Lippmann Rosenthal en de Hollandse Koopmansbank
Liro (deel twee)
In Kleintje Muurkrant 319 heb ik de relatie beschreven tussen Liro en de IG Farben dochteronderneming Degussa. Hier kwam naar voren dat Rhodius Koenigs directeur Alfred Flesche op 'dolle dinsdag' met miljoenen aan sieraden en diamanten naar Duitsland vertrok, die eerder door joden bij Liro waren ingeleverd. Het laatste gegeven is ontleend aan "Ultracentrifuge 1937-1970" van Wim Klinkenberg. Onlangs ben ik er op gewezen dat zijn bewering over Flesche in strijd is met de officiële geschiedschrijving, zoals opgesteld door het RIOD. Om die reden wil ik hier nogmaals op Liro terug komen.
Volgens het RIOD waren er twee verschillende Liro banken in Amsterdam. Eén daarvan was het aloude en internationaal bekende bankiershuis, dat gevestigd was aan de Nieuwe Spiegelstraat 6-8. Aangezien de directie van dit Liro filiaal joods was, werd deze bank aan het begin van de oorlog al onder Duits beheer geplaatst. Alfred Flesche werd toen aangesteld als beheerder van het Liro filiaal in de Nieuwe Spiegelstraat (Liro-NS). De andere Liro bank in Amsterdam was een volledige creatie van de Duitsers. Dit was het zogenaamde 'Liro 2' filiaal aan de Sarphatistraat nummer 55, waar joden tijdens de oorlog hun bezit in moesten leveren. De Duitsers gebruikten de naam van Liro om de diefstal van joods bezit te camoufleren. Dat was voor de nazi's noodzakelijk in verband met de verkoop van gestolen aandelen op de internationale aandelenmarkt. Als daar bekend zou zijn geworden dat de aandelen afkomstig waren uit geroofd joods bezit, dan was verkoop onmogelijk geweest of was de waarde in ieder geval aanmerkelijk gedaald. Met de joodse naam van Liro aan deze aandelen verbonden, was de kans dat dit zou gebeuren aanmerkelijk kleiner. Volgens de officiële geschiedschrijving had de directie van Liro-2 niets te maken met Liro-NS en bestond er alleen een overeenkomst in namen. Dat de nazi spion Flesche ook aan dit filiaal was verbonden verandert niets aan dat standpunt. Er wordt vanuit gegaan dat hij zo weinig mogelijk met de gang van zaken in de Sarphatistraat te maken wilde hebben. Inderdaad zijn er in archiefstukken aanwijzingen te vinden dat Flesche zich niet kon vinden in hetgeen zich in de Sarphatistraat afspeelde. Maar zijn bezwaren gingen nu ook weer niet zo ver dat hij zich van Liro-2 meende te moeten distantiëren. Want ook toen de roof op joods bezit een aanvang had genomen, bleef Flesche aan beide filialen verbonden. Aan de bezwaren van Flesche over de gang van zaken in de Sarphatistraat wordt in de officiële geschiedschrijving de conclusie verbonden dat hij er nooit met miljoenen aan sieraden en diamanten vandoor kan zijn gegaan op Dolle Dinsdag, zoals Wim Klinkenberg dat in "Ultracentrifuge 1937-1970" heeft geschreven. Er wordt hierbij verder op gewezen dat directieleden van Liro-NS na de oorlog een getuigenis hebben afgelegd in het voordeel van Flesche, toen deze zich voor zijn gedragingen moest verdedigen.
