Kanttekeningen... deel 2 (E)
Contacten tussen zionisten en extreem rechts in de naoorlogse periode.
Het zionisme verloor na 1948 met het uitroepen van de staat Israël veel van haar oorspronkelijke betekenis, omdat het zionisme een vertaling had gekregen in het politieke establishment. Op het 27ste internationale zionistische congres van 1968 werden zionisten verplicht om in Israël te gaan wonen. Toch bleef de zionistische vlam ook buiten de joodse staat brandende.
door Peter Edel
Zowel voor als tijdens de Tweede Wereldoorlog waren zionisten bereid geweest tot het aangaan van de meest extreme allianties. Maar ook na het ontstaan van Israël bleven er zionisten die daartoe bereid waren. Vanaf dit moment echter niet meer in het kader van een uit te roepen natie, maar om één blok te vormen tegen de vijanden ervan. In het vorige Kleintje beschreef ik hoe die vijanden in Israël niet alleen in de Arabische landen werden herkend, maar vooral ook in het Sovjet-communisme. Als gevolg daarvan raakte niet alleen Israëlische instanties, maar ook veel zionisten buiten de joodse staat betrokken bij een complex van anticommunistische organisaties, met zoveel vertakkingen dat met recht van een netwerk kon worden gesproken. Niet zelden greep deze uiterst rechtse structuur het communisme als argument aan voor het nastreven van politieke doeleinden. Dat dit in veel landen vaker neer kwam op onderdrukking van de eigen bevolking, dan met een daadwerkelijke strijd tegen het communisme, geeft aan wat de werkelijke intenties waren. Halve maatregelen werden echter nooit genomen. De duistere macht van dit netwerk is dan ook schuil gegaan achter tal van politieke aanslagen en militaire machtsovernames.
het communisme als vijand
Na de Tweede wereldoorlog raakten vervolgens veel van de structuren, die door de nazi's waren achtergelaten, vertegenwoordigd binnen de anticommunistische alliantie. Zo raakte het gehele op het Oostblok gerichte spionagenetwerk van de nazi's, onder leiding van 'Abwehr' man Reinhard Gehlen, erbij betrokken.
Tenslotte volgden de zionisten, waarbij opvalt dat deze zich in de loop der jaren feitelijk met dezelfde kringen bleven associëren.
Immers, voor en tijdens de oorlog probeerden verschillende zionistische stromingen al om tegelijkertijd, doch afzonderlijk van elkaar met de nazi's en het Angelsaksische blok tot overleg te komen.
In Kleintje 327 heb ik beschreven hoe de zionistische 'Irgun' er tijdens de oorlog voor koos om aan de kant van de Britten te vechten, terwijl de niet minder zionistische 'Stern Gang' op dat moment afspraken probeerde te maken met de nazi's.
Maar hoe dan ook: na 1945 kwam alles en iedereen weer aan dezelfde kant te staan, omdat er ondertussen een gemeenschappelijke vijand was gevonden in de vorm van het communisme. In het licht van die nieuwe vijand verdwenen onderlinge geschillen tussen de afzonderlijke componenten van het netwerk als sneeuw voor de zon. Vooral in de VS hebben niet-Israëlische zionisten van zich doen spreken, door hun aandeel in de verschillende aspecten van het anticommunistische netwerk (1). Een voorbeeld is de zionistische publicist Marvin Liebman, die in 1959 betrokken was bij een comité dat de basis vormde van de 'World Anti-Communist League' (WACL). Eén van de talrijke anticommunistische initiatieven die in de naoorlogse periode ontstond (2). De WACL werd een toevluchtsoord voor allerlei tuig dat tijdens de oorlog met de nazi's had geheuld; zodat het niet ongebruikelijk was dat de betrokkenen elkaar de Hitlergroet brachten (3). Wellicht stond de beslissing van Liebman om zich met dergelijke kringen te associren niet op zich, want onder de staten waarmee deze anticommunistische organisatie contacten onderhield bevonden zich tevens staten waarmee Israël tegen het communisme samenwerkte, zoals Nicaragua. Maar ook met Taiwan, het land waar de WACL oorspronkelijk werd opgericht, kende Israël betrekkingen (zie Kleintje 329).
