Skip to main content
  • Archivaris
  • 331

Nabeschouwing en bronverantwoording

Kanttekeningen deel II(f)

In de afgelopen vijf maanden beschreef Peter Edel de geschiedenis van contacten tussen militante zionisten en antisemitische kringen. In dit laatste deel noemt hij de omstandigheden en bronnen die hem hiertoe hebben geïnspireerd.

door Peter Edel

In het vorige Kleintje besloot ik met de door Scott Thompson beschreven relatie tussen de 'Anti Defamation League of B'nai B'rith' en de Ku Klux Klan. Regelmatige lezers van mijn artikelen weten dat ik beiden eerder met elkaar in verband heb gebracht; in 1996 in een passage in het artikel "Kanttekeningen bij herdenking", in het blad 'Ravage'.
In Kleintje nummer 326 beschreef ik hoe vertegenwoordigers van de Nederlandse B'nai B'rith loges, in verband met deze passage, een strafklacht tegen mij hebben ingediend, hetgeen voor het openbaar ministerie de aanleiding vormde om mij strafrechtelijk te vervolgen. Nadat de politierechter mijn zaak in januari '98 had doorverwezen naar de meervoudige strafkamer, kreeg ik rond augustus '98 het gevoel dat het niet lang meer kon duren. Ik kwam daarop met de redactie van het Kleintje overeen om sommige aspecten uit "Kanttekeningen deel I" nader te belichten in een nieuwe serie artikelen. Daarbij wilde ik vooral laten zien dat het in 1996 door mij genoemde verband tussen ADL/B'nai B'rith en de KKK niet op zichzelf staat, maar aansluit bij een lange traditie van contacten tussen militante zionisten en antisemieten. "Kanttekeningen deel II" moet dus niet begrepen worden als een volledige argumentatie van het artikel dat drie jaar geleden in Ravage verscheen. Evenmin betreft het een afgerond overzicht van het zionisme. Er zijn over dit onderwerpen dikke stapels boeken verschenen, waar ik in veel opzichten niets aan toe te voegen heb. Uit het grootste deel van die informatie blijkt echter keer op keer dat de verbindtenissen die zionisten zijn aangegaan met antisemitische kringen, onderbelicht blijven of in het geheel niet genoemd worden. Het is vooral op dit punt waar ik voor meer duidelijkheid heb willen zorgen.
Ik hoop dat er langs deze weg een discussie kan ontstaan, die verder zou gaat dan het gescheld en gevloek dat ik drie jaar geleden over me heen kreeg. Dat mijn eigen onzorgvuldige aanpak destijds debet was aan die reacties, zal ik zeker niet ontkennen. Maar dat neemt niet weg dat ik het moddergooien van destijds nog altijd ten zeerste betreur. Daarvoor vind ik de onderwerpen die ik heb aangesneden te belangrijk. Om die reden heb ik in "Kanttekeningen deel II" alles gedaan om mijn beweringen zo goed mogelijk te onderbouwen en te documenteren.

Het proces
Een paar weken voordat "Kanttekeningen deel II(a)" verscheen ontving ik een dagvaarding om op 4 november 1998 voor de meervoudige strafkamer te verschijnen. Na een zitting van vier uur en vervolgens een termijn van twee weken waarin hij zich in mijn zaak kon verdiepen, maakte rechter Mr. J.A.C. Bartels bekend dat het openbaar ministerie door hem niet ontvankelijk was verklaard in deze. Tot dat vonnis kwam hij omdat de personen die een strafklacht tegen mij hadden ingediend, niet bedoeld werden in mijn artikel.
De rechter volgde daarmee mijn verdediging. Daarin maakte ik duidelijk dat de bewuste passage specifiek betrekking had op de Amerikaanse situatie en absoluut niet op de Nederlandse. Ik toonde dat aan met het feit dat in Nederland helemaal geen "Anti Defamation League" bestaat en dat hetzelfde voor de KKK geldt. Voor dit argument kon de rechter begrip opbrengen. Wel vond hij dat wat ik over ADL/B'nai B'rith had geschreven in Ravage, beledigend was voor de Amerikaanse loges van deze broederschap. Maar aangezien zij geen aangifte hadden gedaan kon ik daarvoor niet veroordeeld worden.
Twee weken later tekende officier van justitie Mr. Velleman hoger beroep aan. CIDI directeur Naftaniël liet via een artikel in Het Parool weten dat hij de officier daartoe had opgeroepen. Hij maakte verder bekend dat hij de Amerikaanse B'nai B'rith loges zou verzoeken om in Nederland een klacht tegen mij in te dienen. Als dat werkelijk gebeurt komt in ieder geval vast te staan dat dit hele proces niet uitsluitend een initiatief is van B'nai B'rith Nederland. Maar in dat geval zal de rechter zich er waarschijnlijk over verwonderen dat de betrokkenen van deze broederschap in de VS nooit een proces begonnen zijn tegen de Amerikaanse schrijver van het artikel dat ik als mijn bron heb genoemd. Want voor zover ik begrepen heb is dat nooit gebeurd. En hetzelfde geldt ten aanzien van het tijdschrift 'Executive Intelligence Review' waarin dit artikel is verschenen.