Na enig onderzoek is bij mij de indruk ontstaan dat het beeld omtrent Liro, zoals dat door de officiële historici wordt geschetst, vertekend is geraakt. Ik beschik over aanwijzingen waaruit blijkt dat de scheiding tussen beide Liro filialen niet zo scherp getrokken was, als doorgaans wordt verondersteld. In verband hiermee speelt de in 1923 opgerichte Hollandse Koopmansbank (HKB) een belangrijke rol. Zowel voor als tijdens de Tweede Wereldoorlog was de HKB voor een groot gedeelte in bezit van IG Farben, terwijl een minderheidsaandeel in handen was van de Zweedse Enskilda Bank van de familie Wallenberg. De HKB heeft een ronduit slechte reputatie aan de Tweede Wereldoorlog overgehouden. Deze bank handelde, bij volmacht van de Duitsers, in aandelen die door joodse Nederlanders bij Liro-Sarphatistraat werden ingeleverd. Zoals het goud en zilver, dat bij Liro in de Sarphatistraat terecht kwam, bij Degussa werd omgesmolten, zo gingen waardepapieren naar de HKB. Deze bank zorgde er voor dat de van joden gestolen aandelen, via allerlei constructies naar het buitenland, in cash geld werden omgezet. Met de opbrengst uit dergelijke HKB transacties werd voor een deel de Duitse oorlogsmachine gefinancierd, terwijl ook de transporten naar de concentratiekampen langs deze weg werden bekostigd. Maar aangezien IG Farben, met dochterondernemingen als de HKB en Degussa, nauw bij de rooftocht van de nazi's betrokken was, ga ik er van uit dat dit concern eveneens een aanzienlijk deel van de Liro opbrengsten in handen heeft gekregen.
De handel van gestolen aandelen door de HKB is niet terug te vinden in Lou de Jong's "Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog". Maar dat wil niet zeggen dat de praktijken van de HKB geheel ontbreken in het werk van officiële historici. Gerard Aalders en Cees Wiebes draaien er in "Zaken doen tegen iedere prijs" niet omheen dat de HKB een dergelijke rol heeft gespeeld. Maar één aspect rond de HKB zal men bij hen evenmin aantreffen, want de verbinding zoals die bestond tussen de HKB en Liro-NS, wordt ook hier niet genoemd. Het is nu juist de relatie tussen beide banken die in het hier beschreven kader van groot belang is. Om te beginnen kende Liro-NS een binding met de HKB aan de hand van de eveneens in Amsterdam gevestigde 'NV Internationale Bank'. Liro-NS was voor 2 procent eigenaar van de laatstgenoemde bank. Dat was ook nog zo toen de Internationale bank in 1937 met de HKB fuseerde. Daarmee werd Liro-NS gedurende drie jaar aandeelhouder van de aan IG Farben verbonden HKB, een situatie die pas met de bezetting van Nederland zou veranderen. De connectie tussen Liro-NS en de HKB komt verder naar voren in de persoon van Robert May. Volgens jaarverslagen en biografieën uit eind jaren dertig, blijkt dat de uit Huis ter Heide afkomstige Robert May niet alleen directielid was van Liro-NS, maar ook dat hij in 1937 toe trad tot de raad van commissarissen van de HKB. Naast commissaris was May toen, via het Liro-NS aandeel in de Internationale bank, tevens aandeelhouder van de HKB. May bleef zijn positie bij de HKB bekleden tot Liro-NS in 1940 door de nazi's werd gedwongen om de aandelen Internationale bank/HKB over te dragen aan de 'Berliner Handels Gesellschaft'.
Als een directielid van Liro-NS tevens commissaris was bij een aan IG Farben verbonden bank, dan dient de officiële lezing, waarin de directie van deze bank zonder meer te goeder trouw was, wellicht van enige kanttekeningen te worden voorzien. De officiële historici zijn het er dan weliswaar over eens dat de directie van Liro-NS niets verweten kan worden, maar door de hier beschreven overlapping tussen de betrokkenen van Liro-NS en de HKB, bestaat daar geen volledige duidelijkheid over. De connectie tussen Liro-NS en de HKB wordt nog eens benadrukt door de samenwerking tussen beide banken, zoals die in de naoorlogse periode plaats vond. In 1966 vestigde de HKB zich in het pand Nieuwe Spiegelstraat 6-8, waar ook Liro op dat moment nog gevestigd was. In 1968 kwam het zelfs tot een volledige integratie onder de naam 'Hollandse Koopmansbank-Lippmann Rosenthal', waarna de aldus ontstane bank in 1973 weer werd omgedoopt tot Hollandse Koopmansbank. In de jaren die volgden viel de HKB langzamerhand in verschillende onderdelen uiteen. Wat er uiteindelijk van over bleef werd in 1997 door de SNS Groep NV ('s-Hertogenbosch) overgenomen.
