Irangate aan de Maas
Op 19 maart van dit jaar stelde VVD-kamerlid M. van den Doel een aantal schriftelijke vragen aan de ministeries van EZ, BuZa en Justitie. Zij hadden betrekking op de inhoud van een artikel in De Telegraaf van 6 maart j.l. waarin melding werd gemaakt van de heimelijke doorvoer via Rotterdam, Luxemburg en Azerbeidjan van containers met Amerikaans strategisch materiaal richting Iran. Van het antwoord van de regering lustten weinig honden brood.
door Jan Portein
Volgens staatssecretaris Van Dok van EZ was er sprake van een misverstand. Er was in Rotterdam wel een container met turbineschoepen onderschept die bestemd was voor Iran. Maar omdat de begeleidende dokumenten niet deugden had de Rotterdamse douane de container weer naar de VS teruggezonden. Dat was alles volgens haar. Daarmee was op ouderwetse wijze het Nederlandse straatje schoongeveegd en Van den Doel kon zich gaan voorbereiden op de stevige diskussies die later zouden losbarsten over de verhoogde kaasprijzen in de Kamerkantine en de acute aanval van kunstexpertitis bij Gerrit Zalm.
Maar de simpele twee-setter tussen Van den Doel en Van Dok ergens op baan 18 verhulde een formidabele geschiedenis, die aantoonde dat de Iran/Contra-affaire nog niet helemaal mag worden bijgeschreven in de annalen van de jongste geschiedenis.
In de eerste helft van februari 1997 verschenen berichten in de Amerikaanse pers (de CIA - "assets" Washington Journal en UPI), dat Irak via Syrië en in mindere mate via Jordanië en Turkije olie smokkelde, die tegen uiterst aantrekkelijke prijzen verhandeld werd door een onderneming in Dubai. In de meeste gevallen zou daarbij gebruik gemaakt zijn van Tunesische begeleidende dokumenten. Een methode die volgens de artikelen vaak werd toegepast door de Palestijnse zakenman Zubaidi (vergelijk Kleintje 320 en 321). Deze sluikhandel was in flagrante strijd met het Amerikaanse handelsembargo jegens Irak en zou aanleiding zijn geweest tot diplomatieke protesten. Volgens de commandant van de Amerikaanse Vijfde Vloot in de Golf, vice-admiraal Thomas B. Fargo, maakte Irak tegen forse betaling daarnaast nog gebruik van een alternatieve en voor westerlingen haast onbegrijpelijke route voor deze oliesmokkel: de territoriale wateren van Iran. Tot 1997 waren de Amerikanen redelijk suksesvol geweest bij de opsporing en aanhouding van schepen in de Golf die illegaal Irakese olie vervoerden. Maar sinds Irak gebruik maakte van de Iraanse route en zelfs van schepen onder Iraanse vlag was aan die Amerikaanse vlootsuksessen een mohammedaans halt toegeroepen. "Iraanse" schepen aanhouden werd door de Amerikaanse regering te riskant geacht. Om verdere bewijzen te verzamelen over deze in Amerikaanse visie schandalige ontduiking van het internationale handelsembargo werden Seahawks ingezet. Maar niet alleen boven Irakees territorium, ook boven Iraanse wateren. Toen één van die helicopters daar in augustus van het vorig jaar verongelukte, vormde dat de inleiding tot een ingewikkelde affaire waarin Nederland tegen wil en dank een grote rol speelde.
