De Russisch-Tsjetsjeense strijd
De tweede Tsjetsjeense oorlog (deel 3
Voor het eerst in de geschiedenis is iemand tot president gekozen uitsluitend door zich te profileren op een oorlog. Maar het gaat dan ook niet om zomaar een oorlog. Tsjetsjenië is in feite al bijna vier eeuwen het toneel van oorlogen met Rusland. Door Vladimir Putin wordt nu de zoveelste poging gedaan het gebied onder Russische controle te brengen.
door Bas van der Plas
Om de verbetenheid waarmee de Tsjetsjenen tegen de Russen vechten te kunnen begrijpen is het noodzakelijk een historisch uitstapje te maken in de Noordelijke Kaukasus. In dit deel een overzicht van de Russisch-Tsjetsjeense betrekkingen in de loop van de geschiedenis.
De Tsjetsjenen wonen al minstens 6000 jaar in het gebied van de Noordelijke Kaukasus. Vanaf de 7e eeuw begon een penetratie van de soennitische islam in het gebied. Arabieren probeerden de volkeren van de Kaukasus aan de islam te onderwerpen. In de 13e-14e eeuw kreeg door bekering van de Gouden Horde (de Mongoolse veroveraars van het gebied) de islam een nieuwe impuls.
De eerste Russische bemoeienissen met het gebied dateren uit de 10e eeuw, toen troepen het gebied doorkruisten om Perzië te bezetten. Vanaf het midden van de 16e eeuw begon het expanderende Russische Rijk actief haar grondgebied in de Noordelijke Kaukasus uit te breiden. In die tijd werd het gebied strijdtoneel in de geopolitieke ambities van Rusland, het Ottomaanse Rijk, Perzië en het Khanaat van de Krim.
Met de veldtocht van Peter de Grote tegen het Perzische Rijk in 1722 begint de werkelijke verovering van de Noordelijke Kaukasus door de Russen. Het verdrag van St.Petersburg van 1723 plaatst Dagestan onder direct Russisch bestuur. Ook in 1722 vindt de eerste veldslag plaats tussen Russen en Tsjetsjenen, wanneer de Russische cavalerie het dorp Enderi in Oost-Tsjetsjenië wil bezetten.
Wanneer Peter de Grote in 1725 sterft trekt Rusland zich weer terug achter de oude grens langs de Terek-rivier, die dwars door het huidige Tsjetsjenië stroomt. Peter's opvolgers, tsarina Anna en tsarina Elisabeth, richten zich uitsluitend op de verdediging van deze zuidgrens van het Russisch Imperium. Wel blijft de stad Kizlyar, nu in Dagestan, tot 1763 hoofdstad van de Russische Kaukasus.
Mansur
Pas tijdens het bewind van Catharina de Grote (1762-1796) doet Rusland nieuwe pogingen voor een volledige onderwerping van de Noordelijke Kaukasus. Ook in het zuiden penetreren de Russen. Zo wordt het huidige Georgië in 1783 een Russisch protectoraat. In Tsjetsjenië wordt hevig weerstand geboden aan Russische pogingen het gebied onder controle te krijgen. Tussen 1785 en 1791 wordt het verzet geleid door Sjeik Mansur, zoon van een Tsjetsjeense schaapherder, en nu nog een van de Tsjetsjeense verzetshelden en belangrijke inspiratiebron voor latere generaties vrijheidsstrijders. In de tijd van Mansur waren de Tsjetsjenen een gesloten gemeenschap, geïsoleerd van de buitenwereld, met een eigen etnische en sociale structuur. Tsjetsjenië werd gekenmerkt door een patriarchale clanstructuur, die voor een deel nu nog bestaat.
In de tweede helft van 1785 weet Mansur het verzet tegen de Russen in de Noordelijke Kaukasus te bundelen en brengt een leger van 12.000 manschappen op de been. Na een reeks veldslagen zijn de Russen gedwongen zich steeds verder terug te trekken en forten aan de grens te ontruimen. De strijd met de Russen duurt voort en krijgt nieuwe impulsen door de Russisch-Turkse oorlog van 1787-91. Wanneer in juni 1791 de Russische generaal Gudovitsj het Turkse fort Anapa aan de Zwarte Zee inneemt, blijkt zich daar een onverwachte gast verborgen te houden. De veelgezochte opstandeling Mansur wordt er gevangen genomen en na een berechting in St.Petersburg tot levenslang veroordeeld. Hij sterft in 1794 in de gevangenis van het fort Schlusselburg bij St.Petersburg.
