Terug naar hoofdinhoud
  • Archivaris
  • 351

De oorlogsverklaring van Peter Zegers

In het vorige Kleintje gaf Peter Zegers te kennen moeite te hebben met het feit dat dit tijdschrift Peter Edel de gelegenheid geeft om zijn standpunten aangaande Israël, het zionisme etc. kenbaar te maken. Toch is het niet in de eerste plaats een artikel dat ooit in Kleintje Muurkrant is verschenen waar Zegers zich recentelijk over heeft opgewonden.

door Peter Edel

In plaats daarvan heeft de kritiek van Zegers, direct dan wel indirect, vooral betrekking op het artikel "Kanttekeningen bij herdenking", dat in 1996 in het Amsterdamse tijdschrift Ravage verscheen. Zegers vindt dat ik mij van deze publicatie, in feite mijn eerste journalistieke product, moet distantiëren. In dit artikel zal ik uitleggen waarom ik dat nooit heb gedaan en dat ook in de toekomst niet van plan ben.
In de eerste plaats zou afstand nemen van "Kanttekeningen bij herdenking" betekenen dat ik toe zou geven dat het gehele artikel niet klopt en dat is zeker niet het geval; ik blijf er nog altijd bij dat verreweg het grootste gedeelte van de door mij in 1996 aangedragen feiten klopt. Dat laatste ziet ook Zegers in, want zijn eis dat ik mij van het artikel distantieer, is maar op een paar facetten uit "Kanttekeningen bij herdenking" gebaseerd. Dit betekent niet dat ik mij momenteel nog kan verenigen met de wijze waarop "Kanttekeningen bij herdenking" tot stand is gekomen. Vooral het samenzweringsachtige aspect in dat artikel is iets dat me nu nooit meer zou gebeuren, hetgeen niet wegneemt dat ik ook tegenwoordig nog van mening ben dat samenzweringstheorieën interessante aanknopingspunten kunnen bieden. Ik weet niet waarom Zegers aan mijn kunstenaarschap heeft gerefereerd, maar in deze hoek moeten in ieder geval wel de oorzaken gezocht worden waarom ik in 1996 met een aantal zaken nogal kort door de bocht ben gegaan. In latere artikelen heb ik overwogen wat er met "Kanttekeningen bij herdenking" fout is gegaan. Zoals in de verklaring die ik in 1998 schreef naar aanleiding van de uitspraak die rechter Bartels dat jaar deed in het proces tegen Ravage en ondergetekende. Daaruit de volgende twee citaten (1):
"'Kanttekeningen bij herdenking' was niet alleen het eerste dat ooit van mij gepubliceerd werd, het was tevens het eerste relatief korte artikel dat ik heb geschreven. Dat betekent niet dat de thema's die ik hier aansneed op dat moment nieuw voor mij waren. Die gebruikte ik toen al jaren als onderwerpen in mijn werk als beeldend kunstenaar. Na verloop van tijd begon ik aan diezelfde onderwerpen echter overwegingen te verbinden, die tot gevolg hadden dat alleen het medium van de kunst niet voldoende meer was om uit te drukken wat ik bedoelde. Het lag toen voor de hand om te gaan schrijven, al had ik daarin weinig of geen ervaring".
"Waar ik op dat moment echter niet bij stil stond was dat het artikel geschreven was vanuit de maatstaven die ik vanuit de beeldende kunst hanteerde en niet die welke voor de journalistiek gelden. En daar zit een enorm verschil tussen. In kunst 'kan' simpelweg veel meer, dan in de journalistiek. Dat in de kunst veel, zo niet alles, om het nastreven van vrijheid draait, heeft daarmee veel mee te maken. Dat is ook de reden waarom ik ooit voor de kunst heb gekozen. Het artikel was daarmee eerder kunst dan journalistiek. Die laatste invalshoek is een totale vergissing geweest, die aan alle problemen ten grondslag ligt. Want op die manier begreep natuurlijk niemand het. Als het in een kunstcontext was gepubliceerd, dan had dat misschien nog mogelijk geweest. Nu het in een politiek georiënteerd tijdschrift als Ravage terecht was gekomen, was daar echter geen enkele kans op. Maar in al mijn naïviteit ging ik er vanuit dat een journalistieke interpretatie van mijn, vooralsnog in beeldende kunst verwerkte gedachtengoed, niet tot andere reacties kon leiden".