Smit ahoy
In diezelfde Iraanse wateren was namelijk op het moment van de hierboven gememoreerde crash een bergingsflottielje van het Rotterdamse Smit Internationale aan het werk: de drijvende bok Cyclone en twee zeeslepers, de Banckert en de Shanas. Ze waren in opdracht van de Iraanse overheid bezig met het lichten van het Kroatische vrachtschip Baltic, dat in 1994 niet ver van de Iraanse haven Bandar Imam Khomeyni was vergaan. Tijdens de bergingsoperatie zou het team van Smit op een aantal onverwachte problemen zijn gestuit, wat eveneens gold voor het lichten van een later in de buurt gezonken zeesleper. Daarmee dreigde voor de Rotterdamse maatschappij een financiële strop van ettelijke miljoenen, want het bergen van wrakken gebeurt op basis van "no cure no pay". Volgens de verklaring van bergingsleider Paul Glerum bij zijn terugkeer in Nederland (begin april 1998) zou bij hem half augustus een May-day van de Amerikaanse helicopter zijn binnengekomen. Kort daarna zou hij van de Amerikaanse Vijfde Vloot het verzoek hebben gekregen het wrak te lichten. Glerum zou daarop de Iraanse autoriteiten op de hoogte hebben gesteld van zijn voornemen om het verzoek van de Amerikanen te honoreren. Er zou volgens hem geen reaktie zijn gevolgd. Desondanks besloot hij na overleg met het Smit-kantoor in Bahrein om naar de plek te varen waar het ongeluk had plaatsgevonden. Daar zou Glerum's bergingsteam nog twaalf uur lang hebben gewacht op toestemming vanuit Iran voor het uitvoeren van de operatie. Die kwam niet. Op eigen houtje ging Glerum's ploeg op 19 augustus toch tot daden over en binnen twee uur lag het wrak van de spionage-helicopter aan boord van een in de nabijheid dobberend Amerikaans fregat. Bij Smit rinkelde de kassa.
De verklaringen van Glerum werden bevestigd door zijn hoogste chef, Nico Buis, die nog maar een paar maanden in funktie was toen het bergingsinitiatief van Smit tot een heuse affaire uitgroeide. Daarvoor had Buis topfunkties bij de Nederlandse Marine bekleed en was hij tussen 1/11/95 en 1/4/97 hoofd van de BVD geweest. Volgens de op het oog voor deze internationale (spionage-) kluif dus uitstekend geëquipeerde Buis ging het bij de affaire met Iran in feite om een betreurenswaardige communikatiestoornis.
HAFMO's hulp
Op 8 september 1997 gingen de Iraanse autoriteiten over tot het beperken van de bewegingsvrijheid van de bemanningsleden en de officieren van het Smit-eskader. Aanleiding daartoe was de berging van de Amerikaanse Seahawk. Iedereen werd ondervraagd. De bemiddeling vanuit Nederland kwam snel op gang. Van Mierlo stuurde ter ondersteuning van de Nederlandse ambassadeur in Iran drs. M.Damme de ambassadeur in algemene dienst Pieter Feith naar Teheran. Deze werd vergezeld door de chef van de afdeling berging van Smit. Verder riep musketier Buis later nog de hulp in van de voormalige Nederlandse ambassadeur in Parijs, Henri Wijnaendts.
Begin oktober leek de zaak door Hafmo's dream-team te zijn geklaard. Desgevraagd liet een woordvoerder van de Iraanse ambassade in Den Haag op 3 oktober aan De Telegraaf weten, dat de gijzelaars vrij waren. BuZa gaf geen kommentaar. En terecht, want later bleek dat alleen de Banckert toestemming had gekregen om te vertrekken. Die had koers gezet naar de Verenigde Emiraten en was drie mijl buitengaats voor anker gegaan. Mogelijk om de bemanning even van de zon te laten genieten. Een poging van Telegraaf-verslaggevers om aan boord te komen werd verijdeld. Dat weerhield de krant van wakker Nederland niet om de volgende dag een pagina-groot verhaal over de affaire te publiceren waarin onder meer een figuur uit de Nederlandse inlichtingenwereld beweerde, dat de Amerikaanse helicopter niet Irak maar Iran had bespioneerd. Die had kennelijk de Amerikaanse kranten goed bijgehouden. Of hij was zelf goed ingevoerd.
Volgens Haagse bronnen was hij namelijk synoniem aan een figuur die voorkomt in een van de dagboeken van Alan Clark, een Britse onderminister van Handel in het Thatcher-tijdperk. In het bewuste gedeelte van zijn ontboezemingen beschrijft Clark een bijeenkomst van de Cercle Pinay (een Bilderbergachtige groep, maar dan met meer figuren uit de categorie regenjassen en zonnebrillen) in het Al Bustan-hotel in de Omaanse hoofdstad Maskate op 30 november 1990. Aan de vooravond van de operatie Desert Storm. De leider van die verwoestende aktie in Irak, de Amerikaanse generaal Norman Schwarzkopf, behoorde tot de deelnemers aan deze geheime konferentie, alsmede een flink aantal lieden dat in de voorafgaande jaren nauw betrokken was geweest bij de leveranties van wapens, wapenonderdelen en chemicaliën aan Irak. Bovendien was er ook minimaal één Nederlandse afgevaardigde, die kennelijk op het toilet pas enige indruk maakte op Clark. Een citaat: "Er werd doorgetrokken en door de klapdeur verscheen het hoofd van de Nederlandse geheime dienst, uitgewoond maar opgelucht". Dat kan niemand anders geweest zijn dan het hoofd van de inmiddels opgeheven Inlichtingendienst Buitenland, Niek Meulmeester, die momenteel nog een (inlichtingen)bureau runt dat nauw gelieerd is aan de Raad van State.