afslachten
Na de inname van het fort Anapa en de uitschakeling van Mansur roept tsaar Pavel in 1801 de Russische annexatie van Georgië uit. Het gebied van de Noordelijke Kaukasus, dat nog niet veroverd is, is nu volledig ingesloten door Russen. In 1816 wordt generaal Aleksej Ermolov benoemt tot opperbevelhebber van de Russische troepen voor de hele Kaukasus. In mei 1818 stuurt hij aan tsaar Alexander I zijn plannen om de hele Kaukasus te veroveren. Speciale aandacht vraagt hij voor de Tsjetsjenen, die hij een gevaarlijk volk noemde. Ermolov voelde een persoonlijke wrevel tegen de Tsjetsjenen vanwege hun voortdurende verzet tegen de Russen en hun aanvallen op Russische posities. In 1817 geeft Ermolov opdracht tot de bouw van een Russisch fort Pregradnyi Stan op Tsjetsjeens grondgebied en in 1818 komt er een groot Russisch fort in Grozny dat dan nog Groznaya heet (betekent 'vrezend' en 'bedreigend'). Andere Russische forten op Tsjetsjeens grondgebied volgen.
Vanuit Ermolov's overtuiging dat de Tsjetsjenen de aartsvijanden van de Russen zijn volgt een hele reeks harde maatregelen. Mannen worden afgeslacht, vrouwen massaal verkracht en als slavinnen verkocht aan Russische officieren. De Tsjetsjenen verzetten zich tot het uiterste. Wanneer het fort Groznaya wordt gebouwd liggen de arbeiders onder voortdurend vuur van Tsjetsjeense sluipschutters. Op 15 september 1819 komen Russische troepen in Dadi-Yurt en eisen dat het stadje zich overgeeft. De eis wordt geweigerd, waarna de hele bevolking wordt uitgeroeid.
In dezelfde tijd begon Ermolov met de deportatie van Tsjetsjenen, vooral naar Siberië. In 1829 wordt Ermolov opgevolgd door veldmaarschalk Paskevitsh, maar de methoden tegen de Tsjetsjenen blijven dezelfde. Zoveel mogelijk mensen afslachten of deporteren, is het devies. Tsaar Nikolaas I schrijft aan Paskevitsh: "Het is uw taak om voor eens en altijd deze bergvolkeren te onderdrukken en de opstandigen uit te roeien".
Sjamil
In 1824 krijgt de strijd van de Tsjetsjenen een religieuze dimensie na de komst van mullah Mohammed Mayurtupi uit Dagestan. Mohammed stelt een zekere Avko uit Germentsjuk voor als de langverwachte imam die door God is gezonden om de strijd tegen de Russen te leiden. Als militaire leider treedt Beibulat op. Een nieuwe revolte verspreidt zich over de Noordelijke Kaukasus. In juli 1825 nemen de opstandelingen het Russische fort van Amir-Hadji-Yurt in, maar door gebrekkig leiderschap wordt de opstand daarna weer snel neergeslagen.
De religieuze dimensie in de strijd tegen de Russen kwam nooit van de Tsjetsjenen zelf, maar werd steeds geïnspireerd door imams uit Dagestan. De grootste van hen was Sjamil. In eerste instantie zocht Sjamil naar compromissen met de machtige Russen. Maar de Russen vertrouwen Sjamil niet en eisen zijn overgave. Zij plaatsen Tsjetsjenië onder direct Russisch bestuur en om het leger van voedsel te voorzien worden op grote schaal vee en landbouwprodukten geroofd van de bevolking. De druppel voor de Tsjetsjenen komt wanneer de Russen ook beginnen met het in beslag nemen van wapens van de bevolking. Door de Tsjetsjenen worden zwaarden en geweren beschouwd als erfgoed van de familie, vaak generaties doorgegeven. Van 1840 tot 1859 wordt er onder Sjamil's leiding een hevige strijd tegen de Russen gevoerd. Maar in 1859 wordt Sjamil gedwongen zich over te geven aan de Russische generaal Baratynskij. Daarna besluiten de machthebbers in St.Petersburg dat de Noordelijke Kaukasus etnisch gezuiverd moet worden, om voor eens en altijd met het probleem van de opstandelingen af te rekenen.