ADL/KKK/EIR/KNP
De kritiek van Peter Zegers is vooral gebaseerd op de al vaker besproken passage uit "Kanttekeningen bij herdenking", waarin een verband werd gelegd tussen de Amerikaanse Anti Defamation League of B'nai B'rith en de eveneens uit de VS afkomstige Ku Klux Klan. Vanwege zijn afkeer van de bron die ik dit verband heb genoemd, kan dit volgens Zegers onmogelijk waar zijn. Het draait hier om het tijdschrift "Executive Intelligence Review" (EIR), dat nauw verbonden is aan de Amerikaanse econoom en politicus Lyndon LaRouche, iemand die voor Zegers een antisemitische samenzweringstheoreticus is en om die reden een verdachte bron (2). Zegers is het niet eens met de ideologische inzichten van LaRouche, hetgeen hem tot het oordeel brengt dat een uitspraak van deze Amerikaanse publicist, of zijn medewerkers, nooit waar kan zijn. Voor Zegers is iets zo te zien alleen waar als de bron in zijn ideologische straatje past. Jammer genoeg zit de wereld niet zo eenvoudig in elkaar, helaas moet ik zeggen, want het zou er allemaal een stuk overzichtelijker door worden. De redenatie van Zegers doet denken aan de redeneertrant die je vaak ziet binnen orthodox christelijke kringen in Nederland. Zoiets in de trend van: "Satan liegt altijd, zelfs als hij de waarheid spreekt liegt hij". Zo zie je maar weer dat links en reformatorisch Nederland meer met elkaar gemeen hebben dan je in eerste instantie zou verwachten. Mijn activiteiten manoeuvreren dan ook niet zonder reden tussen Kleintje Muurkrant en het uit orthodoxe christenen bestaande 'Katholiek Nederlands Persbureau' (KNP). Er valt aan beide kanten veel werk te verrichten om vastgesleten dogma's ter discussie te stellen, waarbij ik het typerend vind dat Israël, het zionisme en de joodse gemeenschap aan beide kanten gloeiend hete hangijzers zijn.

de evolutie van LaRouche
Dat ik informatie heb betrokken uit de richting van Lyndon LaRouche, betekent voor Zegers dat ik het in ideologisch opzicht volledig met deze figuur eens ben. Niets is minder het geval, want ik ben de laatste om te ontkennen dat LaRouche en zijn aanhang erg vreemde sprongen hebben gemaakt. Het merkwaardigste aspect aan dit gezelschap is waarschijnlijk de miraculeuze wijze waarop men in de laatste decennia door het politieke spectrum is geschoven. LaRouche kan dan tegenwoordig als extreem rechts bekend staat, maar in de jaren zeventig hield hij er nog een wereldbeeld op na dat heel goed als extreem links kon worden omschreven. Dat gold tevens voor de opvattingen die LaRouche er destijds op nahield over Israël en het zionisme.
Het was pas op een later tijdstip dat LaRouche als extreem rechts te boek kwam te staan. Er zijn inderdaad verschillende elementen die tegenwoordig in deze richting wijzen, zoals het standpunt van LaRouche over kernenergie, waarvoor ik geen enkele begrip kan opbrengen. In dit opzicht is LaRouche gewoon de leider van een uiterst reactionaire club. Zegers zal nu waarschijnlijk roepen dat ook de kritiek in LaRouche publicaties op ADL/B'nai B'rith onder extreem rechts kan worden gerangschikt, maar dat is nu precies niet het geval. De latere aanvallen op het zionisme, zijn namelijk zonder meer een erfenis van de linkse LaRouche-periode. Overigens is de toonzetting ten aanzien van het zionisme sterk veranderd in EIR. Tegenwoordig verschijnen in dit tijdschrift regelmatig artikelen, waarin het door 'linkse' zionisten geïnitieerde 'vredesproces' in alle toonaarden wordt opgehemeld. Israëlische politici als Peres en Rabin worden daarbij zalig verklaard, hetgeen haaks staat op de vroegere benadering van het zionisme door aan LaRouche verwante publicaties.
Zoals ik in "Kanttekeningen bij herdenking deel II(f)" al beschreef, is de ideologie van de aan LaRouche verwante organisaties gecentreerd rond praktijken die aan het Britse establishment worden toegeschreven. Je kan het zo gek niet bedenken of de Britten krijgen er de schuld van bij LaRouche. Bovendien wordt alles met diezelfde Britten in verband gebracht. Als EIR bijvoorbeeld joodse organisaties noemt, dan is dat doorgaans in een Britse context. Met dat anti-Britse gegeven kun je het eens zijn of niet. Zelf ben ik ervan overtuigd dat het Britse establishment zeker het één en ander op zijn kerfstok heeft staan, maar aan de andere kant lijkt hetzelfde me voor andere landen te gelden. Maar daar horen we LaRouche & Co. nooit en te nimmer over, voor hem zijn het alleen de Britten die het gedaan hebben.