The Christian Right
Contacten tussen zionisten en extreem rechts speelden zich in de naoorlogse periode zeker niet alleen in een politieke context af, ook in religieus opzicht deden zich soortgelijke verbindingen voor.
Het is vooral sinds de jaren 80 dat zionistisch georinteerde joodse intellectuelen in de VS zich in toenemende mate hebben afgekeerd van het liberalisme. In plaats daarvan ontstonden contacten op religieuze basis met de Amerikaanse 'Christian Right', een oerconservatieve stroming, dat door een rabiaat antisemitisme wordt gekenmerkt (4).
Het fanatieke, socialistisch georiënteerde atheïsme van Theodor Herzl is binnen de zionistische beweging lang niet de enige drijfveer gebleven. Zo zijn de 'Messiaanse' zionisten de joodse staat als voorwaarde gaan zien voor de komst van de Messias, waar het jodendom al sinds mensenheugenis op zit te wachten. Door velen binnen dit Christian Right wordt de komst van de joodse Messias geïdentificeerd met de wederkomst van Jezus Christus op aarde. Voor hen is er zodoende alle reden om de religieus georinteerde zionisten te ondersteunen bij het scheppen van de voorwaarden die volgens hen verbonden zijn aan de (weder)komst van de joods/christelijke Messias. Dat laatste houdt niet op bij alleen een sterk Israël. Vanuit de Christian Right worden tevens militant religieuze groeperingen in Israël aangemoedigd tot de herbouw van de in het Oude Testament omschreven joodse tempel. Zonder die tempel zal de Messias zich volgens de voorspellingen niet vertonen. Op de plaats waar die tempel gepland is, staat nu echter de Al-Aqsa moskee in Jeruzalem en de moslims zijn geenszins van plan die te verlaten. Fanatieke joodse gelovigen worden, samen met hun christelijke medestanders in de VS, zo langzamerhand tot wanhoop gedreven over de vraag wanneer er nu eindelijk tot de herbouw van de zo fel begeerde tempel kan worden overgegaan.
Een bereidheid tot geweld lijkt zeker aanwezig te zijn, vooral omdat zich al verschillende incidenten bij de Tempelberg hebben voorgedaan. Daar komt nog bij dat fundamentalistisch christenen in de VS bereid zijn om hun steentje bij te dragen. En hoe ver men daar bereid is te gaan, wordt alleen al duidelijk met de in deze kringen levende opvatting over het 'Nuclear Armageddon' (zie Kleintje 324).
Toch kunnen zelfs krankzinnige opvattingen van dit kaliber er niet voor zorgen dat zich binnen de extreme vleugel van het zionisme bezwaren ontwikkelen tegen een steuntje in de rug vanuit de 'Christian Right'. Maar zolang het belang van de joodse staat ermee wordt gediend, vindt men het in militant zionistische kringen al lang best. Jacques Torczyner, die in de naoorlogse periode een prominente vertegenwoordiger van de Amerikaanse vleugel van de 'World Zionist Organisation' werd, heeft het als volgt uitgedrukt: "We have, first of all, to come to the conclusion that the right-wing reactionaries are the natural allies of Zionism, not the liberals" (5).
Nathan Perlmutter
Evenals Jacques Torczyner vindt ook de Amerikaanse zionist Nathan Perlmutter dat een toenadering tot de 'Christian Right' in het voordeel van Israël is. Dat contacten met antisemitische kringen nooit in het voordeel kunnen zijn voor joodse mensen in het algemeen, acht Perlmutter zonder meer ondergeschikt aan het belang van de joodse staat. Of zoals hij het zelf zegt: "Jews can live with all the domestic priorities of the Christian right on which liberal Jews differ so radically because none of these concerns is important as Israël" (6). Met een andere uitspraak illustreert Perlmutter het extreme karakter van zijn zionistische uitgangspunten wellicht nog duidelijker: "We need all the friends we have to support Isral....let's praise the lord and pass the ammunition" (7).
Antisemitisme krijgt bij Perlmutter de meest bizarre vormen. Daarbij heeft de traditionele haat jegens joden niet echt zijn aandacht, in plaats daarvan heeft antisemitisme voor hem vooral betrekking op kritiek in de richting van Israël en het zionisme.
