De wijzende vinger
Je komt je huis nooit uit - hebt zelfs nooit een baan buitenshuis gehad - en schrijft dan een boek dat niet de ouders maar de buitenwereld invloed heeft op de ontwikkeling van je kinderen. Kan dat? Blijkbaar, want ook in Nederland is het boek "Het misverstand opvoeding" van Judith Rich Harris flink in de publiciteit. Recensies van dit soort boeken worden gretig geplaatst. Theorieën die je op één bladzijde kunt uitleggen liggen goed in de markt.
door Dennis Rodie
Boeken van schrijvers wiens ideeën tegen de zin van ouders ingaan zijn niet populair, ook al presenteren ze een veel nauwkeuriger waarheid. Het idealiseren van de ouders in geval van wangedrag tegenover de kinderen is een overlevingsmechanisme dat meer regel dan uitzondering is in onze maatschappij. Of het nu gaat om het 'False Memory Syndrome' of onderzoeken die het pak slaag voor kinderen goedpraten of nu weer de nieuwe theorie Het Misverstand Opvoeding: men komt iedere keer opdraven met het bagatelliseren van de schade in de kindertijd. Het afschuiven van de verantwoordelijkheid van de ouders voor hun kinderen kent een lange geschiedenis. In de hoogtijdagen van de religie was het de wil van God die ervoor moest zorgen dat het kind gevormd werd naar het beeld van wat de maatschappij dacht dat het moest zijn. Met het verdwijnen van de religie als opvoedkundig instrument, nam de wetenschap het stokje over. De genetica stelde dat het gedrag al voor de geboorte vast lag, als een soort blauwdruk. Daar kon je dus niets aan doen. Maar uiteindelijk kon men niet ontkennen dat er verbanden bestonden tussen vroeg kinderlijke ervaringen en later neurotisch en crimineel gedrag. Talloze psychologen en pedagogen begonnen aan een breed scala van theorieën. Het opvoeden van kinderen werd een wetenschap. Welke theorie je ook vond passen, je vond altijd wel argumenten in de psychologie terug om je punt duidelijk te maken. Het gevolg was veel verwarring voor ouders maar vooral ook voor de kinderen. De erfelijkheidsleer en de ervaringsleer vloeiden samen en vandaag de dag is een populaire bewering dat zo'n ruwweg 50 procent van ons gedrag al meteen na de verwekking vastligt en de andere 50 procent wordt gevormd door de omgeving. De Amerikaanse amateur psycholoog Harris beweert dat ouders hun kind eigenlijk helemaal niet beïnvloeden, maar de omgeving buiten de familie. Nadat het eitje is bevrucht en het DNA zich heeft genesteld is het met de invloed afgelopen. Vrijwel niets dat men tegen het kind zal zeggen heeft nog invloed. Straffen of niet straffen, slaan of niet slaan, gezag of toegeeflijkheid, aanmoediging of minachting, dat allemaal maakt volgens Harris niets uit in de mentale vorming, het gedrag, zelfvertrouwen, intelligentie of persoonlijkheid van het kind. Dat wat degenen niet doen, doen de leeftijdsgenoten op school.
Op een lezing in New York op 22 oktober 1998 vertelde Dr. Alice Miller over de geschiedenis van het 'Kindertrauma' en de ouderlijke invloed: "In 1860 waren de wijdverspreide verhandelingen van Dr. Daniel Gottlieb Schreber -sommige van zijn boeken werden tot 40 maal herdrukt- standaardopvoedingstechnieken geworden. Het centrale standpunt dat hij uitdroeg was ouders te onderrichten in de systematische opvoeding van zuigelingen vanaf hun allereerste levensdag. Veel mensen dachten -met hem en andere schrijvers- dat het de beste manier van opvoeden was. Vandaag zouden we die vorm van opvoeden vervolging en mishandeling noemen. Eén van Schreber's opvattingen was dat wanneer baby's huilden, ze moesten ophouden door het toepassen van een pak slaag en verzekerde zijn lezers dat 'zo'n methode eens, hooguit twee keer nodig is en men is meester over het kind te allen tijde. Vanaf dan is één blik, één gebaar voldoende". Bovenal, deze boeken adviseerden dat het pasgeboren kind vanaf de allereerste dag moest gehoorzamen en afzien van huilen. We weten allemaal -of we zouden vandaag moeten weten- dat lichamelijke straffen alleen gehoorzame kinderen opleveren maar niet kunnen voorkomen dat zij als volwassenen gewelddadig of ziek worden door die behandeling. Deze kennis is nu wetenschappelijk bewezen en eindelijk officieel geaccepteerd door de Amerikaanse Academie van Kindergeneeskunde in 1998.
