Russische spionage
Nu de Sovjet-Unie definitief op de mestvaalt van de geschiedenis terecht is gekomen komt een stroom van publikaties op de markt die het verleden alsnog verklaren, analyseren, van anekdotes voorzien, of de vuile was buiten hangen. In al deze kategorieën is het boek van Oleg Kalugin, voormalig hoofd van de Sovjet-kontraspionagedienst van de KGB, onder te brengen.
Een anekdote uit Kalugin's boek: in 1979 ontving de KGB een rapport van een agent van een buitenlandse inlichtingendienst waarin gemeld werd dat de vrouw van een hoge Sovjetdiplomaat een bizarre seksuele relatie zou hebben met haar hond, waardoor zij en haar man gechanteerd zouden kunnen worden om (geheime) informatie te verstrekken. Het gevoelige rapport kwam helemaal in de top van de KGB terecht. In een vergadering van KGB-hoofd (later president van de Sovjet-Unie) Andropov met zijn stafchef (en later KGB-hoofd en een der leiders van de staatsgreep in augustus 1991) Krjutsjkov en hoofd buitenlandse kontraspionage Kalugin, gaf Andropov het bevel dat de hond gedood moest worden ter verdediging van het socialisme.
Voor Kalugin was het een lange weg van de KGB-school uit 1952 tot het meebeslissen in de top van de KGB over ingrijpende opdrachten als het doden van een hond in 1979. In 1957 ging Kalugin voor zijn eerste spionage-opdracht naar de Verenigde Staten, met als dekmantel een studie journalistiek in het kader van een uitwisselingsprojekt. Vanaf dat moment begon voor hem een flitsende karrière, die in 1974 haar hoogtepunt bereikte toen Kalugin tot jongste KGB-generaal in de geschiedenis werd benoemd.
Maar 1979 was niet alleen het jaar waarin de moord op een hond werd bevolen, datzelfde jaar was ook het begin van het einde van Kalugin's KGB-karrière. Ten gevolge van konflikten tussen de rijzende ster (hij werd genoemd als nieuw KGB-hoofd) en de onbuigzame regeringsburokraten, werd Kalugin op een zijspoor gezet tot hij in 1990 op 55-jarige leeftijd met vervroegd pensioen ging. Op dat moment begint Kalugin's tweede karrière: die van Russisch demokraat. Hij is van september 1990 tot december 1991 (het einde van de Sovjet-Unie) parlementslid in het Kongres van Volksafgevaardigden en helpt mee het Witte Huis te verdedigen tijdens de staatsgreep van augustus 1991.
Men zou verwachten dat in Kalugin's boek, dat de titel Spymaster heeft meegekregen, een verklaring zou staan waaruit duidelijk wordt hoe iemand van KGB-topagent, met alle geheimen en intriges vandien, kan veranderen in een kampioen van de demokratie, maar dat gebeurt niet. Kalugin schrijft nauwelijks over zijn innerlijke belevingswereld en het boek lijkt dan ook bedoeld om de man Kalugin op een voetstuk te zetten, zonder al teveel te verklaren. Kalugin verklaart dat hij spion werd vanuit een diepgeworteld geloof in de humane waarden van het kommunisme, en dat hij zich om dezelfde reden keerde tegen het korrupte Sovjetsysteem. Verder wordt in het boek, dat veel informatie bevat en een heleboel anekdotes, te weinig verklaard en worden pijnlijke situaties angstvallig vermeden of niet voldoende belicht. Zo besteedt Kalugin weinig regels aan zijn bevoorrechte positie als topman van de KGB en het luxe, geprivilegieerde leven dat hij vanuit die positie leidde. Terwijl het grootste deel van de Sovjetbevolking leefde op een bestaansminimum zijn er voor Kalugin buitenlandse reizen, mooie flats, speciale winkels en al die andere 'voorrechten' die voor een topdeelnemer aan het systeem het leven veraangenamen. Kalugin klaagt voortdurend over gebeurtenissen als de coup tegen Chroestjov, de Sovjetinvasie in Tsjechoslowakije, en hij zegt dan dat deze gebeurtenissen zijn rebellie aanwakkerden, maar feit blijft dat hij tot zijn pensioen in de KGB blijft. Op zulke momenten begeeft Kalugin zich op glad ijs, zeker wanneer hij in zijn boek mensen gaat veroordelen die hun land verraden voor financieel gewin.
Hij tracht ook verschil aan te brengen tussen het werk van de KGB in het buitenland en dat van de KGB in de Sovjet-Unie. Terwijl Kalugin en zijn kollega's betrokken waren bij 'een zenuwenoorlog' tegen de 'sluwe' CIA, was de KGB in de Sovjet-Unie bezig met 'het kwellen van de eigen bevolking'. Maar de parallel tussen beide KGB-takken wordt herhaaldelijk duidelijk: in naam van de glorieuze ideologiese strijd doen Kalugin en zijn kollega's letterlijk alles: van prostitutie tot handel in gestolen goederen, van aanzetten tot racisties geweld tot het ontwijden van joodse begraafplaatsen. Alles wat Kalugin over de KGB kan vertellen is dat, ondanks de enorme bedragen die ermee gemoeid waren en ondanks het enorme personeelsbestand, het een uiterst ineffektieve onderneming was. Bijna iedere spion die door de KGB werd 'gerekruteerd', inklusief John Walker -de voornaamste Amerikaanse overloper waar Kalugin mee werkte-, kwam zich vrijwillig aanmelden. Soms uit ideologiese, maar vaker uit financiële motieven. In een door Kalugin beschreven geval gooide een Amerikaan, die zich als overloper bij de Sovjetambassade meldde, maar daar als CIA-agent werd gezien, een zak waardevolle dokumenten over de ambassademuur. De dienstdoende KGB-officier dacht dat er een bom gegooid werd en belde de politie van Washington. Die vond de zak dokumenten en arresteerde de overloper.
Soms werd er wel effektief gewerkt, maar dat bleek toeval. Neem het genoemde geval van de hond. Na konsultatie van 'techniese specialisten' werd aan een KGB-er een dosis gif gegeven die voldoende zou zijn om de hond te doden. De 'experts' hadden evenwel de dosis fout berekend. De hond werd niet gedood, maar het achterlijf raakte verlamd. Ook daarmee was een eind gekomen aan de seksuele relatie met zijn bazin.
'Spymaster. My 32 years in intelligence and espionage against the west', door Oleg Kalugin. Uitgave Smith Gryphon. Prijs