Terug naar hoofdinhoud
  • Archivaris
  • 398

Nederlandse democratie

Stel: je bent Nederlands staatsburger en je raakt ongewild verzeild in een conflict met de Staat. Voordat het conflict ontstond was je een nette - de Wet gehoorzamende - en gezagsgetrouwe, hardwerkende ondernemer.

door Geert Theunisse (Antwerpen)

De oorzaak van het conflict ligt overduidelijk bij de Staat. Daar kan geen twijfel over bestaan omdat aan staatszijde ernstige fouten zijn gemaakt en die fouten nota bene zijn opgespoord, gerapporteerd en geboekstaafd door meerdere daarvoor bestemde instanties van de Staat zelf. Je komt er toch niet uit. De Staat ligt dwars en wil, ondanks overdonderend bewijs van haar ongelijk, niet toegeven dat er aan haar kant dingen zeer fout zijn gegaan. Intussen blijf je natuurlijk wel met - onder meer - de financiële brokken zitten. Brokken zo groot, dat je die niet kunt verantwoorden. Niet tegenover je financieringsbank, de toekomst van je familie, jezelf. Het conflict sleept zich jarenlang voort, je komt geen spat verder, en je besluit ten einde raad tot een drastische maatregel. Je compenseert de financiële brokken met een andere vordering, die de Staat -later- op jou denkt te kunnen instellen. Je laat de Staat schriftelijk weten wat je hebt ondernomen. De Staat trekt nu onmiddellijk het 'gelijk' tot zich en plaatst je als de eerste de beste misdadiger op een 'signaleringslijst', en weigert je bovendien verdere dienstverlening zoals bijvoorbeeld het verstrekken van een paspoort. Je doet een oproep aan de 'volksvertegenwoordiging' bij de Staat, en je richt je - met een bede voor het Recht in een Democratie - in een "open brief" tot de Tweede Kamer. Een lid van de Tweede Kamer reageert op je oproep en zegt toe de kwestie te zullen bestuderen. Je hoop op een oplossing laait weer op. Er volgen maanden van stilte, afgewisseld met schaarse, korte mededelingen van het kamerlid over de voortgang van zijn onderzoek. Ook doet het kamerlid uitspraken, die je hoop op een goede afloop nog versterken. Hij verklaart onder andere: "Ik begrijp dat u groot onrecht is aangedaan", "Mijn analyse is, dat het hier een ministerskwestie betreft", "Dit is een serieuze zaak en er moet een oplossing komen", "Echter, verder denkend en filosoferend kwamen wij op het idee om Uw zaak voor te leggen aan de huidige staatssecretaris van financiën (en daarmee van belastingen). Of dat wat oplevert weten wij niet, maar deze zaak is voldoende serieus om een volgende stap te overwegen" en "Deze zaak is eventueel op te lossen, maar dan in stilte."
Je weet niet wat te denken van deze 'stille' wending, maar je hoopt nog steeds op een goede afloop. Intussen zijn, sinds het eerste contact, weer bijna twee jaren verstreken. Dan doet hetzelfde Kamerlid in een krant plotseling de volgende uitspraak: "Ik heb deze zaak opgepakt uit puur politiek fatsoen, maar Theunisse mag geen valse verwachtingen koesteren. Het is nu eerder een kwestie van Genade voor Recht." Je begrijpt er nu helemaal niets meer van. Je vroeg immers om Recht, niet om Genade? Je komt in contact met een ander Tweede Kamerlid. Dit Kamerlid stemt in met een persoonlijk gesprek, en zelfs om dit gesprek te voeren onder het oog van een registrerende televisiecamera. Je hoop op eindelijk een goede afloop stijgt weer met sprongen. In het gesprek stelt dit Kamerlid zich zeer ontvankelijk en positief op. Hij verklaart tegenover de camera en jou onder meer het volgende: "Nou meneer, toen ik uw verhaal las, dacht ik eerst: Wat een fantast!" en "Maar toen ik verder ging lezen en nader bestuderen dacht ik: Hoe-bestáát-het?", "Hoe is dit in vredesnaam mogelijk?". "Ik ga in elk geval vragen aan de Minister stellen. Eerste vraag: Is U bekend met deze zaak? Tweede vraag: Wat gaat U eraan doen?" en "Dat ga ik zeker doen nadat ik contact heb opgenomen met het andere Kamerlid, dat uw zaak al in behandeling heeft." In je reactie na afloop van dit gesprek verklaar je tegenover de camera toch zo opgelucht en vol nieuwe moed en hoop te zijn. Je nieuwe hoop wordt dan op televisie uitgezonden. In de maanden volgend na dit laatste gesprek hoor je niets meer. Het eerste Kamerlid laat nog wel weten dat je maandenlange wachten op de beslissing van de staatssecretaris van Financiën wordt beloond met de boodschap, dat het zijn zaak niet is. Op je post aan deze twee Kamerleden: aanvullende informatie, vragen naar de voortgang, smeekbeden, rappelbrieven, enz, wordt door geen van beiden nog gereageerd. Met geen woord.
Het Eerstekamerlid is Wim van de Camp (Lid der CDA-fractie, ongeveer twintig jaar een zetel bezettend in de Tweede Kamer) en het Tweedekamerlid is Aleid Wolfsen (Lid der PvdA-fractie; enkele jaren in de Tweede Kamer, voormalig topambtenaar bij het Ministerie van Justitie, voormalig rechter bij en vice-president van de rechtbank te Amsterdam). Nu ben je pas ècht verdwaald. Verdwaald in de Nederlandse schijndemocratie.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 398, 17 december 2004