Maar daar blijft het niet bij, want ook bezwaren tegen het Amerikaanse beleid in Vietnam en Midden-Amerika moeten volgens Perlmutter tot het antisemitisme worden gerekend. Israël is immers voor een belangrijk deel afhankelijk van het buitenlands beleid van de VS. Tegelijkertijd moet Perlmutter met dit soort uitspraken de lieveling zijn van het militair industrieel complex, niet alleen in Israël, maar ook in de VS.
Linkse kritiek op de hoogte van het Amerikaanse defensiebudget, wordt door Perlmutter eveneens onder de noemer antisemitisme gerangschikt, maar hij is dan ook verzot op oorlog. In zijn boek "The Real anti-Semitism in America" schrijft hij: "nowadays war is getting a bad name and peace too favorable a press" (8).
De Anti Defamation League of B'nai B'rith
Nathan Perlmutter wordt doorgaans in verband genoemd met de als mensenrechtenorganisatie bekend staande 'Anti Defamation League of B'nai B'rith' (ADL). Aanvankelijk werd ADL opgericht om joodse mensen in de VS tegen antisemitisme te beschermen, hieraan werd later het bestrijden van racisme en discriminatie in het algemeen aan toe gevoegd. ADL is voortgekomen uit de B'nai B'rith broederschap, één van de joodse organisaties die in 1933 weigerden om mee te werken aan een boycot van nazi Duitsland.
B'nai B'rith werd in 1842 te New York opgericht en kan op basis van
de organisatiestructuur heel goed gezien worden als een joodse vorm van Vrijmetselarij. Ook verschillende andere aspecten, waaronder het uitvoeren van een ceremoniële handeling aan het begin van een bijeenkomst, doen daar sterk aan denken. Over de vraag of B'nai B'rith tot de Vrijmetselarij gerekend kan worden verschillen de meningen desalniettemin. Direct betrokkenen van deze broederschap ontkennen dit over het algemeen in alle toonaarden. Maar zij kunnen ook zij niet tegenspreken dat B'nai B'rith in Israël opgenomen is in de aldaar gevestigde Grootloge der Vrijmetselarij. Daar bevindt B'nai B'rith zich in gezelschap van andere maçonnieke verschijningsvormen, zoals loges die de 'Schotse rite' beoefenen (9).
Bestuursleden van ADL zijn vaak uit de B'nai B'rith broederschap afkomstig. In Nederland is iets soortgelijks herkenbaar, veel bestuursleden van het 'Centrum Informatie en Documentatie Israël' (CIDI) zijn afkomstig uit de Nederlandse B'nai B'rith loges, zoals 'Hilleel' en 'Chaim en Vera Weizmann' (10). Er bestaan nauwe bindingen tussen de Nederlandse B'nai B'rith loges en vertakkingen in andere landen. Een Nederlandse B'nai B'rith broeder, dhr. Reinold Simon, is bijvoorbeeld vice-voorzitter van 'B'nai B'rith International' in Washington, en van een vestiging van deze broederschap in Brussel.
Toch bestaat er geen reden om aan te nemen dat de Nederlandse loges een soortgelijke werkwijze kennen als hun ADL broeders in de VS (11). Dat kan ook moeilijk anders, want de politieke situatie in Nederland laat zich erg moeilijk vergelijken met die in de VS.
Waar de Nederlandse en Amerikaanse B'nai B'rith betrokkenen elkaar wel zullen ontmoeten, is in de uiterst zionistische oriëntatie. En zoals dat op het CIDI toepassing is, zo is dat ook het geval met de 'Anti Defamation League', die in 1919 uit B'nai B'rith voort kwam. Hoewel ADL zich altijd sympathiek heeft getoond ten opzichte van Israël, is men pas echt fanatiek zionistisch geworden toen het Israëlische leger in 1967 een gigantische overwinning op de Arabische landen boekte (12). Toch was niet iedereen binnen de moederorganisatie B'nai B'rith het er volledig mee eens dat Israël voorop kwam te staan voor ADL. Saul Joftes, die gedurende 25 jaar nauw bij het bestuur van B'nai B'rith betrokken was, drukte het nadat hij was ontslagen als secretaris van de 'Internationale raad' van B'nai B'rith, als volgt uit: "B'nai B'rith has become an international organization engaged in other things besides charitable, religious and educational activities. It is no longer non-profit. It engages in international politics and more often than not does the bidding of the Government of Israël" (13).
