Leven zonder God
Naar aanleiding van de bespreking in het vorige Kleintje door Wolter Seuntjens van het boek "Leven zonder God: elf interviews over ongeloof" onder redactie van Harm Visser heeft Kleintje Muurkrant een aantal mensen om commentaar gevraagd. Hieronder de reactie van Jan Willem Nienhuys, redacteur van het blad Skepter - "de kritische kijk op paranormale verschijnselen en pseudo-wetenschap".
door Jan Willem Nienhuys
Stel dat iemand een klein dozijn personen bij elkaar zoekt die slechts gemeen hebben dat ze enigszins bekend zijn en een bepaalde opvatting of voorkeur niet hebben. Men denke aan VVD-lidmaatschap, gebedsmolens, jenever, kaartspel, tv, opera, djinni of angst voor hekserij. Men vraagt dan hoe al deze lieden het leven zonder djinni of bridge ofzo ervaren. Uiteraard weten de ondervraagden weinig van jenever en nog minder van djinni, en zullen ze daar uiteenlopende en ogenschijnlijk niet al te gefundeerde meningen over hebben. Toepen, tarot of patience, wat is het verschil? Met ongodisme is het niet anders. Het ongodisme heeft wel wat met parapsychologie gemeen. Dat is een wetenschap met een door negatie gedefinieerd onderzoeksobject, namelijk het onverklaarbare dat zich manifesteert door wonderachtige verschijnselen die telkens bij nadere beschouwing op de vlucht gaan. Het ongodisme is een levensbeschouwing die zou draaien om het ontkennen van het bestaan van een of meerdere bovennatuurlijke entiteiten. Wat er te verwachten van zulke interviews? Wat wil de interviewer eigenlijk weten?
Veel belijders van de christelijke godsdiensten zien hun geloof niet meer in de eerste plaats als een noodzakelijke verering van een machtig bovennatuurlijk wezen, maar als het fundament van moraal. Als iemand zich niet stoort aan de maatschappelijke regels, zeggen we dat hij god noch gebod kent. Men kan zich voorstellen dat ongodisten zich ergeren aan deze annexatie. Enerzijds vinden ze het volkomen normaal dat mensen menselijk zijn en maatschappelijke regels opstellen, en anderzijds vinden ze dat stelligheid over hoe die regels in elkaar horen te zitten tot ongelukken lijdt. Zij zien dat het vaak gebeurt dat heersers al dan niet met instemming van hun onderdanen absolute geloofszekerheden misbruiken, of die nou over goden of het eigen gelijk gaan. En niet alleen de heersers: op religieuze gronden worden heel wat relaties kapotgemaakt. Ook in het persoonlijke leven van vele gelovigen fungeert de zekerheid omtrent onzichtbare dingen als middel om onmenselijkheid in stand te houden.
Veel problemen waar mensen mee worstelen zijn terug te voeren op twee hoofdthema's. Waarom hebben brave mensen het moeilijk, en waarom hebben slechteriken het goed? De maatschappij doet daar wat aan, door hulp te verlenen aan wie het nodig heeft en door waardevolle inspanningen te belonen, hetzij met geld, hetzij met eerbewijzen. We proberen het ook de profiteurs en boeven lastig te maken en te zorgen dat ze straf of althans geen profijt krijgen van hun euveldaden. Maar dat lukt niet. Dat is onverdraaglijk. De meeste religies hebben in hun assortiment diverse wijzen om zulk onrecht recht te zetten. Behalve dat ze het initiatief nemen om onrecht concreet tegen te gaan, hebben ze ook nog diverse onzichtbare aanbiedingen, zoals hemel en hel of een volgend leven, met als aardigheidje de leer dat die bovennatuurlijke rechtsbedeling vaak onbegrijpelijk is, maar niettemin toch het beste voor ons. Dat moet ook wel, want anders is de grote hoeveelheid ellende in de wereld onverenigbaar met de veronderstelde almacht, algoedheid en alwetendheid van het Opperwezen. Wanneer het onwrikbare geloof in de voortreffelijkheid van bepaalde abstracties deze uitvlucht mist, kan het verbeteren van de wereld groteske vormen aannemen, namelijk het aanwijzen van goed zichtbare duivels zoals joden, kapitalisten, paters of personen van lagere kasten of andere nationaliteiten. Overigens is deze optie ook beschikbaar voor godisten, die bovendien nog andersgelovigen over de kling kunnen jagen. Wie dus ongodisten serieus naar hun opvattingen gaat vragen, zou ze eens moeten vragen hoe de