Persweeën
Spionage en haar tweelingzusje contraspionage zijn zo oud als de mensheid; sinds het onderscheid tussen "ons" en "hen" gemaakt werd en er tussen oergroepen strijd om schaarse hulpbronnen ontstond. Dit heeft zijn sporen in de menselijke geschiedenis nagelaten; in mythen en sagen, maar ook in geschreven bronnen wordt herhaaldelijk verwezen naar het inzetten van spionnen. Zoals in de Bijbel bij het zenden van verspieders naar het Beloofde Land. Maar ook de meer naar binnen gerichte vorm van spionage (het bespioneren van de eigen bevolking) heeft een lange geschiedenis.
Achter de coulissen
Reeds in het Chinese Keizerrijk van voor de christelijke jaartelling, maar ook in Indiase vorstendommen worden dergelijke vraagstukken op schrift gesteld en bediscussieerd. Zo wordt in de Indiase Mahabharata gewezen op het inzetten van spionnen en contraspionnen; op het ontwikkelen van een dienst voor de interne veiligheid ten behoeve van het voortbestaan van de vorstelijke dynastie.
In de Arthashastra, volgens R.J. Popplewell het oudste boek (300 v.C.) dat zich systematisch bezighoudt met spionage, was binnenlandse en buitenlandse spionage essentieel voor de veiligheid van de staat.
Het bespioneren van (potentiële) vijanden wordt tot een tamelijk specialistisch handwerk dat zich achter de coulissen van de staat verstopt houdt. De geschiedenis van dit handwerk en de ontwikkeling van persoonlijke netwerken naar gestructureerde overheidsapparaten is relatief onbekend; terwijl het zich ontwikkeld heeft tot een zo goed als onontbeerlijk instrument voor de overheid, maar ook voor het bedrijfsleven (industriële spionage).
Niet zo verbazingwekkend, omdat veel van de werkzaamheden zich logischerwijze achter de schermen afspeelden en niet of nauwelijks op schrift gesteld werden. En als ze al op schrift staan, dan is de toegang ertoe bepaald niet eenvoudig (denk aan de ontoegankelijkheid van de BVD-dossier bij voorbeeld).
Enkele interessante relatief recente, maar helaas moeilijk verkrijgbare, publicaties die op dit vakgebied een historisch overzicht geven, zijn: Origins of Intelligence Services van Francis Dvornik (1974) en Weltgeschichte der Spionage van J. Piekalkiewicz (1988).
Met de ontwikkeling en groei van de natiestaten in het 19e en 20e eeuwse West-Europa blijven de 'oude' vraagstukken gewoon bestaan. Echter, context en inhoud wijzigen. In tegenstelling tot de vroegere staatsvormen zijn natiestaten van een andere orde. De Duitse socioloog Max Weber stelt dat bij natiestaten het belastingmonopolie en het geweldsmonopolie in handen van de overheid zijn en dat er sprake is van een verworven (overheids-)legitimiteit bij de bevolkingsgroepen binnen de grenzen van het grondgebied.
Gespecialiseerde onderdelen van het staatsapparaat (overheidsbureaucratie) richten zich op de handhaving van deze monopolies. Wat het geweldsmonopolie betreft bestaat een grove taakverdeling tussen de krijgsmacht (teneinde dit monopolie te handhaven ten opzichte van andere staten) en de politie om dit binnenlands te handhaven (orde en veiligheid). Onder de zich uitbreidende overheidsbureaucratieën ontwikkelen zich uiteraard ook organen welke belast worden met het vergaren van inlichtingen (zowel met betrekking tot de eigen burgers, als ten aanzien van andere staten) en het bestrijden van concurrerende apparaten van andere staten. Voor de ontwikkeling en groei van deze veelal als politieke politie opgezette tak van sport hebben de opkomende sociale bewegingen (liberalisme, nationalisme, anarchisme en socialisme) vanaf het midden van de 19e eeuw een aanzienlijke bijdrage geleverd. In het Verenigd Koninkrijk bij voorbeeld was de opkomst van en de strijd tegen de Ierse nationalistische beweging de belangrijkste stimulans om een aparte politiedienst op te zetten (Special Branch). Samenwerking tussen de verschillende politieke politiediensten in Europa kwam met name tot stand onder de dreiging van aanslagen op staatshoofden en politici door anarchisten.
Het handwerk van dergelijke politiediensten bestond uit: het runnen van informanten, infiltraties binnen organisaties, binnen linkse politieke partijen, het aanleggen van persoonsregisters van actieve leden van "verdachte" organisaties, het werken met verklikkers en met agents provocateurs, het in beeld brengen van de sociale netwerken van politiek activisten. Technische problemen welke zich hierbij voor gaan doen zijn: het opslaan en toegankelijk maken van de verkregen gegevens (kaartenbakken); het betrouwbaarheidsgehalte van persoonsgegevens oftewel het vraagstuk van identificatie (vingerafdrukken); het uniform toepassen van de technieken binnen de politieapparaten, enz. enz.