Zoals eerder bleek, behoren ook contacten met de hierboven genoemde ultra rechtse fundamentalistische christenen, tot de activiteiten van ADL/B'nai B'rith. Hier komt een tamelijk schizofreen aspect van deze organisatie naar voren. Want terwijl ADL/B'nai B'rith directeur Nathan Perlmutter te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen een samenwerking met de 'Christian Right', heeft ADL/B'nai B'rith in 1994 nog een rapport gepubliceerd waarin gewaarschuwd werd voor antidemocratische en antisemitische tendensen binnen de christelijke gemeenschap in de VS. In veel gevallen was die waarschuwing geheel terecht, maar aan de andere kant is het begrijpelijk dat Amerikaanse christenen op Internet blijk geven van hun verwondering over deze omstandigheden. Zij begrijpen niet hoe zij van antisemitisme beschuldigd kunnen worden, terwijl hun man, de aartsconservatieve televisiedominee Pat Robertson, donaties heeft gedaan ten bate van Israël. Verder wijzen zij er op dat Robertson in 1985 nog een vriendschappelijk bezoek aflegde aan vestiging van ADL/B'nai B'rith, om daar de leiding van deze organisatie te ontmoeten. Samen met ADL/B'nai B'rith directeur Nathan Perlmutter, sprak Robertson bij één van die gelegenheden een gebed uit waarin werd opgeroepen antisemitisme en racisme te bestrijden (14).
ADL als informant van Israël en Zuid Afrika
Naast contacten met de Christian Right zet ADL zich ook nog op andere manieren voor Israël in. Zo doet ADL er alles aan om vanuit de VS een bijdrage te leveren aan de veiligheid van Israël. Daartoe heeft men een 'Fact Finding Unit' opgericht, die gezien kan worden als de inlichtingendienst van ADL. Daardoor is ADL al vaker geïdentificeerd als een vertakking van de Mossad (15). In de VS werd ADL begin jaren negentig onderwerp van een justitieel onderzoek. Er vonden huiszoekingen plaats bij vestigingen van ADL in San Francisco en Los Angeles. In lokale kranten werd onthuld dat de Fact Finding Unit van ADL/B'nai B'rith gevoelige informatie over Amerikaanse mensenrechtengroepen aan de Israëlische regering leverde (16). Eens te meer werd een aanwijzing geleverd dat er verbanden tussen ADL en de Mossad bestaan. Maar uit de verhoren van gearresteerde ADL agenten kwam tevens naar voren dat zij vertrouwelijke gegevens leverden aan extreem rechtse groepen in Zuid Afrika, met betrekking tot anti-apartheidsstrijders en leiders van het ANC (17).
De gearresteerde ADL agenten hadden beruchte antecedenten. Eén van hen, Tom Gerard, was eerder werkzaam voor de CIA in landen als Honduras, Guatemala en El Salvador. In dat laatste land maakte hij deel uit van de beruchte 'Death Squads'. Tijdens een huiszoeking bij Gerard trof de politie foto's aan van vastgebonden mensen en teksten over verhoormethoden.
Verder trof men bij Gerard een computer aan met daarin bestanden over personen en organisaties, welke ook bij huiszoekingen in ADL vestigingen werden aangetroffen (18). Daaronder bevond zich veel informatie over extreem rechtse 'hate groups', hetgeen gezien de officiële doelstellingen van ADL voor de hand ligt. Even talrijk, maar minder vanzelfsprekend, waren dossiers over organisaties die op geen enkele manier met antisemitisme of extreem rechts in verband gebracht kunnen worden, zoals de 'American Civil Liberties Union' (ACLU) en andere mensenrechteninitiatieven in de VS. In het bijzonder viel het grote aantal dossiers op dat ADL/B'nai B'rith bijhield over tal van Afro-Amerikaanse organisaties, zoals 'Black Men United for Change' en het 'Black United Front'.