Nog voor dat de integratie tussen HKB en Liro definitief tot stand was gekomen, valt in de jaarverslagen de naam op van Max Ernst Fuld. Deze naoorlogse directeur van de HKB was een kleinzoon van Liro oprichter George Rosenthal en een zoon van Edgar Fuld, die naast May, voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog directielid was van Liro-NS. Uit verklaringen die na de oorlog door directe Liro-betrokkenen werden afgelegd, blijkt dat Edgar Fuld, in opdracht van de Duitsers, 25 personeelsleden van Liro-NS overplaatste naar het beruchte filiaal in de Sarphatistraat. Een aantal van hen kon zich met deze overplaatsing niet verenigen, omdat bij hen toen al het sterke vermoeden bestond dat langs deze weg joods bezit zou worden geroofd. Het gevolg was dat een aantal van hen een poging deed om ontslag te nemen. Dat lukte soms, maar ontslag werd ook vaak geweigerd. Andere personeelsleden van Liro vonden het geen probleem om naar de Sarphatistraat overgeplaatst te worden, waarbij aangetekend moet worden dat zich hier veel NSB-ers onder bevonden. De voormalige personeelsleden van Liro-NS vormden al snel een belangrijke kern van het filiaal in de Sarphatistraat. De meesten werden binnen een maand tot procuratiehouder benoemd.
Uit de zojuist genoemde verklaringen van voormalige Liro betrokkenen, blijkt dat Fuld niets heeft ondernomen om overplaatsing van personeel naar de Sarphatistraat te voorkomen. En dit ondanks de protesten van sommige van zijn werknemers. Fuld is er van beschuldigd vooral vanuit de financiële belangen van zijn bank te hebben gehandeld. Eén van de getuigen gaf zelfs te kennen "dat deze Fuld, joods mede eigenaar van de zaak de daadwerkelijke hulp heeft verleend om zijn mede-joden bankmatig uit te kleden". Dezelfde getuige vroeg zich destijds af waarom er geen dossier over de gedragingen van Fuld in de oorlogsjaren werd aangelegd. Vast staat dat Fuld voor zijn medewerking min of meer werd beloond door de Duitsers. Alfred Flesche zorgde er voor dat de joodse Liro directeuren May en Fuld niet gedeporteerd werden en aan de bank verbonden konden blijven. Het tweetal ontving hierdoor een aardig inkomen op een moment dat andere joodse mensen hun bezit in de Sarphatistraat af moesten staan. Het waren May en Fuld die na de oorlog een getuigenis in het voordeel van Alfred Flesche aflegden, toen deze zich moest verantwoorden voor zijn rol tijdens de oorlog. Dat Flesche de tweede man was geweest van Abwehr bevelhebber G.W. Schülze-Bernett, waardoor hij wel degelijk als nazi spion kon worden aangemerkt, speelde voor May en Fuld blijkbaar geen rol toen zij hem in bescherming namen. Bovendien moet het hen duidelijk zijn geweest dat Flesche ook via zijn betrokkenheid bij Rhodius Koenigs in het belang van de nazi's had gehandeld, maar niets van dat alles kwam ter sprake.
Het is de vraag waarom Lou de Jong de binding van de HKB met Liro-NS, niet heeft beschreven in zijn "Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog". Het is mogelijk dat hij dit destijds gewoonweg over het hoofd heeft gezien. Maar mede omdat de HKB door De Jong in het geheel niet genoemd wordt, lijkt dat wel wat al te simpel geredeneerd. Daarom dienen hier tevens andere mogelijkheden overwogen te worden. In de eerste plaats moet in dit verband de Nederlandse koninklijke familie genoemd te worden. Want zowel Prinses Juliana als Prins Bernhard, waren goed bevriend met Gerhard Fritze, de oprichter van de HKB. Fritze gold met zijn bank als vertegenwoordiger van IG Farben in Nederland (hij was getrouwd met Margarete Ilgner, een familielid van de IG Farben bazen Rudolf en Max Ilgner). Wim Klinkenberg beschrijft in "Prins Bernhard, een politieke biografie" hoe Fritze de fijne kneepjes aan Bernhard bijbracht, die de prins nodig had als spion voor NW 7, de spionageafdeling van IG Farben. Het 'onderricht' van Fritze aan Bernhard, vond plaats toen de ZKH enige tijd bij de HKB in Amsterdam werkte. Verder was het Fritze die Bernhard ooit aan Juliana voorstelde. Het huwelijk dat hierop volgde was iets waar men bij IG Farben erg op gebrand was, gezien de interesse van dit concern in de grondstoffen-reserves van het toenmalig Nederlands Indië.
