Boeven en Buitenlui
Terwijl in Brussel een ingewikkeld besluitvormingsproces loopt om de Europese politie- en justitiesamenwerking vorm te geven, draaien politieteams dag in dag uit internationale opsporingsonderzoeken. Want of er nu wel of niet besluiten genomen worden, de internationale politiesamenwerking gaat gewoon door.
door Eveline Lubbers
Dat is heel in het kort samengevat de inhoud van het eerste allesomvattende boek over politiesamenwerking in Europa dat onlangs is uitgekomen bij uitgeverij Papieren Tijger. Het is voor de eerste keer dat direct betrokkenen zich uitlaten over de zin en onzin van Europese politiesamenwerking.
Het is een dik boek met een raadselachtige illustratie op de voorkant -een kunstwerk van fluorescerend acht-vormige lussen- en een titel die helemaal nergens op slaat: "Keizer in lompen". Gelukkig staat er ook een duidelijke ondertitel op: "politiesamenwerking in Europa", zodat je in ieder geval weet waar het over gaat. Wie zich verder niet laat afschrikken door de hoeveelheid pagina's (333) en het kleine lettertype, krijgt echt een goed boek te lezen.
Waarom is het zo'n goed boek? Dat zit hem niet alleen in de beschrijving van de praktijk, met heel sprekende voorbeelden van internationale politiesamenwerking in het dagelijks leven. Alhoewel: soms zijn de voorbeelden wel wat al te gedetailleerd: dan is de verleiding van inzage in de procesdossiers te groot geweest, dan willen de schrijvers de gang van zaken te precies weergeven en neigt de lezer te verdwalen tussen de hoeveelheid initialen van boeven en buitenlui, in dit geval de buitenlandse al-dan-niet criminele infiltrant.
De meerwaarde van dit boek zit hem vooral in het feit dat de beschrijving van internationale politiesamenwerking boven die vele voorbeelden van losse zaken, boven de dagelijkse praktijk wordt uitgetrokken. Wil van der Schans en Jelle van Buuren hebben uitzonderlijk veel mensen gesproken, uit allerlei verschillende hoeken, meest van hoog niveau -hetzij hiërarchisch, hetzij wetenschappelijk- zodat de zaken van allerlei kanten worden belicht.
We hebben het dan bijvoorbeeld over de adjunct-directeur van Europol, het plaatsvervangend hoofd van de afdeling internationale politiesamenwerking van Binnenlandse Zaken en de directeur recherchezaken van het Korps Landelijke Politiediensten, maar ook spraakmakende rechters als R. Blexktoon van de Internationale Rechtshulpkamer in Amsterdam, officieren van justitie als Martin Witteveen en Fred Teeven, en oud-minister van Justitie Winnie Sorgdrager. De lijst is nog veel langer. Sommige ambtenaren wilden niet met naam en toenaam in het boek, en twee belangrijke instanties gaven geen toestemming voor interviews. De hoogste baas internationale samenwerking van het Ministerie van Justitie verbood zijn ambtenaren om met de schrijvers te spreken, en ook het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie wilde niet meewerken. Het feit dat één van de auteurs, Wil van der Schans, bij buro Jansen & Janssen werkt dat kritisch onderzoek doet naar politie en inlichtingendiensten, was reden genoeg om elk gesprek te weigeren. Omdat er ook daar toch mensen waren die wel wilden praten, is wat zij te zeggen hadden anoniem (en tot spijt van de schrijvers zonder hoor en wederhoor) verwerkt.
De mensen die wel geïnterviewd zijn hebben echt de tijd genomen om hun visie duidelijk te maken, ze hadden er vanuit hun betrokken positie meer over nagedacht dan de meesten van ons, en naar ik vrees ook meer dan de politici die verantwoordelijk zijn voor het beleid rond internationale politiesamenwerking. Omdat die visies allemaal weer per thema (per hoofdstuk) gerangschikt zijn, krijg je een goed overzicht van wat er speelt, van wat de verschillende belangen zijn en hoe die posities bepaald zijn door de ervaringen en de achtergrond van de geïnterviewden. Bijkomend voordeel van deze opzet is, dat het gaat over de inhoud van het werk. Het is goed om te lezen hoe boos en verontwaardigd sommige advocaten zijn als ze vertellen over zaken waar ze bij betrokken zijn. Tegelijkertijd is het prettig dat je als lezer niet wordt opgescheept met een verzameling lange interviews per persoon die uiteindelijk geen ander belang dienen dan de ophemeling van het ego van de desbetreffende advocaten, zoals bijvoorbeeld het geval is met het nog dikkere boek (431 pagina's) "Advocaten" van VN-redacteur Marian Husken, met de treffende ondertitel: "Strafpleiters over opsporingsmethoden, hun praktijk en de glamour van het vak". Dat ijdele gedoe, dat is pas saai.
