Van Koude Oorlog naar Rogue-doctrine
Globalisatie (deel 2)
De veranderingen in de Sovjet-politiek tijdens het bewind van Mikhail Gorbatsjov en het einde van het oost-westconflict in 1989/90 wekten grote verwachtingen. De basis van de bewapeningswedloop was weggevallen en naar verwachting zou een nieuw tijdperk van ontwapening en conversie aanbreken.
door Bas van der Plas
De miljarden die tot dan toe werden uitgegeven voor defensie zouden nu vreedzamer bestemmingen kunnen krijgen. Tussen 1985 en 1995 daalden de defensieuitgaven in de wereld met 30% en de defensie-industrie ontsloeg 28% van de werknemers. De militaire uitgaven, in 1987 nog een recordbedrag van circa 1 biljoen dollar, daalden in 1995 naar 'nog slechts' 700 miljard. Het IMF berekende dat wereldwijd het aandeel defensieuitgaven in de staatsbegrotingen daalde van 3,7% in 1990 naar 2,4% in 1995.
In 1991 werd het Warschaupact opgeheven en aan het einde van dat jaar verdween ook de Sovjet-Unie van de wereldkaart. De wereld zou een andere toekomst tegemoet gaan, niet meer bepaald door de Koude Oorlog, die 40 jaar haar stempel op de internationale verhoudingen had gedrukt. Nu zou er ontwapend kunnen worden en de oorlogsproduktie omzetten in vredesproduktie. Conversie.
monopolie
Het Warschaupact bestond niet meer, maar het Westerse bondgenootschap, de NAVO, nam in de oorlog in Bosnië nieuwe taken op zich. Ook zette zij haar uitbreidingsplannen door richting Oost-Europa en vroegere Warschaupaktlanden werden NAVO-leden. Nieuwe, bloedige conflicten barstten los en de verwachte ontwapening kwam op een laag pitje te staan.
Terwijl Rusland gebukt ging onder de lasten van de zogenaamde transformatie naar democratie en vrije markteconomie, lieten de Verenigde Staten hun spierballen zien en Clinton verklaarde zijn politiek tot voorbeeld en bewees vriend en vijand dat de VS nu als enige supermacht het recht heeft alle vraagstukken op te lossen. De nieuwe wereldorde is uiteindelijk het globale monopolie van de VS, een spel met één dominerende winnaar en een handvol medespelers.
De Golfoorlog was al een voorbode van toekomstige ontwikkelingen. Door 29 landen, waaronder het machtigste land ter wereld en andere atoommachten, werden de steden, wapens, soldaten en bevolking van Saddam Hussein vernietigd. Maar het doel, de vernietiging van Saddam, werd niet bereikt. De Iraakse president zit nog stevig in het zadel. Ondanks een door de halve wereld gevoerde oorlog, ondanks inzet van de nieuwste wapens, ondanks dreiging met atoombommen hield Saddam stand en liet zich niet van de wereldkaart vegen. Sindsdien weten wij: wapens, en zeker massavernietigingswapens, falen als politiek middel. De Golfoorlog was daarin een historische les.
pressiemaatregelen
Amerikaanse eenheden moesten hals-over-kop Somalië verlaten na een nederlaag. En in Bosnië konden noch blauwhelmen, noch NAVO-luchtaanvallen de etnische zuiveringen en bloedbaden verhinderen. Eveneens historische lessen, maar nog altijd wordt gedacht dat men met het klassieke middel van militair machtsvertoon orde kan scheppen. Maar dat is nergens gelukt. Toch neemt de bewapeningsindustrie nog een zeer belangrijke plaats in in de wereldeconomie en is men zelfs bereid vele miljarden te steken in nieuwe systemen, denk aan het raketschild dat nu weer gepromoot wordt door de nieuwe Amerikaanse president George Bush jr. In de Verenigde Staten zijn na een reeks fusies in de jaren 90 drie enorme concerns ontstaan die zich met de bewapeningsindustrie bezighouden. Het gaat om Lockheed-Martin -die in juli 1997 nog Northrop-Grumman opslokte-, Boeing -dat McDonnell Douglas inlijfde-, en Raytheon, dat Texas Instruments en een hele reeks andere electronicabedrijven omvat. De gezamenlijke omzet van deze drie giganten bedroeg in 1997 circa 95 miljard dollar.