Bronfman de drankboer
Hoe komt het dan toch dat LaRouche het imago van een antisemiet heeft gekregen? Het antwoord op die vraag houdt nauw verband met één van de belangrijkste publicaties van EIR: het eind jaren zeventig voor het eerst verschenen boek "Dope. Inc.", dat betrekking heeft op de internationale drugshandel. In "Dope Inc." werden onder andere de praktijken van de Amerikaanse familie Bronfman, van het 'Seagram' drankimperium, aan de kaak gesteld. De basis van de rijkdom die de Bronfman's hebben vergaard, ontstond in de VS tijdens de drooglegging; het verbod op alcohol tussen 1920 en 1933 in de VS, waardoor er meer gezopen werd dan ooit tevoren. De familie Bronfman was destijds nauw betrokken bij de illegale invoer van alcohol. Hun aanpak verschilde weinig van andere families die hier hun fortuin vergaarden, zoals bijvoorbeeld de familie Kennedy. Later zouden de Bronfmans volgens "Dope Inc." ook met de handel in drugs zijn begonnen. Of dat werkelijk zo was doet eigenlijk niet zoveel te zake, al is het een feit dat tijdens de drooglegging structuren zijn ontstaan die later de internationale drugshandel zouden dienen. Dat deze familie schatrijk is geworden aan de handel in alcohol is op zich echter al erg genoeg. Alcohol is een 'killer' van de eerste orde, die in tal van opzichten veel funester is dan wat voor 'streetdrug' dan ook. Iemand die daar in handelt verrijkt zich aan de ellende van anderen en dat is voor mij, onder wat voor omstandigheden dan ook, verwerpelijk. De legale status van drank doet daar niets aan af en de joodse achtergrond van de familie Bronfman nog minder; de niet-joodse Freddie Heineken is voor mij bijvoorbeeld net zo'n grote crimineel. Gezien zijn anarchistische achtergrond moet dit alles Zegers toch niet onbekend voorkomen. Leeft in anarchistische kringen niet Domela Nieuwenhuis' stelling: "Drinkende arbeiders denken niet en denkende arbeiders drinken niet"?
Dat de thans zo respectabele familie Bronfman aldus in "Dope Inc." aldus werd aangevallen, werd LaRouche en zijn aanhang niet in dank afgenomen. De Bronfman's begonnen daarop een offensief tegen EIR. En zo gebeurde het dat bevriende organisaties van de Bronfman's, als ADL/B'nai B'rith en figuren als Dennis King en (Zeger's 'pen pal') Chip Berlet, een lastercampagne tegen LaRouche ontketenden, waarbij antisemitisme het trefwoord was. Hoe effectief men daarbij te werk ging, blijkt wel uit het feit dat Zegers er anno 2000 nog altijd met open ogen in tippelt.

