Bezwaren tegen de kanttekeningen van Peter Edel
In de laatste paar nummers van Kleintje Muurkrant schrijft Peter Edel een reeks artikelen die een reactie zijn op de commotie die in 1996 ontstond nadat Ravage zijn artikel 'Kanttekeningen bij Herdenking' plaatste in nummer 209, 3 mei 1996. Het is Edels bedoeling met deze reeks artikelen de inhoud van zijn 'Kanttekeningen' te verduidelijken. De redactie van Kleintje Muurkant vindt het van groot belang dat er een inhoudelijke discussie over Edels stellingen gevoerd wordt en in de hoop dat die discussie zal losbarsten, plaatst ze zijn stukken. Ik als lid van de redactie sta daar achter. Daarnaast staat, dat ook ik mij enorm heb opgewonden over Edels 'Kanttekeningen'. Waarom heb ik dan niet eerder gereageerd? Deels uit luie hoop dat iemand anders inhoudelijk zou reageren, deels uit onvermogen om erachter te komen wat me nou precies dwars zit bij zijn artikel. Ervaring leert echter dat wat onder de oppervlakte zit pas naar boven komt als je daadwerkelijk gaat schrijven, en Edels vervolgreeks artikelen nemen mijn bezwaren niet weg. Terug naar zijn 'Kanttekeningen' dus.
De kern van mijn bezwaar tegen het artikel van Peter Edel in Ravage betreft zijn manier van redeneren over de positie van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog en de formuleringen die hij gebruikt. Wanneer Edel een standpunt inneemt, zwermt hij met zijn argumenten in grote omtrekkende bewegingen om dat standpunt heen, waardoor ik als lezer al snel de weg kwijtraak. Binnen de kortste keren is niet meer duidelijk welk argument bij welk standpunt hoort. Iemand die zo redeneert wordt doorgaans met een schouderophalen als warhoofd bestempeld, maar in dit geval kun je zijn artikel daarmee niet afdoen, omdat zijn standpunten over de vervolging van joden tijdens het fascisme wat mij betreft behoorlijk omstreden zijn. Niet vanwege antisemitisme, want dat lees ik er niet in, maar vanwege de beperkte context waarin Edel die vervolgingen plaatst. Die context is beperkt, niet alleen qua tijd: hij heeft het voornamelijk over de Tweede Wereldoorlog, maar ook omdat hij de maatschappelijke oorzaken die de voorwaarden schiepen waaronder de vervolgingen mogelijk werden, totaal buiten beschouwing laat. Edels verweer hiertegen zal zijn dat hij zich geconcentreerd heeft op een beperkt aspect van de vervolgingen, dat in de gevestigde geschiedschrijving onder de tafel blijft, namelijk de verantwoordelijkheid die een gedeelte van de joodse elite mede voor de vervolgingen droeg. Of dit aspect inderdaad onder de tafel blijft, is twijfelachtig. De functie die de Joodse Raad had bij de deportaties is in ieder geval veel vaker bekritiseerd. Echter als je alleen over dit marginale aspect - want dat is het toch als je het beschouwt tegen de achtergrond van eeuwenlang geïnstitutionaliseerd en geïnternaliseerd antisemitisme, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog tot een gruwelijk dieptepunt kwam - een ellenlang artikel schrijft, zonder in te gaan op het institutionele karakter van antisemitisme, zonder het verloop van het proces te schetsen waarbij joden steeds verder maatschappelijk geïsoleerd werden door het niet-joodse deel van de bevolking, dan trek je de verantwoordelijkheid die een deel van de joodse elite droeg voor de vervolgingen tijdens het fascisme, wel erg ver buiten proporties. Die buitenproportionele verhóuding is er de oorzaak van dat Edel zich de beschuldiging een antisemiet te zijn op de hals haalt, en niet het feit dat hij een kritisch licht werpt op een deel van de joodse elite.
Dan de formuleringen en redeneertrant van Peter Edel. Hij schrijft in zijn 'Kanttekeningen bij de herdenking': "De nazi's worden tegenwoordig afgeschilderd als een groep gewetenloze misdadigers die er hun hand niet voor omdraaiden om miljoenen mensen om zeep te helpen. Dat laatste kan natuurlijk op geen enkele manier ontkend worden, maar tegelijkertijd wordt daarbij geen enkel licht geworpen op hoe de nazi's tot hun daden kwamen. De officiële geschiedschrijving geeft er de voorkeur aan gebeurtenissen zoals de jodenmoord te verklaren op een politieke en dus rationele manier. Maar hoe is het mogelijk de irrationele moord op zes miljoen joden op een rationele manier te begrijpen?", en hij vervolgt met een beschrijving van het occulte gehalte van de nazi-ideologie. Ik vraag me af wat het perspectief is van pogingen om de holocaust op een irrationele, niet-politieke manier te begrijpen. Dat perspectief is in 'Kanttekeningen bij de herdenking' in ieder geval erg troebel en kan gemakkelijk leiden tot gevaarlijke gedachtegangen. Edel balanceert zelf op het randje in de volgende passage: "De nazi's zagen hoe de joden zich zonder noemenswaardige vorm van protest naar de concentratiekampen lieten voeren. Dat gedrag droeg voor hen zelfs bij aan het occulte aspect dat zij zelf in de holocaust meenden te herkennen." Hier is het nog duidelijk dat het doel van Edel met deze zin is, de waanzin van de nazi's te beschrijven, maar in de meteen daaropvolgende zin slaat hij volledig door: "Men gedroeg zich aan beide zijden op een irrationele wijze die de indruk gaf dat een ieder ervan overtuigd was dat er gebeurde wat er moest gebeuren." Hoezo, aan beide zijden? Wie kreeg er nou eigenlijk de indruk dat er gebeuren moest wat er gebeurde? De joden ook? Is dat wat Edel suggereert? Het zijn dit soort diffuse zinnen die mijn ergernis wekken. Zijn het in eerste instantie nog de nazi's die het gedrag van de joden irrationeel interpreteerden, in deze zin is het Peter Edel die stelt dat het gedrag van de joden irrationeel wás. En daarmee wekt hij sterk de suggestie dat z