maatschappij rechtvaardig zou moeten worden ingericht. Waarop is het recht gebaseerd? Wat vinden ze van het probleem van het ongeluk der rechtvaardigen en het geluk der bozen? Waar komen hun eigen opvattingen vandaan? Wat is de grondslag voor de democratie? Wat vinden ze van de doodstraf en waarom? Kortom, je moet ze niet vragen naar de dingen die ze niet geloven, maar waar ze wel in geloven. Dan zouden ze bijvoorbeeld kunnen zeggen dat ze geloven dat elke mens waardevol is en louter op grond van geboorte een onvervreemdbaar recht heeft op leven en respect van anderen. Ze zouden kunnen zeggen dat ziekte, onrecht en dood onvermijdelijk zijn, maar dat we als maatschappij, met zijn allen dus, moeten proberen er het beste van te maken. Ze zouden kunnen vertellen dat ze geloven dat de wetenschap het beste middel is om tot betrouwbare kennis te komen. Ze zouden kunnen opperen dat de hele maatschappij aan elkaar hangt van intermenselijke relaties, en dat we die moeten cultiveren: de relaties tussen ouders en kinderen, tussen overheid en onderdanen, tussen ouderen en jongeren, tussen echtgenoten en tussen vrienden. Dat zou niet bijster origineel zijn, want dat zei de confucianist Mencius (374 v.C. - 289 v.C.) ook al. Confucius zou overigens niet misstaan hebben in deze bundel, want hij moest niets van het bovennatuurlijke hebben. Hij beperkte zich echter tot de opmerking dat hij er geen boodschap aan had, dus zou Visser hem niet hebben opgezocht.
In zoverre is Harm Vissers boekje maar half geslaagd. Hij vraagt zijn gesprekspartners voortdurend over religie en de zin van het bestaan. De zin van het bestaan is ook al zo'n vraag waar je nauwelijks antwoord op kunt geven zonder impliciet toe te geven dat er een ultieme zingevende instantie is. Maar het is een vraag zoals 'wat is er ten noorden van de noordpool?' Vragen of 'ongeloof niet ook geloof is', wat de betrokkenen vinden van het leven na de dood, van de islam, van Jezus, enzovoorts enzovoorts, geeft een vertekend beeld van wat ongodisten van het leven vinden. Het is alsof je bekende Nederlanders zou doorzagen over de beste smeerolie voor gebedsmolens, en of djinni misschien niet de geesten van gestorven reuzenhagedissen zijn. Alsof je een handvol CDA-politici zou vragen wat ze van islam, humanisme en ongodisme en de New Age vinden, kortom van allerlei opvattingen die niet direct christendemocratisch zijn. Als je dan zulke interviews bundelt en er 'Leven met de christengod' op zet, wat zou je dan hebben? In elk geval geen duidelijk inzicht in de persoonlijke overtuigingen van de ondervraagden.
De bespreking van Seuntjens maakt dit 'half geslaagd' nog erger. Harm Visser weet zijn gesprekspartners ten minste nog af en toe opmerkingen te ontlokken die over iets anders gaan dan het geloof van anderen, God, Jezus, de bijwerkingen van religie, maar die negeert Seuntjens. Hij vindt dat er nog niet genoeg gepraat wordt over het wezenlijke punt, namelijk geloof versus ongeloof. Seuntjens ziet dat verkeerd. Het gaat om twee soorten overtuigingen. Enerzijds overtuigingen over onzichtbare, onbewezen en bovennatuurlijke zaken die aangehangen worden met een stelligheid die omgekeerd evenredig lijkt met de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal, en anderzijds overtuigingen die wortelen in de menselijke relaties van alledag en in kennis die op wetenschappelijke wijze verkregen is, en waarvan de stelligheid evenredig is met het bewijsmateriaal.
Mensen geloven makkelijk van alles en nog wat. Daar is geen diepzinnige psychologische verklaring voor nodig. We zouden van jongsaf aan niet zoveel kunnen opsteken als we niet heel veel zomaar zouden aannemen wat ons verteld wordt. Mensen zijn uitstekende patroonherkenners, en zien patronen ('geloven') ruim voordat er van 'weten' gesproken kan worden en het patroon duidelijk geen dom toeval of een illusie is. Elk kennen houdt in dat we zonder vragen dingen aanvaarden, met andere woorden dat we dingen geloven. De godisten hebben helaas het woord 'geloven' ook al geannexeerd, zodat je daar nauwelijks over kunt spreken zonder de associatie met godsdienst.