Natuurlijk is het op zich niet zo vreemd dat een organisatie als ADL gegevens verzamelt over derden. Dat zal ook elders wel plaats vinden; maar bij ADL ligt dat anders. Dat komt door de intentie die deze organisatie met het verzamelen van deze informatie heeft, het leveren ervan aan regeringen en racistische kringen buiten de VS. Daarnaast is het vooral de manier waarop door ADL informatie bijeen wordt gebracht, waardoor deze organisatie in een kwaad daglicht terecht is gekomen. Want dat doet de 'Fact Finding Unit' van ADL niet alleen met behulp van informanten en infiltranten, maar ook aan de hand van bijvoorbeeld afluisteroperaties (19). Deze modus operandi geeft al aan dat het ADL vooral te doen is om vertrouwelijke informatie. Die bleek niet alleen aan Israël te worden geleverd. Ook tegenstanders worden er eventueel mee in diskrediet gebracht. Dit heeft zich bijvoorbeeld geuit in (media)campagnes tegen hen die hun kritiek op ADL of Israël kenbaar hebben gemaakt. Het ligt overigens voor de hand dat de meeste betrokkenen van ADL (en zeker van B'nai B'rith) absoluut geen weet hebben wat zich allemaal precies bij de Fact Finding Unit van ADL afspeelt. In hoeverre de leiding daar wel van op de hoogte is valt moeilijk te bepalen, maar kan zeker niet uitgesloten worden. Feit is dat de 'National Director' van ADL, Abraham Foxman niets wil weten van onthullingen over dubieuze praktijken in zijn organisatie. Toen de spionagepraktijken van ADL begin jaren negentig aan het licht kwamen, ging hij langs bij een aantal mediavertegenwoordigers en andere joodse organisaties, in een poging de schade voor ADL in deze affaire te beperken. Degenen die kritiek op ADL hadden geuit noemde Foxman daarbij "anti-Semitic, undemocratic, and anti-American ... bastards" (20).
Noam Chomsky
In de dossiers van ADL/B'nai B'rith bevond zich tevens een dossier van 150 pagina's over de Amerikaanse publicist en linguïst Noam Chomsky. Deze heeft zich in de laatste decennia opgesteld als mensenrechtenactivist en criticus van de Amerikaanse buitenlandse politiek. Dat Chomsky ook kritiek heeft geuit ten aanzien van de politiek, zoals die door Israël wordt gevoerd ten aanzien van de bezette gebieden en het buitenland, heeft er toe geleid dat ook hij door ADL als een bedreiging wordt beschouwd. Volgens Chomsky werden de dossiers die ADL over hem bijhield echter gebruikt in een "coordinated effort to discredit or counter critics of Israeli policies" (21). Uit de dossiers van ADL dook verder informatie op over een aantal joodse organisaties die tot een dialoog met de Palestijnen willen komen, zoals 'Israelis Against Occupation'. Verder hield ADL informatie bij over het 'Simon Wiesenthal Centre'.
Ook Arabische personen en organisaties in de VS bleken nauwgezet in hun doen en laten te worden gevolgd door ADL. Bij huiszoekingen werd in dit verband een aanzienlijke hoeveelheid informatie aangetroffen, die ADL vaak verkreeg met behulp van infiltranten. Zo infiltreerde de ADL agent Roy Bullock bij het 'American Arab Anti-Discrimination Committee' (ADC). De informatie die hij leverde werd niet ergens onder in een kast gelegd. Minstens één Amerikaan met een Arabische achtergrond werd in Israël gearresteerd, op basis van informatie die uit de ADL archieven afkomstig was (22).
Dezelfde Bullock onderhield ook goede contacten met Amerikaanse overheidsinstanties, zoals de FBI. Door daar vertrouwelijke informatie aan te leveren, kon ADL in ruil beschikken over vertrouwelijke informatie uit Amerikaanse overheidsarchieven (23). Arabieren in de VS, zoals van ADC, namen het niet dat ADL op een illegale wijze gegevens over hen vergaarde, om die vervolgens door te geven aan de Israëlische regering. Zij begonnen dan ook een proces tegen deze 'liefdadigheidsinstelling'. In 1996 kwam het in dit proces tot een schikking. Volgens de overeenkomst die ADL toen met de ADC sloot, werd bepaald dat dossiers met vertrouwelijke informatie, vernietigd moesten worden. Ook diende voortaan afgezien te worden van illegale methoden bij het vergaren van informatie en werd ADL gedwongen om 25.000 dollar te storten in een fonds voor de verbetering van de contacten tussen Arabische Amerikanen, Afro-Amerikanen, joden en andere minderheidsgroepen (24). Niet echt een compliment voor een organisatie die het bestrijden van discriminatie als één van haar belangrijkste doelstellingen noemt.