De Amerikaanse fusies zijn het gevolg van pressiemaatregelen van de regering van de Verenigde Staten. In 1993 nodigde de toenmalige minister van defensie Les Aspin de 20 grootste wapenindustrieën uit en deelde mede dat hij binnen 5 jaar nog maar de helft als branchevertegenwoordigers zou erkennen. Aspin wilde een herstructurering van de wapenindustrie op basis van een wederzijds voordeel: wanneer de ondernemingen konden aantonen dat zij door concentratie het Pentagon voordelen zouden bieden, dan konden zij rekenen op enorme staatssubsidies. Bovendien zouden de Amerikaanse wapenexporteurs door een intensieve overheidslobby wereldwijd ondersteund worden. Van de meeropbrengsten door grotere export zou de industrie dan haar eigen herstructurering kunnen betalen.
legitimiteitsprobleem
De gevolgen van deze strategie bleven niet uit. Het Amerikaanse aandeel in wapenexporten steeg met 40%. In 1996 bereikte de internationale wapenhandel nog een omzet van 23 miljard dollar, waarvan alleen al 10,2 miljard in Amerikaanse zakken terechtkwam. Dat was het dubbele dat de sterkste Westeuropese exporteurs samen konden binnenhalen: Frankrijk 2,1 miljard, Groot-Brittannië 1,7 miljard en Duitsland 1,46 miljard. De Amerikaanse toename van de wapenexport ging sinds 1990 vooral ten koste van Rusland. De Russische wapenexport was in het begin van de jaren 90 in een enorme malaise gekomen, en bereikte pas weer in 1997 enige stabiliteit. In 1996 bedroeg de Russische export 4,5 miljard dollar.
Wie gemeend had dat na het einde van de Koude Oorlog ook het einde van het militarisme in zicht zou komen, kwam bedrogen uit. Voor de VS ontstond na het einde van de Koude Oorlog een legitimiteitsprobleem. De Amerikanen hadden in de periode van de confrontatie tussen twee systemen een wereldwijd netwerk van militaire steunpunten opgebouwd, in de eerste plaats om een zich eventueel uitbreidende Sovjet-invloed desgewenst ook militair tegemoet te kunnen treden. Maar hoe zou dit netwerk nog gerechtvaardigd kunnen blijven nu de dreiging vanuit de Sovjet-Unie zich met een krachtige implosie had teruggetrokken van het wereldtoneel? Het Amerikaanse antwoord op deze vraag draagt de naam 'Rogue-doctrine'.
vijandbeeld
De Rogue-doctrine is gebaseerd op een simplificatie van het vijanddenken. Er zijn twee soorten staten in de wereld: er zijn democratische, goede, betrouwbare staten en er zijn ondemocratische, slechte, onbetrouwbare staten. Staten van de tweede groep worden 'schurkenstaten' genoemd, en hiertoe behoren Iran, Irak, Noord-Korea, Lybië, Syrië, Birma, Cuba en tot voor kort het Joegoslavië van Milosevic. Washington bedrijft internationaal een uitsluitingspolitiek tegen deze landen die, vermeend of werkelijk, met het internationale terrorisme in verband worden gebracht. De VS ziet het als haar missie om deze regimes wereldwijd te bestrijden, te vervolgen en middels economische embargo's het bestaan onmogelijk te maken.
Het nieuwe vijandbeeld geldt voor de genoemde staten, die allen de gemeenschappelijke noemer hebben van slechte politieke relaties met Washington. Door deze politieke simplificatie, die in wezen een voortzetting is van het 'blokdenken' ten tijde van de Koude Oorlog, wordt een legitimatie gegeven aan het instandhouden, of zelfs uitbreiden van de bewapening. De Rogue-doctrine ondermijnde de hoop die binnen delen van de wereldgemeenschap leefde dat met het einde van de Koude Oorlog ook de bewapeningswedloop tot een einde zou komen. Wanneer volgens de doctrine 'onbetrouwbare' staten over massavernietigingswapens kunnen beschikken, dan is het 'logisch' dat 'goede' staten over sterke wapens beschikken. Door het beschikken over wapens in de 'goede' staten worden de 'schurkenstaten' gehinderd in hun bewapeningsprogramma's of juist gedwongen tot ontwapening, terwijl een ontwapening in de 'goede' staten juist uitgelegd kan worden als een gevaar voor de veiligheid. En wie de 'schurkenstaten' in geval van wangedrag op een geloofwaardige wijze met militaire dwangmaatregelen wil bedreigen, zal moeten beschikken over een wereldwijd net van militair-strategische steunpunten. En er is maar één land ter wereld dat beschikt over een dergelijk netwerk, en dat is de Verenigde Staten, zodat de Rogue-doctrine op perfecte wijze een legitimatie geeft aan de huidige wereldwijde politieke rol en positie van de VS.
(Over bovenstaande ontwikkeling heeft Noam Chomsky vorig jaar het boek "Rogue States. The rule of force in world affairs" geschreven dat is uitgekomen bij Pluto Press in London (isbn 0745317081). Schrijf vast in je agenda: op vrijdag 8 juni aanstaande organiseert Kleintje Muurkrant een informatie-avond in De Bunker over het thema "globalisering en het inspirerende verzet daartegen", met video-opnamen uit Seattle (1999), Praag (2000) en een verslag over acties tegen de komende FTAA-top in mei in het Canadese Quebec. Wil je wat lezen over "kritiek op de kritiek tegen globalisering" dan kun je in het voorjaarnummer van "De Fabel van de Illegaal" terecht. Onder de titel "van anti-globalisering naar anti-bevolkingspolitiek" verzet Eric Krebbers zich tegen het 'tophoppen').
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 355, 6 april 2001