vertrek en terugkeer
Tussen 1856 en 1864 vertrekken zo'n 600.000 moslims uit de Noordelijke Kaukasus en vestigen zich in Turkije. Daarvan komen er zo'n 100.000 uit Tsjetsjenië en de Petersburgse autoriteiten zien tot hun tevredenheid dat deze aantallen al 'gezuiverd' zijn. In Turkije was er geen opvang voor hen, en ruim 30% stierf aan ziekten als dysenterie en pokken. De vertrokken Tsjetsjenen realiseerden zich dat er voor hen in Turkije geen toekomst was, en verlangden terug naar het land waar ze duizenden jaren hadden gewoond. Een petitie ging naar de tsaar, met het verzoek om terug te mogen keren, waarin zelfs gesteld werd dat men het Russisch-Orthodoxe geloof zou aannemen wanneer dat de terugkeer zou kunnen bespoedigen. Na de Russisch-Turkse oorlog van 1877-78 werd de Tsjetsjenen toegestaan terug te komen. Maar de autoriteiten in de hoofdstad St.Petersburg waren nu van mening dat de Tsjetsjenen niet allen wilden waren, maar ook verraders die zichzelf hadden verkocht aan Turkije.
In diezelfde periode vindt er een nieuwe opstand plaats in Tsjetsjenië, geleid door Ali-Bek hadji. Het tsaristische leger slaat de opstand met een grote overmacht neer: voor iedere inwoner van Tsjetsjenië werden 15 Russische soldaten ingezet. De leiders van de opstand worden in het openbaar opgehangen en duizenden Tsjetsjenen gedeporteerd naar Siberië. Voor de militaire rechtbank verklaart de leider van de opstand, de pas 23-jarige Ali-Bek hadji: "Wij beschouwen ons slechts schuldig tegenover God en het Tsjetsjeense volk omdat wij, ondanks alle opofferingen, niet in staat waren de vrijheid te heroveren die God ons gegeven heeft".
olie en revolutie
Behalve de strategische ligging van Tsjetsjenië krijgt het gebied voor de Russen nog een nieuwe dimensie wanneer er olie ontdekt wordt. Vanaf 1880 vindt er een economische opbloei plaats en in de belangrijkste stad van het gebied, Grozny, breidt de olie-industrie zich snel uit. Als gevolg hiervan wordt de stad een belangrijk industrie- en transportcentrum voor de hele regio. Een spoorweg verbindt de stad met het Russische Rijk en de eerste oliepijpleidingen worden aangelegd. In 1913 wordt de belangrijkste petroleumindustrie van Grozny geopend. De sterke ontwikkeling van de industrialisatie in Tsjetsjenië leidt ook tot het ontstaan van een nieuwe elite. Die heeft belang bij goede betrekkingen met de Russen voor verdere uitbouw van de economische ontwikkelingen. Het is dan ook niet vreemd wanneer in de Eerste Wereldoorlog in het Russische leger veel officieren zijn van Tsjetsjeense afkomst. Door de eeuwenoude strijdtradities zijn de Tsjetsjenen gewild bij de Russische militaire autoriteiten.
Een nieuwe roep om zelfstandigheid vindt pas plaats na de februari-revolutie in Rusland, wanneer in mei 1917 tijdens het 'Eerste Congres van de Noordelijke Kaukasus' het centrale comité van de Noord-Kaukasus en Dagestan gaat optreden als voorlopige regering van een onafhankelijke staat Noord-Kaukasus. Op 11 mei 1918 roept de Noordelijke Kaukasus haar volledige onafhankelijkheid van Rusland uit. De onafhankelijkheid wordt erkend door de Centrale Mogendheden, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Turkije, en in juni 1918 sluit Turkije zelfs een formeel verdrag met de nieuwe staat. Leidende figuren in deze nieuwe staat zijn de Tsjetsjeense ondernemer en activist Tapa Tsjermoyev, die president wordt, en Vassan-Giray, die tot voorzitter van het parlement wordt gekozen. De republiek krijgt de naam Gorskaya Respublika (Bergrepubliek). De republiek bestaat tot de zomer van 1920. Tot die tijd is het gebied strijdtoneel van de Russische burgeroorlog die volgde na de revolutie, maar in de zomer van 1920 neemt het Rode Leger het gebied weer in en lijft het in bij de Russische Socialistische Federatie van Sovjet-Republieken (RSFSR), de latere Sovjet-Unie.
Wat er na die inlijving gebeurde zal het onderwerp zijn van het volgende artikel in deze reeks.
Bas van der Plas is coördinator van InSudok, informatie- en documentatiecentrum over de voormalige Sovjet-Unie en het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS). Bezoek ook onze website: www.stelling.nl/insudok
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 343, 7 april 2000