand in hand met het vermogen om zonder mentale hindernissen, problemen op te lossen." (Max Pam, p.81)
Redelijker: "[...] ik merkte al snel dat er eigenlijk niet over te praten viel. Met echte gelovigen is het moeilijk discussiëren. Ze lijken totaal niet ontvankelijk voor redelijke argumenten." (Dick Swaab, p.147)
Toleranter: "Hoe zou het komen dat ongelovigen veel toleranter zijn dan gelovigen?" (Harm Visser, p.54).
Verdraagzamer: "Zijn de ongelovigen misschien te verdraagzaam?" (Harm Visser, p.68).
Weetgieriger: "Ongeloof maakt weetgierig, het zet aan tot onderzoek naar hoe de wereld in elkaar zit. De gelovigen hebben dat niet, die weten immers alles al." (Rudy Kousbroek, p.69)
Objectiever: (Jaap van Heerden, p.56)
Evolutionair beter aangepast (jazeker!): "Denkt u dat het geloof op den duur zal verdwijnen? Ik ben daar tamelijk optimistisch over: religie verliest steeds meer zijn [sic] evolutionaire voordeel." (Dick Swaab, p.156)

Bovendien is de gelovige humorlozer dan de ongelovige (Rudy Kousbroek, p.59). (Het is wel geestig dit te vernemen uit de mond van Rudy Kousbroek, de Ian Paisley van het Nederlandse atheïsme). Tenslotte, en dat zal u na het bovenstaande wellicht verbazen, is de atheïst bescheidener: "Daarbij denk ik dat atheïsme de mens een stuk bescheidener maakt." (Hans Crombag, p.40).
"Onze God is de beste" zongen De Positivo's (Kees van Kooten en Wim de Bie) en zo zingen Harm Visser en zijn geïnterviewden "Onze goddeloosheid is de beste".

Atheïstische misdaden
De ongelovigen zijn dus beter - want slimmer, redelijker, verdraagzamer - dan de gelovigen. Maar zij zijn niet alleen beter, zij zijn ook minder slecht. Dat zit zo. Het is genoegzaam bekend dat in naam van Jahweh, God, Allah, etcetera de meest vreselijke misdaden gepleegd zijn. Maar hebben niet ook atheïsten, vanuit hun atheïsme, misdaden begaan? Aan een aantal geïnterviewden legt Harm Visser deze vraag voor. Zo spreekt hij met Max Pam: "Als je dit zegt, komen gelovigen nogal eens aanzetten met voorbeelden als dat van de atheïst Stalin, waaruit dan zou moeten blijken dat ook atheïsten erop los kunnen moorden." "Helemaal waar! Behalve dan dat het communisme op den duur alle kenmerken van een echt geloof vertoonde, compleet met een messias in de persoon van Stalin. Met atheïsme als een manier van denken, of als een visie op het leven, gericht tegen elk soort geloof, heeft dit niets te maken." (p.79)
Visser en sommige geïnterviewden, zoals Max Pam, stappen wel erg gemakkelijk over het argument heen dat ook en vooral self-proclaimed atheïstische regimes de meeste slachtoffers gemaakt hebben. De misdaden van Stalin, Mao, Pol Pot en de Noord-Koreaanse Kims, om slechts de meest spraakmakende atheïsten te noemen, kun je niet af doen met de dooddoener dat zij eigenlijk niet zuiver in de atheïstische leer waren/zijn. Het is van tweeën één: