Terug naar hoofdinhoud
  • Archivaris
  • 374

de orthomoleculair leer

In het vorige nummer van Kleintje Muurkrant (november 2002) schrijft Ton Geurtsen over alternatieve geneeskunde. Hij noemt onder andere Nienhuys en Renckens. De eerste zou een haatdragende betweter zijn die stoten onder de gordel uitdeelt, terwijl de laatste een beledigende en leugenachtige feitenmanipulator (of orakel) is.

door Jan Willem Nienhuys en Cees Renckens

We zijn niet van plan in detail op Geurtsens argumenten in te gaan. Zijn artikel gaat helemaal niet over alternatieve geneeskunde in het algemeen, maar over een enkel takje daarvan, namelijk de orthomoleculaire leer. Die zou zijn gegrondvest door Linus Pauling. Pauling bedacht de kwantumtheorie van chemische binding, en protesteerde tegen kernwapens. Daarvoor kreeg hij een Nobelprijs. Dat maakt hem echter niet competent in de geneeskunde.

Pauling vermoedde dat grote doses (vele tientallen malen de aanbevolen dagelijkse dosis) vitamine C tegen kanker beschermen. Dat had hij niet zelf bedacht, maar de arts Cameron.
Nu is de geneeskunde een exacte wetenschap in de zin dat de ervaring in de vorm van goed opgezette proeven en van met zorg verzamelde gegevens het laatste woord hebben. Welnu, in het onderzoek van Cameron bleek een fout te zitten veroorzaakt door subjectieve beoordelingen van Cameron zelf, en latere onderzoekingen weerlegden dat vitamine C een gunstige invloed op het verloop van kanker heeft. De volgelingen van Pauling hebben diens vermoedens uitgebreid tot de bewering dat grote hoeveelheden vitamines en sporenelementen in veel verschillende opzichten beter zijn. Met andere woorden, men moet heel veel innemen van iets dat van nature al ruim voldoende aanwezig is in een gevarieerd dieet.
Dit maakt die volgelingen tot alternatieve genezers. Dat zijn personen die behandelmethoden of diagnostische methoden in de praktijk brengen waarvoor geen deugdelijke bewijzen bestaan.

Tegenwoordig vindt men het normaal dat iemand die produkten of diensten aan het publiek aanbiedt, garant staat voor de kwaliteit, voor zover objectief vaststelbaar. Nu kan de dokter niet garanderen dat je beter wordt, maar een zieke mag wel verwachten dat de arts slechts behandelingen toepast die naar de huidige stand van de wetenschap een objectief vastgesteld effect hebben. Wanneer men artsen en farmaceuten verwijt hierin te kort schieten, kan men niet in een adem een vrijbrief verlangen om er zelf nog veel erger de hand mee te lichten.
Bij het toepassen van een behandeling moet je altijd een afweging van voors en tegens maken. Als er geen voors en een heel klein beetje tegens zijn - al was het maar de prijs - is de keus snel gemaakt. Dit aspect dat voor een middel of behandelingswijze behoorlijk bewijs moet bestaan, is zo belangrijk dat het vaak makkelijk is vast te stellen of met een alternatieve behandelwijze van doen heeft, of met een reguliere geneeswijze die nog bezig is orde op zaken te stellen.
Men vraagt de beoefenaar gewoon hoe het zit met de bewijzen. Als die dan begint over de persoonlijke ervaring, of aanvoert dat in zijn of haar branche een ander paradigma geldt, of als men in invectieven losbarst of een samenzweringstheorie lanceert, dan weet men al hoe laat het is. Een tactiek die ook wel wordt toegepast is dat een groot aantal publikaties wordt gepresenteerd, waarvan niet is na te gaan in hoeverre die uit deugdelijke bewijzen ten gunste van de aanbevolen methode bestaat. Wat botter gezegd: honderd maal onzin is ook onzin, maar vaak teveel om serieus te bekijken.