EIR als journalistieke bron
Op ideologisch gebied valt op LaRouche en zijn organisaties heel wat aan te merken; ik ben, zoals ik eerder al schreef, de laatste om dat te ontkennen. Met het journalistieke niveau van EIR ligt dat echter heel anders. Ik lees dit tijdschrift met enige regelmaat en steeds valt me weer op hoe goed de EIR journalisten bij de les zijn. Vaak tref ik hier zaken aan, die pas maanden of jaren later in de reguliere pers opduiken. Vaak heb ik artikelen uit EIR geverifieerd en telkens bleek men het daar aan het rechte eind te hebben. Aan Zegers gaat dit alles voorbij want hij heeft EIR zo te zien nog nooit gelezen. In plaats daarvan beperkt hij zich tot de critici van dit tijdschrift. In 1996 vormden de journalistieke kwaliteiten van EIR naar mijn mening voldoende waarborg om de relatie tussen de ADL en de KKK uit het artikel van Scott Thompson in "Kanttekeningen bij herdenking" over te nemen. Later is die indruk vele malen bevestigd. Onlangs kreeg ik, om redenen waarop ik hier niet ik wil gaan, de gelegenheid tot een blik in de keuken bij EIR. Eens te meer viel me daarbij op hoe gedegen men daar in journalistiek opzicht te werk gaat.
Een moeilijk punt bij het artikel van Scott Thompson is het ontbreken van bronnen. Zelf heb ik al eens geschreven dat ik om die reden het artikel van Thompson links zou laten liggen als ik "Kanttekeningen bij herdenking" opnieuw zou moeten schrijven. Voor Zegers gaat dit niet ver genoeg, hij noemt het ontbreken van bronnen als één van de redenen waarom ik me van Thompson's artikel zou moeten distantiëren. Begrijp echter wel dat de organisatie achter EIR erg omvangrijk is en dat men het zich om die reden kan permitteren hoofdzakelijk artikelen te publiceren die gebaseerd zijn op eigen onderzoek. Vaak wordt daarbij met geheime informanten gewerkt, waardoor het noemen van bronnen bij voorbaat is uitgesloten. In veel opzichten geldt EIR dan ook als een particuliere inlichtingendienst.
Een andere reden waarom ik de bewering uit EIR over infiltratieprojecten binnen de KKK door de ADL achteraf nog steeds gerechtvaardigd acht, is het feit dat dit tijdschrift zeker niet alleen staat waar het kritiek op de ADL betreft. In 1996 was EIR hieromtrent nog mijn enige bron, maar ondertussen heb ik een scala aan publicaties gevonden waarin ADL scherp wordt bekritiseerd. Daar ben ik in de artikelenserie voor Kleintje Muurkrant onder de titel "Kanttekeningen deel II" op ingegaan. De publicaties die ik hier noemde bevestigen dat ADL met behulp van informanten en infiltranten werkt, zoals ook Scott Thompson heeft beschreven. Bovendien worden ook hier contacten met extreem rechtse kringen naar voren gebracht. Zegers houdt dergelijke publicaties volledig buiten beschouwing. En niet zonder reden. Als hij dat wel zou doen zou hij er immers niet omheen kunnen dat ADL ook zonder de beweringen in EIR een uiterst dubieuze organisatie is.