Ook in de naoorlogse periode bleef het Oranjehuis met Fritze en de Hollandse Koopmansbank in contact. Het verhandelen van gestolen aandelen van joden door de HKB van Fritze tijdens de oorlog stonden dergelijke contacten kennelijk niet in de weg. In 1962 verschenen Juliana en Bernhard met een rouwkrans op de begrafenis van Fritze, waarmee de banden tussen deze nazibankier en de Nederlandse koninklijke familie voor de laatste keer werden bevestigd. Fritze had in 1952 afstand gedaan van zijn belangen in de HKB. Vanaf dat moment was hij alleen nog verbonden aan de 'Holland American Merchants Corporation', een dochter van de HKB, die door Fritze tijdens de oorlog in de VS was opgericht (hij bracht de oorlogsjaren in de VS door). In 1952 werd de Holland American Merchants Corporation zelfstandig, toen Fritze zich uit de HKB terug trok. Maar ook nadat Fritze niets meer met de HKB te maken had bleven er contacten bestaan tussen de HKB en de Nederlandse koninklijke familie. Dat bleek in 1963 met de benoeming van de HKB directeur A.E. van Braam Houckgeest, tot particulier secretaris en thesaurier van Prins Bernhard. De onduidelijkheid in de officiële geschiedschrijving over de HKB, zowel als over de connectie van deze bank met Liro-NS, geeft aanleiding tot tal van speculaties. Zo valt het te veronderstellen dat Lou de Jong de HKB nergens heeft genoemd in "Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog", om te voorkomen dat er ooit een connectie gemaakt zou worden tussen Bernhard en geroofde joodse bezittingen. Het is aannemelijk dat de Jong dit noodzakelijk achtte ten aanzien van de reputatie van de koninklijke familie. Bernhard was als grote held uit de Tweede Wereldoorlog tevoorschijn gekomen en dat wilden velen in Nederland graag zo houden. De betrokkenheid van ZKH bij IG Farben vormde op zich al genoeg dreiging ten aanzien van de reputatie van de koninklijke familie. De officiële historici hadden hun handen daar al vol aan. Er is niet veel verbeeldingskracht voor nodig om er van uit te gaan dat zij de verbinding tussen Bernhard de HKB en Liro onder deze omstandigheden niet konden gebruiken. Bovendien had deze connectie ook nog eens licht geworpen op de rol van IG Farben bij het huwelijk tussen Bernhard en Juliana.
Het door de Jong zo strikt genomen onderscheid tussen de beide Liro filialen, dient wellicht in het zelfde kader gezien te worden, als het uitblijven van de HKB, in de door hem beschreven geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in Nederland. De ongeschonden reputatie van Liro-NS diende wellicht ook in deze context als een camouflagemiddel. In dit geval om de relatie van beide Liro filialen met de HKB verborgen te houden. Als de Jong de directie van Liro-NS niet in bescherming had genomen, had hij niet kunnen ontkomen aan de relatie van Robert May met de HKB. Ook in dat geval had het spoor in de richting gewezen van Bernhard's relatie met deze bank.