Praktisch werkende medici komen af en toe in aanraking met gevallen van schade door alternatieve behandelwijzen, meer dan in de publiciteit komt. In veel van die gevallen gaat het om gezondheidsschade door uit- of afstel van effectieve behandelingen. Werkeloos moeten toezien hoe iemand zich verrijkt door de verkoop van valse hoop is ook frusterend. Maar we kunnen de emoties wel buiten beschouwing laten: de alternatieven produceren geen bewijzen, dat is in laatste analyse het enige dat relevant is.
De discussie over een alternatieve geneeswijze kan dus snel worden afgerond: de voorstanders moeten hun wetenschappelijke bewijzen publiceren in de daartoe bestemde media. Daar hoort Kleintje Muurkrant niet bij.
Het is ook kenmerkend voor het betoog van Geurtsen dat hij maar één bron aanhaalt, namelijk een geschrift van Matthias Rath. Veel van zijn informatie (maar voor zover we kunnen nagaan niet Geurtsens suggestie dat het hiv geen aids veroorzaakt) lijkt afkomstig van deze Duitse arts, die zijn vitamineverzendbedrijf in Nederland vestigde, omdat zijn praktijken in Duitsland verboden zijn. Rath, een soort twijgje aan het orthomoleculaire takje. Deze Rath is dezelfde die zich vanaf voorjaar 2000 op paginagrote advertenties ("Geachte collegae..." [sic]) zogenaamd tot cardiologen richt, zogenaamd om discussies in het parlement op gang te brengen, dezelfde die later dat jaar door de Reclame Code Commissie werd teruggefloten, en dezelfde die afgelopen zomer de Tweede Kamer deed bestoken met 600 miljoen e-mails. De rechter moest eraan te pas komen om hem dit te verbieden. Volgens het woordenboek is een van de kenmerken van een kwakzalver dat hij zijn middelen tegen alle mogelijke kwalen met ophef te koop aanbiedt. Het woord kwakzalver is een oer-Nederlands woord (Engelsen en Duitsers hebben het van ons overgenomen), maar de etymologie is onzeker. Kwak hangt samen met kwakkelen of met kwaken. Kwaken, dus herrie maken, is in elk geval zonder meer van toepassing op Rath.

Een typische alternatieve truc is dat men met andermans veren pronkt. Dit zien we ook weer in de bijdrage van Ton Geurtsen. Een jaar of tien geleden kwamen de eerste aanwijzingen dat een tekort aan foliumzuur iets te maken zou kunnen hebben met spina bifida (open ruggetje). De gegevens waren niet zo duidelijk, het mechanisme van zowel het ontstaan van een tekort als het defect was onduidelijk. Aanvankelijk stonden veel geneeskundigen er sceptisch tegenover, pas later gingen zij overstag. Het laatste woord is nog niet gezegd trouwens, want over de oorzaken van een gebrek aan foliumzuur wordt nog gespeculeerd. Nu beweren de orthomoleculairen dat zij degenen waren die het eerst de link legden tussen spina bifida en foliumzuur.
Vitamine C is natuurlijk belangrijk. Het vervult vele functies in het lichaam. Bij een ernstig gebrek aan vitamine C krijg je eerst vage vermoeidheids- en pijnklachten, en pas na maanden zijn er duidelijke tekenen, zoals bloedinkjes en gezwollen tandvlees. (Het woord scheurbuik heeft niets te maken met scheurende aderen, maar is een verbastering van een oud woord voor oedeem.) Doordat vitamine C onder meer nodig is om een bestanddeel van de 'lijm' tussen cellen van bindweefsel te maken, leidt een tekort aan vitamine C op den duur tot haarvaten die makkelijk kapot gaan. Rath redeneert nu ongeveer: een tekort aan vitamine C is slecht voor bloedvaten, dus heel veel van deze stof is er goed voor.
De logica lijkt verdacht, maar volgens Rath komen er door gebrek aan vitamine C veel kleine scheurtjes in bloedvaten, die dan gerepareerd worden met cholesterol. Dit proces kun je het best stoppen door iemand heel veel vitamine C te laten eten. Degraderend bindweefsel heeft bij van tal van andere ziekten zoals kanker of virusinfecties (verkoudheid, aids...) een ongunstige invloed op het verloop, daar helpt dezelfde vitamine in combinatie met andere simpele stoffen dan ook tegen. Leuk bedacht en altijd aantrekkelijk, een enkele simpele oorzaak en een enkel simpel middel voor alle mogelijke erge kwalen. Maar waar zijn de bewijzen, in het bijzonder de proeven die de correctheid van deze causale keten en de effectiviteit van deze behandeling aantonen? Die zijn er niet. Daarmee is alles gezegd.

(Jan Willem Nienhuys is eindredacteur van 'Skepter', de driemaandelijkse uitgave van de Stichting Skepsis. Cees Renckens is voorzitter van de Nederlandse Vereniging tegen de Kwakzalverij)

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 374, 20 december 2002