De latere hoofdstukken in "Keizer in Lompen" zijn het leukst om te lezen, omdat die het meest over de praktijk gaan -de genoemde ervaringen van advocaten, en bijvoorbeeld over het pionieren met grensoverschrijdende samenwerking in het zuiden van Limburg (geografisch gezien uniek: "Een smalle navelstreng van 4,9 kilometer verbindt dit deel met het noorden van Limburg en de rest van Nederland, terwijl de buitengrenzen met België en Duitsland zo'n honderd kilometer lang zijn. Elke dag komen in Limburg zo'n 50 tot 80.000 buitenlanders over de vloer"). Voor actievoerders verhelderend zijn de Groeistuipen van Europol en Strijd om de databanken, over de informatiehuishouding van Europa. Als je die hoofdstukken uit hebt word je toch benieuwd naar het begin van het boek dat meer gaat over hoe dit officieel allemaal geregeld is: de besluitvorming over Europese politiesamenwerking met inspirerende tussenkoppen als beleidsdiarrhee, de controle daarop en discussie erover (of liever, het gebrek aan beiden) en de verschillende projecten die er lopen. Tot slot is er nog aandacht voor de invloed van de Verenigde Staten en de bestrijding van het terrorisme op de internationale opsporing sinds de elfde september, en voor de nieuwste inzichten van minister van justitie Donner, als steen in de Hofvijver.
De belangrijkste indruk die blijft hangen na lezing van dit boek, is dat internationale samenwerking staat of valt bij goede persoonlijke contacten en het vertrouwen dat daarbij wordt opgebouwd. Ook al is de uitwisseling van gegevens op een gegeven moment uit oogpunt van efficiëntie geautomatiseerd en gaat dat makkelijker, dan toch wordt er gewezen op het belang van elkaar af en toe zien, samen een hapje eten en weten dat je van elkaar op aan komt. Hoe groter de afstand, ook cultureel gezien, hoe belangrijker dat is. Met je Turkse collega's moet je toch zeker een keer of vijf per jaar 'een vorkje prikken' - zoals dat heet in jargon. En als het voor het onderzoek niet uitmaakt, de grote drugsvangst op hun grondgebied laten plaatsvinden: goed voor het eergevoel van die mensen. De logische conclusie die zich opdringt, dat het eigenlijk niet uitmaakt wat voor regels er gemaakt worden, maar dat de samenwerking toch wel plaatsvindt, gaat misschien wat ver - in ieder geval is die redenering te snel en doet geen eer aan de weerbarstige realiteit. Wel mag je constateren dat er een kloof, of liever gezegd een ravijn gaapt tussen de mensen die het beleid in regels moeten vatten, zowel ambtenaren als parlementariërs, op .nl en .eu niveau, en de mensen die het uitvoeren. "Keizer in Lompen" is verplichte kost voor iedereen die met internationale politiesamenwerking te maken heeft - en dan vooral voor diegenen die de regeltjes zitten te maken over dingen waar ze veel te weinig vanaf weten. Voor beleidsmakers voor wie het de hoogste tijd is een visie te ontwikkelen, en voor advocaten en politiemensen die eens over de horizon van hun eigen zaak willen heenkijken. Voor journalisten en programmamakers die meer willen dan de waan van de dag. Tja, en voor wie nog meer?
Is dit een boek voor actievoerders? In veel mindere mate dan dat je dat van een boek dat voor 50% van buro Jansen & Janssen vandaan komt zou verwachten. Voor een deel is dat te verklaren uit het effect dat je vaker ziet als mensen zich uitvoerig gaan verdiepen in een onderwerp: meer kennis leidt tot meer begrip over de omstandigheden waarin politiemensen moeten werken, tot meer nuance. En dat is ook logisch: het is te simpel om botweg tegen Europese politiesamenwerking te zijn, het gebeurt toch. Bij zo'n gecompliceerd onderwerp is het van meer nut je erin te verdiepen om te zien waar het nou eigenlijk over gaat, voordat je van alles gaat roepen.
In dit geval ligt de kracht van het boek 't in naar buiten brengen van de praktijk van de internationale politiesamenwerking, verteld door direct betrokkenen, afgezet tegen een totaal gebrek aan visie en aan beleid daarover - om over de democratische controle maar te zwijgen. Je kunt dat zien als een moderne vorm van het onthullen (het zogenoemde 'neo-openbaarmaken' misschien?) die dan toch weer in de traditie van Jansen & Janssen ligt.
De auteurs beklagen zich over het gebrek aan maatschappelijke discussie over dit onderwerp, maar de vraag is of een boek als dit daar verandering in brengt. Het is geen pamflet, maar daarom niet minder waardevol - er zijn mensen gepromoveerd op minder kwaliteit. De bestellingen bij de uitgeverij komen voornamelijk van politie en justitie, nog in mindere mate van journalisten. De voorpublicaties staan in een aantal belangrijke vakbladen van justitie- en opsporingsambtenaren, de eerste recensie verscheen in de Staatscourant (waar de andere auteur overigens ook voor werkt). Als dit boek discussie oplevert, is het in eerste instantie meer discussie achter de schermen, dan in eigen kring. En dat zou zonde zijn. Misschien moeten de geïnterviewde wetenschappers, smaakmakers als Ybo Buruma, Andre Klip of Theo de Roos, zelf in de pen klimmen om naar aanleiding van dit boek hun mening te verkondigen op de opiniepagina's van de dagbladen om de discussie een zwieper te geven.
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 388, 19 februari 2004