Veel van de dingen waarvan ik het bestaan aanvaard, zoals van melkwegstelsels, Madagascar, moleculen en quarks, heb ik nooit gezien. Dus geloven in iets waarvan men geen eerstehandskennis heeft is ook natuurlijk, en dat begint al als we nog maar een paar maanden oud zijn en begrijpen dat iets dat we niet (meer) zien ergens achter kan zitten of verstopt kan zijn. Geloven in wat anderen ons met vertoon van oprechtheid vertellen is ook al volkomen normaal. Hoe het geloof in bovennatuurlijke entiteiten in elke afzonderlijke mens tot stand komt, behoeft geen bijzondere verklaring. Paplepel is hier veelal het sleutelwoord. Evenmin hoeven we te verklaren hoe iemand tot het inzicht kan komen dat al die verhalen onzin zijn.
Seuntjens bekritiseert Vissers weergave van Crombags woorden. Crombag heeft kritiek op het grondrecht van de vrijheid van godsdienst. Verder citeert Seuntjens niet, dus de lezer moet het doen met de weergave van Seuntjens van de weergave van Vissers van wat Crombag antwoordde op de vraag van Visser: 'Het zou verboden moeten worden?', waarbij 'het' lijkt te slaan op 'religieus fundamentalisme'. Na het citaat van Seuntjens (vrijheid van godsdienst is het meest discutabele grondrecht) gaat Crombag door, en dan blijkt wat hij discutabel vindt aan de vrijheid van godsdienst. Crombag vindt dat die vrijheid eenzijdig is. Kort gezegd, een 'gelovige' mag zomaar zeggen dat Crombag slecht is en naar de hel gaat, maar als ongelovige Crombag zegt dat een gelovige geestelijk gestoord is, loopt hij het risico voor de rechter gedaagd te worden en kan hij zich dan niet op grond van datzelfde grondrecht daartegen verweren.
Crombag lijkt te willen zeggen (misschien heeft hij dat ook wel gezegd, maar heeft Visser het als irrelevant geschrapt, zo'n boek moet ook niet te lang worden) dat het recht op vrijheid van meningsuiting beknot wordt door bepaalde fatsoensregels, maar dat we nog onlangs hebben gezien hoe 'religieuze' uitlatingen zoals die van El-Moumni niet zo beknot worden. Uiteraard wordt ook de vrijheid van godsdienst beknot (mensenoffers vallen er niet onder, om maar eens wat te noemen, en of godsdienstige naaktlopers net zo makkelijk getolereerd zouden worden als hoofddoekjes is de vraag), maar de godisten mogen veel meer dan de ongodisten. De vrijheid van godsdienst staat niet alleen maar de gelovigen toe om binnenskamers de door hen bedachte opperwezens te vereren, maar gaat veel verder in de interpretatie van wat onder godsdienst valt. De godisten mogen publiekelijk een religieuze draai aan de wetten en maatschappelijke praktijken geven, kortom hun annexatie van de moraal voortzetten. Dat is het discutabele aan het grondrecht van vrijheid van godsdienst zoals in Nederland gepraktiseerd. Het gaat overigens niet alleen om El-Moumni, maar ook om zaken als de inhoud van leerboeken biologie, vrouwendiscriminatie bij politieke partijen en dergelijke.
Men zou kunnen aanvoeren dat Crombag wel een beetje overdrijft. Karel van het Reve schreef in 1985 een essay 'De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen', later (1987) ook als boek. Hij kreeg daar voor zover ik weet geen problemen mee. Maar wie betoogt dat de bijbel van joden zowel als christenen van begin tot eind crimineel gedrag aanmoedigt en dat de zogenaamd menslievende passages erin slechts dienen als glimmend pakpapier voor de verdorven en genocidale boodschap van dit in- en inslechte boek, zou daar misschien nog mee wegkomen, maar wie vervolgens allen die dit boek voor waar houden met dezelfde teerkwast besmeurt, namelijk als criminelen of op zijn minst medeplichtigen, die zou het wel eens moeilijk kunnen krijgen.
Samenvattend, Visser maakte (met subsidie) een halfslachtig boekje, en Seuntjens volstaat met de zwakke kanten ervan te belichten, en doet dat op een eenzijdige en tendentieuze manier.
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 388, 19 februari 2004