Hoe dit ook zij, het Telegraaf-artikel van 4 oktober had grote gevolgen. Het kontakt tussen Rotterdam en het gedetineerde Smit-team werd door Iran verbroken en de drie leidinggevende officieren, onder wie Glerum werden overgebracht naar het vasteland. Zij werden beschuldigd van spionage. Na een intensieve lobbie kreeg Nederland zijn eigen October Surprise. Aan het eind van die maand werd het grootste deel van het team op vrije voeten gesteld. De drie officieren bleven echter achter in Iran. Het materieel was aan de ketting gelegd. De kern van de lobbie van Hafmo's onderhandelingsteam en Smit Interna-tionale heeft uiteraard noch bestaan uit het aanbieden van versgebakken cakes en oude bijbels, noch uit het schoonwassen van een partij vergiftigde pistaches (vergelijk De Telegraaf van 30 mei). Per saldo had Iran een sinistere reputatie verworven bij het verhandelen van gijzelaars. Dus ook in dit geval heeft het land zonder twijfel eisen gesteld. En de Nederlandse delegatie kwam er al snel achter, dat de Iraniërs grote behoefte hadden aan onderdelen voor de inmiddels bijna geheel onbruikbare vloot van F-14 gevechtsvliegtuigen, die ooit ten tijde van de sjah was aangeschaft. Die onderdelen moesten uit de VS komen en dat de Amerikaanse regering officieel aan dergelijke leveranties zou meewerken was net zo waarschijnlijk als een blow-job van Lewinsky bij Johannes Paulus II. En net als bij de Iran/Contra-affaire waarin Nederland menig schrille deun heeft meegeblazen werden contacten gezocht in het grijze circuit. Het lag eigenlijk voor de hand, dat men in kort tijdsbestek terechtkwam bij Omega Industries van de in de jaren zeventig tot Amerikaan genaturaliseerde Iraanse gebroeders Lavi en hun agent in Nederland, ir. Albert Adama.
Lavi en Boas
De oudste van deze roemruchte gebroeders, Houshang, was namelijk bij de Perzische aankoop van de F-14 bij de Amerikaanse Grumman-fabrieken bemiddelaar geweest en had daarvoor de jolige provisie van 28 miljoen dollar opgestreken. Daarmee vestigde hij de zakelijke basis voor zijn in 1976 opgerichte Omega Industries, dat vooral tijdens de golfoorlog een uiterst bloeiende tijd doormaakte. Al in 1980 begon Lavi voor de Israëlische regering wapens voor gijzelaars-deals te verzorgen. En vanaf begin 1981 was hij uiterst aktief bij het uitvoeren van de afspraken die in oktober 1980 in Parijs waren gemaakt tussen de Iraanse regering en het verkiezingsteam van Reagan en Bush. Die afspraken hielden in: massale wapenleveranties na het aantreden van Reagan als president in ruil voor de vrijlating van het in november 1979 door Iran in gijzeling genomen Amerikaanse ambassadepersoneel en gelden uit het geconfiskeerde bezit van de sjah. De wapens zouden grotendeels worden onttrokken aan de Amerikaanse voorraden in Westeuropese NAVO-opslagplaatsen en ondermeer worden geëxporteerd via de haven van Rotterdam. Lavi's ondernemingen Omega Industries en Western Dynamics werkten binnen deze 'operatie Demavand' van meet af aan samen met Israël en de Belgische wapenfirma ASCO uit Zaventem. In de ASCO-direktie was een plaatsje ingeruimd voor de "voormalige" Mossad-agent Efraim Poran. De eigenaar van de firma was zo mogelijk nog interessanter: Roger Boas. Boas beschikte in die beginjaren tachtig over een buitengewoon nuttige ma