De Ku Klux Klan
Al weer bijna drie jaar geleden schreef ik in het destijds in Ravage gepubliceerde "Kanttekeningen bij herdenking" dat er in de VS contacten bestaan tussen ADL/B'nai B'rith en de extreem rechtse, racistische Ku Klux Klan (25). Omdat deze kwestie feitelijk buiten het eigenlijke onderwerp viel van dat artikel, ben ik hier destijds helaas niet te diep op ingegaan. Op de redenen waarom daar thans alle reden toe is zal ik in het volgende nummer van Kleintje Muurkrant terug komen. Vooralsnog zal ik hier een overzicht geven van de informatie die destijds tot de gewraakte passage heeft geleid.
De betreffende opmerking over ADL/B'nai B'rith, was gebaseerd op het artikel "ADL creates Ku Klux Klan and Nazi Chaos in Germany" van Scott Thompson (26). Volgens Thompson duiken agenten van ADL's Fact Finding Unit op in de KKK, om daar te infiltreren en te provoceren. Hij brengt in dit verband verschillende voorbeelden naar voren. Om te beginnen heeft hij het over de ADL infiltrant/provocateur James R. Rosenberg. Deze Rosenberg werd volgens Thompson in de jaren zeventig in dienst genomen door, de onlangs overleden Irwin Sual, die destijds de leiding in handen had over het hoofdkwartier van de 'Fact Finding Unit' van ADL in New York. Rosenberg probeerde volgens de lezing van Thompson om de KKK afdeling, waarin hij was geïnfiltreerd, aan te zetten tot een bomaanslag op een vestiging van de 'National Association for the Advancement of Colored People', een belangenorganisatie van Afro-Amerikanen. Thompson noemt een vrouwelijk lid van de 'Jewish Defence League' (JDL), die hij als "Ricky" omschrijft. Zij kende Rosenberg uit een kibbutz in Israël. Daar zou hij eind jaren zeventig opgeschept hebben over zijn infiltratiewerk binnen de KKK namens ADL. Volgens "Ricky" sprak Rosenberg er regelmatig over om naar Zuid-Afrika te gaan: "To kill blacks". Of hij inderdaad ooit naar Zuid-Afrika is vertrokken schrijft Thompson niet. Wel weet hij dat Rosenberg later weer terug naar de VS kwam en dat deze in 1979 optrad in een televisieprogramma dat werd uitgezonden in de stad Minneapolis. Rosenberg bleek toen lid te zijn van de racistische 'Christian Defence League'. Het is onduidelijk of hij ook toen nog voor ADL werkte, of dat hij zich ondertussen zo sterk tot een racist had ontwikkeld dat er geen sprake meer was van infiltratie.
Mordechai Levy
Een andere door Scott Thompson genoemde ADL/B'nai B'rith infiltrant en provocateur was Mordechai Levy. Deze zou niet alleen als infiltrant voor de 'Fact Finding Unit' van ADL zijn opgetreden, maar ook voor de FBI. Dat kan heel goed, want met hiermee werkt de ADL al jaren samen; dat bleek eerder al uit de contacten met de FBI van ADL-infiltrant Roy Bullock. Maar de warme contacten tussen ADL en de FBI blijken ook uit een artikel in het tijdschrift van ADL, "ADL on the Frontline".