Lenni Brenner en David Icke
Zegers doet een poging om mijn bronnen tegen mij te gebruiken, maar die vlieger gaat niet op. De vraag hoe hij daarbij te werk is gegaan, stelt me voor raadsels. Voor zover ik begrepen heb meent hij dat ik Lenni Brenner's "Zionism in the Age of the Dictators" als bron heb gebruikt voor het in Ravage verschenen "Kanttekeningen bij herdenking". In werkelijkheid had ik (helaas) nog nooit van Brenner gehoord toen ik dit artikel schreef. Vervolgens noemt Zegers elementen uit het artikel van 1996 en denkt hij ze te ontkrachten door aan te geven dat hij deze bij Brenner niet terug kon vinden. Zo windt hij zich op over het "ere-ariërschap", omdat Brenner hier niets over heeft geschreven. Ja, als ik Kleintje Muurkrant in het telefoonboek van Amsterdam probeer te vinden lukt het ook niet. Als het niet bij Brenner vandaan komt, dan moet dat ere-ariërschap volgens Zegers wel gebaseerd zijn op een extreemrechtse bron. De bron in dit verband is echter verre van extreem rechts. Het is namelijk afkomstig uit "Prins Bernhard, een politieke biografie" van Wim Klinkenberg (3). Verder meent Zegers dat Brenner's boek in tegenspraak is met mijn beschrijving van de samenwerking tussen de WZO en de nazi's in de jaren dertig. En dat terwijl "Zionism in the Age of the Dictators" mijn eerste bron in dit verband was. Zegers citeert Brenner: "De nazi's speelden met de zionisten zoals een kat met een muis zou spelen." Is Zegers nu werkelijk in de veronderstelling dat ik deze uitspraak tegen zou spreken? Tegelijkertijd vraag ik me echter af wat die vaststelling aan het toenmalige handelen van de WZO verandert? Want Brenner beschrijft tevens uitgebreid hoe de zionisten van de WZO jaren achtereen met zich lièten spelen door de nazi's, maar daar horen we Zegers niet over. De machtsverhoudingen waren geen excuus voor de handelswijze van deze zionisten, toen zij de nazi's voorstelden om tot een samenwerking te komen. De WZO was tot veel in staat om de vorming van een joodse staat te bewerkstelligen, zelfs als daar een alliantie aan te pas moest komen met een regime dat zich vijandig opstelde ten aanzien van joden. Dat de nazi's hier gretig op in gingen, kan alleen de leiders van de WZO verweten worden; niemand vroeg hen in 1933 om met de nazi's in zee te gaan. Zeker niet de joden in Duitsland, die voor het overgrote deel niets met de WZO te maken wilden hebben.
Zegers gaat uiterst selectief te werk met Brenner's boek en klampt zich vast aan een passage die hij volledig uit zijn context licht. Zo kun je overal wel wat vinden. Het had me niet verbaasd als hij met Israel Shahak, waar ik naast Brenner eveneens veelvuldig naar verwezen heb in mijn artikelen, op soortgelijke wijze te werk was gegaan. Ook in diens publicaties kan Zegers beslist wel een zin vinden, die geïsoleerd uit z'n context, de indruk wekt tegenstrijdig te zijn met de wijze waarop ik de zaken heb beschreven. Of is Shahak ook voor Zegers een 'zelfhater'?

Om mij als antisemiet te kunnen brandmerken schrijft Zegers zelfs een verdachte bron aan mij toe, die ik nooit als zodanig heb gebruikt. Zeker, ik heb David Icke genoemd in het artikel "Misverstanden rond samenzweringstheorieën" in Kleintje 343, maar als bron? Ik heb deze Britse samenzweringstheoreticus ter sprake gebracht om aan te tonen dat er een verschil bestaat tussen diens samenzweringsdenken en het raciaal getinte neonazisme van de nog veel engere Chileense UFO-freak Miguel Serrano. Dat is iets heel anders dan Icke opvoeren als bron. Dat laatste heb ik nooit gedaan in een artikel voor het Kleintje en ik ben ook niet van plan dat ooit nog te gaan doen. Zegers haalt het verschil tussen bron en onderwerp door elkaar. Als we zijn redenatie desalniettemin voor de grap even volgen en er vanuit gaan dat Icke één van mijn bronnen is, dan kan dat tot geen andere conclusie leiden dan dat ik een bron ben van Zegers. Het noemen van een publicist is voor hem immers al voldoende reden om deze als bron aan te merken.

samenzweringsfantasten?
Voor alle duidelijkheid: joden zijn voor mij mensen zoals alle anderen. Ik maak geen enkel verschil tussen de joodse gemeenschap en wat voor andere bevolkingsgroep dan ook. Maar tegelijkertijd kan ik me niet voorstellen dat er over joden geen minder plezierige kanten vallen te noteren, terwijl dat bij andere bevolkingsgroepen altijd het geval is, want niemand is perfect. Zegers gelooft kennelijk graag dat joden een soort supermensen zijn, waarop onder geen enkele omstandigheden negatieve kwalificaties op vang toepassing kunnen zijn. Bij kritiek op joodse organisaties vraagt hij zich niet eerst af of deze misschien terecht is; voor hem is het meteen antisemitisme.
Zegers veronderstelt verder dat ik me in het zionisme ben gaan verdiepen nadat "Kanttekeningen bij herdenking" in Ravage was verschenen. Kennelijk doet hij dat omdat ik in "Kanttekeningen deel II" een aantal bronnen heb genoemd, die ik eerder nog niet kende. Ja, daar kan ik weinig aan veranderen. Omgekeerd kan ik me overigens niet aan de indruk onttrekken dat Zegers mijn artikelen pas is gaan lezen nadat zijn vooroordelen jegens mijn persoon hem deden besluiten in de pen te klimmen. Het duurde immers wel heel lang voordat hij reageerde...

