Israëlische Muurbouw
Naar aanleiding van het feit, dat de Algemene Vergadering van de VN met grote meerderheid van stemmen in een recentelijk
aangenomen resolutie het uitgebrachte advies van het Internationaal Gerechtshof in Den Haag heeft overgenomen en in dat kader Israël gevraagd heeft het reeds gebouwde muurgedeelte in de bezette Palestijnse Westelijke Jordaanoever ongedaan te maken is het van belang zowel de recente voorgeschiedenis van de bouw van de muur als de hieraan verbonden politiek-humanitaire implicaties nog eens de revue te laten passeren.
door Astrid Essed
In juni 2002, een maand na de beëindiging van het eerste grote Israëlische militaire offensief in de bezette Palestijnse gebieden, hetgeen gepaard was gegaan met een groot aantal door het Israëlische leger gepleegde mensenrechtenschendingen cq oorlogsmisdaden, gaf de Israëlische regering het startsein voor de bouw van de Israëlische Muur met als doel het verhinderen van zelfmoordaanslagen op Israëlische burgers. Al spoedig werd echter duidelijk, dat deze door Israël gestarte Muurbouw niet zoals aanvankelijk was aangekondigd langs de Groene Lijn liep (de officiële grens tussen Israël en de door Israël bezette Palestijnse gebieden], maar diep door bezet Palestijns gebied sneed. Politiek gezien impliceerde dit annexatie van de bezette Palestijnse gebieden, hetgeen een flagrante schending was van de in 1967 aangenomen VN-Veiligheidsresolutie 242, die Israël ertoe opriep zich uit de in de juni-oorlog veroverde gebieden terug te trekken waaronder onder anderen uit de bezette Palestijnse gebieden. Daarenboven impliceerde deze Muurloop door bezet gebied in de praktijk een ernstige schending van de mensenrechten van de bezette Palestijnse bevolking.
Bij deze Muurbouw is er sprake van een drietal factoren, die hebben geleid tot ernstige humanitaire noodsituaties onder de Palestijnen. In de eerste plaats is er bij de directe muurbouw sprake van zowel het vernietigen van landbouwgronden als huizen en winkels, waardoor tienduizenden Palestijnen van hun basis-inkomsten beroofd werden, hetgeen niet alleen in strijd is met de hoofdverantwoordelijkheid van Israël als bezettende macht voor de veiligheid, het welzijn en de welvaart van de
bezette bevolking (4e Conventie van Genève), maar daarenboven met artikel 53 van de 4e Conventie van Genève, dat onteigeningen van de bezittingen van "beschermde personen" (mensen, die leven onder een bezetting) verbiedt. Het bijkomende gevolg van deze onteigeningen is vaak het massaal wegtrekken van de Palestijnse bevolking naar andere gebieden, aangezien hun woon en leefmogelijkheden in het betrokken gebied onmogelijk zijn geworden, hetgeen de facto neerkomt op het verdrijven van de bevolking, hetgeen een ernstige schending is van het Internationaal Recht.
Een ander verschijnsel zijn de zogenaamde enclaves, hetgeen impliceert, dat Palestijnse steden en gebieden geheel of vrijwel geheel omsloten zijn door "de Muur", waardoor het Palestijnen vanwege de zeer stringente controle door het Israëlische leger vrijwel onmogelijk gemaakt wordt om toegang te krijgen tot hun landbouwgronden, sociaal-medische voorzieningen en scholen, hetgeen niet alleen vanuit sociaal-humanitair standpunt onacceptabel is, maar tevens een ernstige schending is van het recht op bewegingsvrijheid voor mensen, woonachtig in de bezette gebieden (artikel 43 van de Haagse Conventie van 1907 en artikel 12 van het Internationale Convenant van Burgerlijke en Politieke Rechten). Een sprekend voorbeeld hiervan is de tot enclave gemaakte Palestijnse stad
Qalqilya (38.000 inwoners), waarbij nog afgezien van de humanitaire nood van de ingezetenen zelf eveneens de ingezetenen van een aantal omliggende dorpen worden getroffen vanwege hun economische afhankelijkheid van Qalqilya.
Volgens gegevens van de Israëlische mensenrechtenorganisatie B'tselem zijn er meer dan 875.000 Palestijnen het slachtoffer van ontoegankelijkheid tot hun landbouwgronden en sociaal-medische voorzieningen, hetzij door enclaves, hetzij vanwege het feit, dat hun landbouwgronden gelegen zijn aan de andere zijde van de Muur.
Nederzettingen
Een ander belangrijk gevolg van deze Muurbouw is de annexatie van 66 van de 124 op de bezette Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem aanwezige nederzettingen, in het geheel bestaande uit 322.800 bewoners. Deze in bezet gebied gestichte nederzettingen, die bovendien tot stand gekomen zijn door grootschalige Palestijnse landonteigeningen, zijn illegaal volgens het Internationaal Recht, dat stelt, dat het verboden is delen van de bevolking uit het bezettende land over te brengen naar bezet gebied (artikel 49, 4e Conventie van Genève). Een en ander is eveneens bekrachtigd in twee VN-Veiligheidsraadsresoluties - de nummers 446 en 452 uit 1979 - waarin Israël werd opgeroepen de nederzettingenbouw te staken en alle in bezet gebied bestaande nederzettingen te ontmantelen. Deze door de Muurbouw tot stand gekomen de facto annexatie van de nederzettingen is dus eveneens een ernstige schending van het Internationaal Recht.