De problemen welke samenhangen met het beheren en beheersen van de eigen bevolking zijn vele malen groter binnen de veroverde koloniale imperia. Binnen de westerse kolonies was er weliswaar sprake van een onderscheid tussen leger en politie, zij het dat het (koloniale) leger met name tot taak had om de heersende verhoudingen in stand te houden (in het voormalig Nederlands-Indië was het KNIL meer een politieleger b.v.). Het lijkt voor de hand liggend dat veiligheidsactiviteiten als spionage en contraspionage tot de (bestuurlijke) orde van de dag behoorden.
Van de hand van R. J. Popplewell verscheen in 1995 bij Frank Cass: Intelligence and Imperial Defence. British Intelligence and the defence of the Indian Empire 1904-1924. Het boek behandelt zeer gedetailleerd de wijze waarop het Brits-Indische bewind in die periode een uitgebreid inlichtingennetwerk ontwikkelde.
Het boek schetst welke lessen het Britse bewind in het laatste kwart van de vorige eeuw getrokken had uit de muiterij van de Brits-Indiase troepen (1857), namelijk dat binnenlandse onlusten en verzet geen bedreiging zouden vormen voor het koloniale bewind. Mogelijke bedreigingen zouden van buiten komen: religieuze bewegingen (moslim-fundamentalisten uit het gebied dat nu Saoedie-Arabië omvat) en de dreiging van het Tsaristische Rusland aan de noordgrenzen. Pas in de eerste jaren van deze eeuw werd de potentiële bedreiging van nationalistische terroristische bewegingen (mits deze zowel een brede basis onder de bevolking zou hebben, als de bevolking van meerdere provincies zou omvatten). Desalniettemin blijkt voortdurend dat Britse bestuurders bij voortduring de omvang en de organisatiegraad van de bewegingen zouden blijven onderschatten; bedreigingen van binnenuit blijven in hun ogen onwaarschijnlijk.
Diverse pogingen om te komen tot hervormingen van het inefficiënte politieapparaat stuiten op de armoede, waardoor het onmogelijk was om een relatief efficiënte bureauocratie te ontwikkelen. Met uitzondering echter van het inlichtingenwerk van de politie, op centraal niveau werd het Department of Criminal Intelligence (DCI) opgericht met regionale diensten binnen de deelstaten en provincies. Aparte politieke politie en politieke inlichtingendiensten worden niet opgericht. Vanaf 1907 verschaft het DCI wekelijks inlichtingen over wat genoemd wordt de extremistische nationalistische beweging en de inheemse pers. Deze informatie is bedoeld voor de regering, de besturen van de provincies en voor de lokale criminele inlichtingendiensten. Geleidelijk aan groeit het DCI uit tot de inlichtingen- en veiligheidsdienst van Brits-Indië.
In de jaren voor de eerste wereldoorlog is er sprake van stijging van politiek geweld in diverse Indiase deelstaten en van een groei van Indiase revolutionaire, nationalistische organisaties, waaronder de Ghadr-partij, in de Indiase gemeenschappen buiten India (Engeland en in een aantal West-Europese landen; Canada , VS; en in het Verre Oosten).
Onder invloed hiervan ontstaan eerst contacten en later samenwerking met politiecorpsen van de verschillende Engelse gebieden; relaties met de Engelse Special Branch worden opgebouwd. Desondanks blijkt het toeval een grote rol te spelen, zoals de aanwezigheid van een voormalig Brits-Indisch ambtenaar in Canada, die persoonlijk de bestrijding van wat hij als Indiaas extremisme beschouwde ter hand nam. Hetgeen hem na enkele jaren het leven kostte.
Overigens blijkt uit archiefonderzoek dat het DCI een kwalitatief goede informatiepositie wist op te bouwen binnen de revolutionaire Ghadr-partij. Hetgeen de pogingen van Ghadr om een infrastructuur binnen India op te zetten en politieke terreuracties te ondernemen heeft bemoeilijkt.
Al met al een interessant boek, dat inzicht biedt in de wijze waarop en hoe het koloniale overheidsapparaat en bestuurders reageren op maatschappelijke ontwikkelingen die als bedreiging beschouwd worden. Jammer dat er (nog) niet een soortgelijk onderzoek gedaan is naar de activiteiten van de politieke inlichtingendienst in het voormalige Nederlands-Indië en haar relatie tussen de Nederlandse GSIIIB/ Centrale Inlichtingendienst.
Intelligence and Imperial Defence van Richard J. Popplewell is in 1995 verschenen als onderdeel van de Cass Series: Studies in Intelligence bij uitgeverij Frank Cass, London. ISBN 0-7146-4580-X.
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 313, 26 september 1997