Volgens Thompson, vroeg de ADL/FBI infiltrant Mordechai Levy op 16 februari 1979 toestemming aan voor een KKK demonstratie in Philadelphia. Daarbij gebruikte Levy de naam Gutman. Hij wilde op deze manier een confrontatie provoceren tussen extreem rechts en de 'Jewish Defence League' (JDL), een organisatie waarbij hij eveneens betrokken was. Mogelijk is het de bedoeling van ADL geweest om langs de weg van infiltratie en provocaties de angst voor de KKK aan te wakkeren. Gezien het openlijke racisme van de laatstgenoemde organisatie en de gruweldaden die van hieruit worden begaan tegen de zwarte bevolking, lijkt er echter nauwelijks enige reden toe te zijn om dit nog eens te accentueren aan de hand van provocaties (27). De wereld weet toch wel hoe Afro-Amerikanen door de KKK worden beschouwd, daar hoeven niet nog eens extra aanslagen voor uitgelokt te worden. Het heeft er daarmee alle schijn van dat betrokkenen van ADL/B'nai B'rith ook nog andere zaken wil bewerkstelligen, dan alleen het in diskrediet brengen van organisaties waarvan iedereen al weet dat ze verwerpelijk zijn.
Zo kan het feit dat het vooral de zwarte gemeenschap is die de KKK als doelwit heeft, niet los worden gezien van de vrees die er binnen ADL/B'nai B'rith leeft voor het antisemitisme van Black Moslim bewegingen, zoals de 'Nation of Islam' van Louis Farrakhan. Het antisemitisme van deze beweging kan zeker niet ontkend worden, maar voor ADL/B'nai B'rith heeft dit tevens tot een wantrouwen geleid ten aanzien van delen van de zwarte gemeenschap in de VS, die niets met Farrakhan te maken willen hebben. De door Thompson beschreven infiltratie door ADL van extreem rechtse organisaties, die aanslagen plegen op zwarte doelen, dient in het zojuist beschreven verband te worden gezien. De dossiers bij ADL over organisaties van Afro-Amerikanen (die zeker niet allemaal antisemitische kunnen worden genoemd) wijst in deze richting. Overigens werd de populaire zwarte leider Martin Luther King bespioneerd door agenten van ADL. Dat wil zeggen: tot deze vredelievende dominee onder nooit geheel opgehelderde omstandigheden werd vermoord (28). Dat in theorieën over deze moord (die tevens door de familie King worden aangehangen) de FBI vaak ter sprake is gekomen, geeft nogal te denken over de samenwerking die deze federale politieorganisatie met ADL kent.
Adolph Botnick
Het derde en laatste voorbeeld dat Thompson noemt, in verband met ADL infiltranten en provocateurs binnen extreem rechts, werd gedeeltelijk door hem overgenomen uit de 'Los Angeles Times'. Volgens deze Amerikaanse krant liepen twee leden van de KKK op 30 juni 1968 in een val die door de FBI was opgezet. Maar volgens Thompson was ook ADL nauw bij deze operatie betrokken.
De twee leden van de KKK waar de FBI het op voorzien had, waren door hun leiders naar het huis van ADL medewerker Meyer Davidson gestuurd, om daar een bomaanslag te plegen. Eenmaal op die locatie aangekomen werd het tweetal echter door de FBI verrast. Volgens Thompson ontvingen de KKK-leiders die opdracht hadden gegeven om een aanslag op Davidson te plegen, Alton Wayne Roberts en diens broer Raymond, hiertoe betalingen van Adolph Botnick, die verbonden was aan ADL-afdeling in New Orleans. Botnick was een rabiate anticommunist en voelde zich daardoor waarschijnlijk goed thuis bij de ADL. Dat deze organisatie eveneens als uiterst anti-links kan worden gekenmerkt blijkt alleen al uit de informatie die in ADL al in 1947 aan de Amerikaanse overheid leverde, die gebruikt werd voor de vervolging van Amerikanen die zo dom waren geweest om communistische sympathieën te ontwikkelen aan het begin van de Koude Oorlog (29).
Wat Scott Thompson niet over Botnick vermeld is dat diens naam in andere publicaties genoemd wordt als een relatie van Guy Bannister. Deze privé-detective had begin jaren zestig in New Orleans de leiding over de 'Anti Communist League of the Carribean'. Dat is een interessante connectie, want tot de leden van dit uiterst rechtse gezelschap behoorde tevens dictator Annastasio Somoza van Nicaragua. Met dit indertijd extreem-rechts geregeerde land onderhield ook het door ADL zo bejubelde Israël uitstekende contacten. Degenen die de film "JFK" van Oliver Stone hebben gezien weten overigens dat de naam Guy Bannister daar ook nog op een hele andere manier naar voren komt, maar goed dat is een ander verhaal.