Als er wat betreft Liro en de HKB inderdaad een moedwillige vertekening van de geschiedenis heeft plaatsgevonden, dan lijkt die achteraf in ieder geval geslaagd te zijn. Want toen eind 1997 alle ophef over het teruggevonden Liro archief ontstond, kwam Bernhard daarbij op geen enkele manier ter sprake. Maar goed: Wim Klinkenberg beschreef het RIOD niet voor niets als "opgericht om de geesten uit de Tweede Wereldoorlog te bezweren". Zelf moet ik ook toegeven dat ik Bernhard in eerste instantie niet direct in het geheel rond Liro kon plaatsen. Toen ik echter gewezen werd op de punten waar mijn artikel afwijkt van de officiële geschiedschrijving, ben ik nogmaals op onderzoek gegaan. Verder zouden de onduidelijkheden rond de beide Liro filialen in verband kunnen staan met de joodse achtergrond van May en Fuld. Het kan niet ontkend worden dat de contacten van May met de HKB van
IG Farben, nogal wrang overkomen ten aanzien van het joodse karakter van Liro-NS. Ook de medewerking die Edgar Fuld aan de nazi's verleende bij de opbouw van Liro-Sarphatistraat wekt in dit verband een bedenkelijke indruk. Zonder er nu direct vanuit te gaan dat beide Liro directeuren echt 'fout' waren, doet de manier waarop zij tijdens de oorlog handelden denken aan de gebeurtenissen rond de Joodse Raad in Amsterdam. Onder druk van de nazi's was die instelling overigens nauw betrokken bij de roof van joods bezit bij Liro-2. Evenals bij de Joodse Raad, lijken ook de Liro-NS directeuren gehandeld te hebben onder het motto "Om erger te voorkomen", zoals zo treffend omschreven in het als zodanig getitelde boek van Nanda van der Zee. Natuurlijk kan er op gewezen worden dat Fuld onder dwang aan de plannen van de nazi's mee werkte. Argumenten van gelijke strekking zijn ook ten aanzien van de Joodse Raden wel naar voren gebracht. Maar aan de andere kant heeft de zojuist genoemde Nanda van der Zee laten zien dat de opstelling van de joodse elite in de oorlog (zoals bij haar in de persoon van David Cohen, de leider van de Joodse Raad in Amsterdam), zeker niet in alle gevallen kan worden verklaard aan de hand van door nazi's uitgeoefende dwang. Ter verdediging van May zou verder aangevoerd kunnen worden dat hij tijdens de oorlogsjaren niet actief bij de HKB betrokken was. Maar dat verklaart niet waarom hij zich in 1947 nogmaals aan deze bank verbond. Dat de HKB nauw betrokken was geweest bij de economische oorlogsvoering die IG Farben voor de nazi's voerde, kon May hier kennelijk niet van weerhouden. Het aanblijven in de naoorlogse periode van de voormalige IG Farben vertegenwoordiger Gerhard Fritze, als gedelegeerd commissaris bij de HKB, vormde voor May evenmin een bezwaar. Als May echt integer was geweest en zich als slachtoffer van de nazi's had beschouwd, dan had het voor de hand gelegen dat hij na de oorlog niets meer met Fritze en diens bank te maken had willen hebben. In plaats daarvan handelde May in de naoorlogse periode alsof er helemaal niets gebeurd was en bleef hij vervolgens nog een aantal jaren aan de HKB verbonden. Hiermee wekte hij overigens de indruk dat hij gedurende de oorlogsjaren in contact was gebleven met betrokkenen van deze bank. De opstelling van Robert May valt in het bijzonder op in relatie tot het lot van zijn broer Siegfried. Die was aanvankelijk eveneens directielid van Liro-NS (doch niet bij de HKB), maar pleegde samen met zijn vrouw zelfmoord toen Nederland in 1940 capituleerde.
Zoals ik al schreef zouden de onduidelijkheden rond Liro-NS, naast de connectie Bernhard-HKB-Liro, tevens verklaard kunnen worden aan de hand van de joodse identiteit van May en Fuld. Het is mogelijk dat de officiële historici er weinig heil in zagen om te erkennen dat de directie van deze bank uit eigenbelang medewerking verleende aan de Duitsers. Daarmee probeerde men wellicht te voorkomen dat de reputatie van de joodse gemeenschap zou worden aangetast. Na afloop van de oorlog werd wellicht geoordeeld dat er met de ontwikkelingen rond de Joodse Raden wel voldoende zwarte pagina's over de joodse elite in de geschiedenisboeken waren geschreven.
Peter Edel
Bronnen:
** Jaarverslagen Hollandse Koopmansbank (Lippmann-Rosenthal) 1923-1992, afkomstig uit het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (Amsterdam).
** Archief Lippmann Rosenthal, afkomstig uit het Rijks Instituut voor Oorlogs Documentatie (Amsterdam).
** Archief Hollandse Koopmansbank, afkomstig uit het Rijks Instituut voor Oorlogs Documentatie (Amsterdam).
** "Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld, Nederlanders en hun werk" (1938).
** "Prins Bernhard, een politieke biografie", Wim Klinkenberg (1979).
** "Ultracentrifuge, 1937-1970", Wim Klinkenberg (1971).
** "Om erger te voorkomen", Nanda van der Zee (1997).
** "Zaken doen tegen iedere prijs", Gerard Aalders en Cees Wiebes 1990).
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 321, 22 mei 1998