Internationale kritiek
Uiteraard bleef internationale kritiek op de Israëlische Muurbouw niet uit, niet alleen van de kant van mensenrechtenorganisaties en het Rode Kruis, maar ook van de kant van een groot aantal regeringsleiders, de EU en de Secretaris Generaal van de VN, Kofi Annan. Naar aanleiding hiervan werd op 21 oktober 2003 een resolutie aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN, waarbij de Muurbouw in bezet Palestijns gebied werd veroordeeld als zijnde strijdig met het Internationaal Recht. Twee maanden later verzocht bovendien de Algemene Vergadering van de VN in een nieuwe resolutie het Internationaal Hof van Justitie in Den Haag de Israëlische Muurbouw in een adviserende uitspraak te toetsen aan de bepalingen van het Internationaal Recht.
Israëlisch standpunt: het Israëlische politieke verweer op deze internationale kritiek was gebaseerd op het feit, dat Israël van mening was gerechtigd te zijn zich te verdedigen tegen potentiële toekomstige zelfmoordaanslagen op Israëlische burgers, waarbij het zich juridisch gezien beriep op haar recht op zelfverdediging, uiteraard het feit negerend dat deze zelfmoordaanslagen, hoe verwerpelijk ook, het regelrecht gevolg zijn van de Israëlische weigering, resolutie 242 te willen implementeren en de bezetting en de nederzettingenpolitiek met daaraan inherent de talloze mensenrechtenschendingen te willen opheffen ondanks alle oproepen van de internationale gemeenschap in dezen.
De internationale gemeenschap echter bestrijdt niet Israëls recht op zelfverdediging, maar slechts het feit, dat de Muurbouw diep in bezet Palestijns gebied sneed, hetgeen in strijd is met het Internationaal Recht. Een en ander was uiteindelijk eveneens bepalend voor het advies van het Internationaal Gerechtshof aan de Algemene Vergadering, dat met name op grond van de Israëlische Muurbouw in bezet Palestijns gebied de adviserende mening aan de VN-Algemene Vergadering gaf, dat Israël de Muur moest afbreken en financiële schadeloosstelling moest betalen aan alle door de
Muurbouw gedupeerde Palestijnen.
De groene lijn
Hoewel het tot de internationale consensus schijnt te behoren, slechts de Muurbouw in bezet Palestijns gebied te veroordelen, maar eventueel wel de Muurbouw langs de Groene Lijn te willen sanctionneren, ben ik een andere mening toegedaan, die met jurisdictie onderbouwd kan worden. Met de Muurbouw op de Groene Lijn wordt het namelijk duizenden Palestijnen, die in Israël werkzaam zijn, onmogelijk gemaakt in hun dagelijkse levensbehoeften te voorzien, hetgeen een schending is van het Internationaal Recht (4de Conventie van Genève) volgens welke Israël als bezettende macht hoofdverantwoordelijk is voor de veiligheid, de welvaart en het welzijn van de bezette Palestijnse bevolking. Bovendien speelt hier het feit een belangrijke rol dat Israël nooit serieuze pogingen heeft ondernomen economische voorwaarden te scheppen voor een elementair welvaartsniveau van de bezette Palestijnse bevolking.
Zoals inmiddels bekend is geworden, heeft Israël de uitspraak van het ICJ naast zich neergelegd met 't argument dat het Hof niet bevoegd zou zijn. Uiteraard snijdt een dergelijke bewering geen enkel hout, aangezien het hier een advies betreft, gedaan door het hoogste internationale rechtsorgaan aan een van de vier hoofdorganen van de VN (de Algemene
Vergadering). Helaas echter gaat van deze uitspraak geen bindende rechtskracht uit.
Hoewel de Algemene Vergadering gehoor heeft gegeven aan de oproep van het ICJ om tot verdere actie richting Muurbouw over te gaan, zijn de resoluties van de Algemene Vergadering als zodanig niet bindend, in tegenstelling tot VN-Veiligheidsraadsresoluties. Uit het stemmingsgedrag in de Algemene Vergadering van met name de traditionele bondgenoot van Israël de VS is echter af te leiden, dat een resolutie door de eveneens tot actie opgeroepen VN-Veiligheidsraad weinig of geen kans maakt, aangezien deze vrijwel zeker door een Amerikaans veto getroffen wordt. Het is hoopgevend, dat de EU, die eerst gekant was tegen een advies door het ICJ zich nu unaniem achter de resolutie van de Algemene Vergadering geschaard heeft. Het is dan ook te hopen, dat de EU ten langen leste een van de VS onafhankelijke Midden-Oostenpolitiek gaat voeren en eventueel via economische sancties in de vorm van het opzeggen van het Associatieverdrag met Israël haar kritische stemmingsgedrag in de Algemene Vergadering in daden omzet.
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 394, 27 augustus 2004