Tegengesteld aan de algemeen heersende opinie van zo'n 15 jaar geleden, is het menselijke brein ver van volledig ontwikkeld bij de geboorte. Het is afhankelijk en heeft liefhebbende stimulatie nodig voor het kind vanaf de eerste dag. De mogelijkheden waarop iemands hersenen zich kunnen ontwikkelen hangen af van de ervaringen gedurende de eerste drie levensjaren. Harris maakt het zichzelf erg makkelijk door compleet te zwijgen over de pré- en perinatale periode van de mens (resp. de periode vóór en tijdens de geboorte). De invloed van het roken tijdens de zwangerschap op het latere hyperactieve gedrag van het kind is een feit. Daartegenover stelt ze simpelweg dat 50 procent van het gedrag erfelijk is. En, zo schrijft ze, de behoefte bij een groep te willen horen is erfelijk vastgesteld. Iemand die zich dus bij een fascistische groep aansluit is als een slecht mens geboren. Waarom zijn er dan zoveel mensen met slechte genen rond de eeuwwisseling in Duitsland geboren die later gewillig Hitler's beulen werden? Geen enkele geneticus kan daar antwoord op geven. Ludwig Janus schrijft in zijn boek 'Hoe De Psyche Ontstaat' over de subtiele invloed die ouders hebben op hun kinderen: "Door onze hulpeloosheid aan het begin van ons leven zoeken we in de groep van het gezin een afspiegeling van de primaire prenatale zekerheid. Het beeld van de ouders wordt enerzijds vaak bepaald door aandacht, verering, gevoelens van iets heiligs en wonderbaarlijks, anderzijds zijn angst, paniek en schrik de sombere aspecten van het ouderbeeld. In de vroege relatie met de baby doen de ouders hun best het geluk van de prenatale geborgenheid te herstellen met wiegen, warmen, verzorgen en aanspreken. Deze relatie teert op de archaïsche kracht van deze wensen. Tegelijkertijd worden door de wreedheid van vele opvoedkundige maatregelen de gevoelens van hulpeloosheid en van overgeleverd zijn aan de hogere macht van de ouders -al naar gelang de culturele omgeving- in het kinderlijke gemoed gehamerd. Laten huilen, honger laten lijden, geen aandacht schenken aan kinderlijke behoeften en later slaan, leggen de basis voor het creëren van een onderdanige, agressieve volwassene, die heeft geleerd dat er op deze wereld geen zekerheid is, maar alleen onderwerping en dienstbaarheid."
Dat de groepskeuze erfelijk is vastgesteld, wil nog niet zeggen dat je invloed kunt uitoefenen op de keuze, aldus Harris. Ze schrijft in haar boek dat ouders kunnen bijdragen aan die keuze. "Kleed je kinderen aan volgens de gangbare mode zodat ze niet buiten worden gesloten. ... Als je je het kunt veroorloven, of als je ziekenfonds het wil betalen, pas plastische chirurgie toe op je kinderen." Harris beweert echter dat ouders wel van grote invloed zijn in zake ernstige mishandeling en verwaarlozing. Maar waar ze dan die grens legt, toont ze niet aan. Volgens haar maakt één klap niets uit. Vijf ook niet. Misschien tien? Vaagheid is het enige waarmee Harris zo'n situatie probeert uit te leggen.
Opvoeden met behulp van handboeken is zinloos. Een kind is hulpbehoevend. Het heeft liefde nodig en respect voor zijn behoeften. Dat kun je alleen leren als je in je eigen leven nagaat waarom je die natuurlijke gaven hebt verloren. Het vermijden van die zoektocht zal leiden naar onnodige herhalingen van wangedrag. Natuurlijk heeft de groep waarin het kind verkeert invloed. We beïnvloeden elkaar allemaal. Op het schoolplein gepest worden is op het eerste gezicht te wijten aan het gedrag van de pesters. Maar het is van levensbelang dat het gepeste kind thuis kan komen, zijn verdriet kan uiten, door zijn ouders wordt gesteund en begrepen. Wanneer dat niet gebeurt, is het alternatief conform te zijn met de pesters; groepsvorming. Proberen kinderen juist niet de tekorten van hun ouders aan te vullen door steun te zoeken bij een groep? Of de leefwijze van hun ouders na te volgen, indien zij weinig kritisch of gewoon tevreden zijn (bijvoorbeeld kerkgenootschappen)? Of zich juist tegen de ouders af te zetten indien zij kritisch en/of ongelukkig zijn? Kortom: kiezen kinderen niet JUIST voor een bepaalde groep vanwege de invloeden die de ouders de eerste tien jaar gehad hebben? En zou het dan volstrekt niet tellen hoe sterk je een kind die eerste levensjaren hebt gemaakt of wat je het aan emotionele en mentale bagage hebt meegegeven? Vragen die Harris volledig onbeantwoord laat. Haar theorie lijkt dan ook voornamelijk gebaseerd te zijn op haar situatie met haar twee dochters. De oudste dochter leek erg op haar ouders: kalm, zelfgenoegzaam, hoogstintelligent in academische kringen. Ze was het droombeeld van wat haar ouders wensten van hun kinderen. De vier jaar jongere geadopteerde dochter was meer een wildebras. Minder academisch ingesteld en ze was als tiener met de politie in aanraking geweest. Harris begon te lijden aan een serie kwalen die haar thuis aan bed kluisterde toen de jongste zes jaar was. Harris ziet niet dat dit kind geleden heeft toen haar moeder in chronische pijn verkeerde en zelfs de meest simpele taken, soms maandenlang, niet kon uitvoeren. Volgens Harris' eigen erkenning, controleerde ze het huiswerk van haar oudste dochter maar niet dat van haar jongste. Haar oudste dochter speelde met een veilige en schoolse groep terwijl de jongste met een luiwammes omging. En daar is dan Harris conclusie: dat de groep kinderen het jeugdige individu beïnvloedt vanaf het begin. Harris begon toen terug te werken en allerlei beschikbare informatie in de lege gaten te stoppen om haar theorie te bewijzen ('Media on Mothers' - Welcome Home, december 1998). Wellicht om haar opborrelende schuldgevoelens voorgoed weg te drukken. Ze benadrukt niet voor niets regelmatig dat men de ouders moet vergeven en zeker geen fouten bij hen moet gaan zoeken. En met haar zullen zeker miljoenen ouders opgelucht ademhalen.
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 336, 24 september 1999