De beschuldigingen van Zegers waarop ik tot nu toe heb gereageerd, zijn van het soort waar ik over het algemeen de schouders over ophaal. Anders is het gesteld met de slotzin uit zijn betoog, want daarmee gaat hij mijns inziens echt te ver: "Treffend genoeg vond hij" (ik dus) "alleen bij extreem rechtse en antisemitische samenzweringsfantasten steun voor zijn opvattingen."
Ik wil Zegers hierbij uitdagen om in de bronnen van de artikelenserie "Kanttekeningen deel II", (los van EIR) één extreem rechtse, dan wel antisemitische bron aan te wijzen. Wil hij nu echt beweren dat publicisten als Lenni Brenner, Noam Chomsky, Israel Shahak en tijdschriften als De Brug, Cover Action Quarterly en De Antifascist daaronder te rangschikken vallen? En wat te denken van de Encyclopedia Judaïca en de Yad Vashem studies waar ik tevens naar verwezen heb. Is dat ook allemaal het werk van antisemitische samenzweringsfantasten? Kennelijk gaat Zegers niets te ver om de 'antisemiet' Edel neer te sabelen. Als hij er echter niet in slaagt om te bewijzen dat de bronnen van "Kanttekeningen deel II", als extreem rechts of antisemitisch te boek staan, dan zou ik het op prijs stellen wanneer hij zijn woorden terugneemt. Wat hij in de laatste zin van zijn artikel schrijft, is namelijk beledigend voor mijn bronnen en daar til ik zwaar aan, want die mensen hebben me goed geholpen in de afgelopen jaren. Die slotzin heeft aldus veel weg van een oorlogsverklaring. Als Zegers het op die manier wil spelen, dan moet hij dat vooral doen. Het CIDI hebben we achter de rug; Zegers lust ik er ook nog wel bij (4).

1. Dit artikel stond indertijd op de internetsite van het Kleintje.
2. Zegers verwijt mij verdachte bronnen te gebruiken, terwijl hij daar zelf een meester in is. Want hij wijst mij doodleuk op de site van de Jewish Defence League (JDL) om te suggereren dat de waarheid hier eerder te vinden zou zijn dan bij EIR. Dat de JDL een terroristische organisatie is, waarvan de oprichter Meir Kahane in Israël is vergeleken met Hitler, vermeldt hij echter nergens.
3. Voor alle zekerheid neem ik de betreffende passage uit "Prins Bernhard, een politieke biografie" (pagina 203) hier over: "...op diezelfde Plaats was een façadebank van duistere Duits-Anglo-Amerikaanse zaken op het hoogste niveau gevestigd, het West-Europeesche Adminisatiekantoor, waar de Haagse joodse accountant Jan Polak - eveneens op de Plaats genesteld - de feitelijk directie van voerde waarvoor hem in 1943 bij speciale beslissing van Seyss-Inquart het 'ere-ariërschap' werd verleend, dat hem het recht gaf zich voortaan Jan Onderdenwijngaard te noemen."
4. Ik wil Zegers voorstellen om deze discussie verder via Internet te voeren. Ik vind het namelijk erg jammer dat de kostbare ruimte in het Kleintje hieraan besteed wordt. Er zijn per slot van rekening belangrijker zaken aan de orde. Zoals de Palestijnse kinderen die dagelijks in Israël worden vermoord. Een uitgebreidere versie van dit artikel is overigens nu al te vinden op mijn internetsite: www.stelling.nl/peteredel

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 351, 15 december 2000