In het volgende en tegelijk laatste deel van "Kanttekeningen deel II" zal ik ingaan op de redenen waarom ik deze serie artikelen heb geschreven. Daarnaast zal ik stil staan bij de bronnen die ik daarbij heb gehanteerd.
noten:
1. Ik ben me er van bewust dat ik met de weergave van dit netwerk nogal ongenuanceerd te werk ben gegaan. Zo kwamen er naast Angelsaksisch, nationaal-socialistische en zionistische georiënteerde ook andere groepen in voor. Aan de andere kant waren er in de 'Koude Oorlog' tal van andere anticommunistische initiatieven voor, die niet tot extreem rechts konden worden gerekend.
2. "Deep Politics and the Death of JFK", hoofdstuk 6, Peter Dale Scott. University of California Press, Berkeley, 1993.
3. "Ridders van nu", hoofdstuk 9, André van Bosbeke. Uitgeverij Epo, Berchem, 1987. (Zie voor de WACL verder het artikel "Brusselse Truffels" van Jan Portein in Kleintje 328)
4. Inleiding door Gore Vidal van "Jewish History, Jewish Religion, the Weight of Three Thousand Years", Israël Shahak. Pluto Press, Londen, 1994. (zie verder Kleintje 324 en voetnoot 8 van "Kanttekeningen deel II (b)" in Kleintje 326)
5. "The Christian Right, Zionism and the Coming of the Penteholocaust", Gregory Krupey, verschenen in "Apocalyps Culture" (een compilatie van essays samengesteld door Adam Parfrey), Feral House, 1987.
6. idem & "The Fatefull Triangle", Noam Chomsky hoofdstuk 2, South End Press, Boston, 1983.
7. "The Christian Right, Zionism and the Coming of the Penteholocaust", Gregory Krupey.
8. "The Fatefull Triangle" Noam Chomsky hoofdstuk 2.
9. "Thoth" (Tijdschrift van Nederlandse Vrijmetselaars), juli 1964.
10. "Levend Joods Geloof", nummer 9, zomer 1994.
11. Zie in dit verband het commentaar bij voetnoot 14 van "Kanttekeningen deel II(b)" in Kleintje 327).
12. "Covert Action Quarterly", nummer 45, pagina 31, zomer 1993.
13. idem pagina 36
14. De mysterieuze Friese antifascist 'Pyt' schreef verleden jaar in de Amsterdamse Grachtenkrant: "Een andere medestander van Peter Edel is de uiterst reactionaire voormalige televisie-dominee Pat Robertson". Tja, ... ik zou wel eens een goed gesprek met die jongen willen hebben. Laat dit een uitnodiging zijn.
15. "Covert Action Quarterly", nummer 45, pagina 29, zoemr 1993.
16. idem pagina 28.
17. idem pagina 31 (Hier blijkt tevens dat de leverantie van informatie aan Israël door ADL bevestigd is door ADL-advocate Barbara Wahl).
18. idem pagina 30 en 31.
19. idem pagina 28.
20. idem pagina 37.
21. idem pagina 36.
22. idem pagina 29.
23. idem pagina 30.
24. "ADL on the Frontline", september-oktober 1996 (Tijdschrift van ADL).
25. "Ravage", 3 mei 1996.
26. "Executive Intelligence Review", 8 januari 1993 (in het volgende Kleintje zal ik specifiek terug komen op de achtergronden van dit tijdschrift behorende tot het Lyndon LaRouche-pers-conglomeraat, want die zijn zeker niet boven iedere twijfel verheven).
27. Het is in dit verband van belang aan te geven dat infiltratieprojecten als vervelende eigenschap hebben dat zij vaak uit de hand lopen omdat infiltranten er dubbele belangen op na houden. Wat er allemaal naar boven is gekomen tijdens de Parlementaire Enquête over het IRT is daar een uitstekend voorbeeld van.
28. "Covert Action Quarterly", nummer 45, pagina 36, zomer 1993.
29. idem.111
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 330, 5 maart 1999