De rechter schreef in zijn vonnis: "De beschuldiging die vervat is in de tenlastegelegde passage is in het artikel en ook achteraf op geen enkele wijze onderbouwd, en is derhalve onterecht en beledigend voor de Amerikaanse organisatie B'nai B'rith". Dat ik het niet kon maken om een dergelijke bewering over ADL/B'nai B'rith te doen zonder dit afdoende te onderbouwen, was iets dat ik ondertussen ook was gaan inzien (1).
Maar daarnaast is me dat "en ook achteraf" in de afgelopen maanden blijven fascineren. Toen bekend werd dat dhr. Naftaniël en de zijnen aangifte hadden gedaan, had ik niets liever gedaan dan de passage over ADL/B'nai B'rith nader uiteen te zetten. Maar ik hoefde daar bij de redactie van Ravage niet mee aan te komen. Men oordeelde daar dat verdere publikaties alleen maar meer tot meer problemen konden leiden, en daar leek op dat moment wel wat voor te zeggen.
Toen ik voor het Kleintje begon te schrijven, wilde ik om dezelfde reden ook niet direct over ADL/B'nai B'rith en aanverwante zaken beginnen. Ik dacht dat het verstandiger was om, aan de hand van een aantal artikelen over andere onderwerpen, langzaam naar het punt te groeien waarop ik dat wel kon doen. Uiteindelijk kwam dat moment aan het einde van de zomer samen te vallen met mijn gevoel dat het proces niet lang meer kon duren.
Qua planning heb ik wat dit betreft een verkeerde inschatting gemaakt. Het vonnis in aanmerking genomen, had ik er beter aan gedaan om veel eerder uitgebreid op ADL/B'nai B'rith terug te komen. Nu is mij immers door de rechter kwalijk genomen dat ik dit niet gedaan heb. Ik ben weliswaar niet door hem veroordeeld, maar toch. Omdat ik een soortgelijke situatie bij het hoger beroep wil voorkomen, heb ik veel van wat ik in de afgelopen twee jaar over ADL/B'nai B'rith heb gevonden, opgenomen in "Kanttekeningen deel II(e)".

Nederland en het zionisme
De informatie die tot "Kanttekeningen deel II" heeft geleid is hoofdzakelijk afkomstig uit buitenlandse publikaties. Ik heb geprobeerd om deze informatie na te trekken in Nederlandse bronnen, maar ben daar niet of nauwelijks in geslaagd. Zo valt bij voorbeeld in Nederlandse bronnen niets terug te vinden over het in "Kanttekeningen deel II(b)" beschreven 'Ha'avara Abkommen'; terwijl ik wel informatie over dit onderwerp heb gevonden in Israëlische en Duitse bronnen (2).
De historicus dhr. G. Aalders, van het Rijks Instituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD), heeft mij te kennen gegeven dat hij eerder nog nooit iets over het Ha'avara Abkommen had gehoord. En dat terwijl hij zich in verband met zijn publikaties toch uitgebreid verdiept heeft in IG Farben, de Duitse multinational die, zoals uit "Kanttekeningen deel II(b)" bleek, gedurende de jaren dertig volgens het Ha'avara Abkommen produkten leverde aan joodse kolonisten in Palestina.
Op de vraag hoe het komt dat over sommige historische aspecten van het zionisme vooralsnog zo weinig bekend is in Nederland, is het niet erg moeilijk een antwoord te vinden. In de eerste plaats geldt in dit verband de bijzondere relatie tussen Nederland en Israël. Daarbij speelt niet alleen het buitengewoon zware lot van joodse Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog een rol, maar ook het schuldgevoel dat daarvan bij veel Nederlanders het gevolg was (3).
In de naoorlogse periode is de bijzondere relatie tussen de staat Israël en Nederland onder andere tot uiting gekomen in een tolerante opstelling ten opzichte van alles dat met zionisme of Israël te maken heeft (4). Nederland is Israël verschillende malen te hulp geschoten. Dat gebeurde al in de jaren vijftig en zestig toen Nederland begon met het leveren van militair materieel aan Israël. Ten tijde van de Yom Kippoer-oorlog in 1973 waren PvdA Premier Den Uyl en zijn Minister van Buitenlandse zaken van der Stoel terughoudend ten aanzien van steun aan Israël. Toenmalig Minister van Defensie Vredeling nam daarop op eigen gelegenheid het besluit tot leverantie van wapens aan Israël (5).
Ook later heeft Nederland in militair opzicht zijn steentje bijgedragen aan de joodse staat. Zo werd in 1981 vitale informatie door Nederlandse instanties geleverd ten behoeve van de bombardementen, waarmee Israël dat jaar een einde maakte aan de nucleaire ambities van Saddam Hussein.
Al met al geldt Nederland, zeker binnen Europa, als één der belangrijkste pleitbezorgers van de joodse staat. Onder die omstandigheden is het begrijpelijk dat kritische publikaties over het zionisme en Israël, hier zelden met veel enthousiasme worden begroet. Helaas heeft dat tot gevolg dat er in de geschiedschrijving, zoals die in dit land wordt bedreven, tal van zwarte gaten voorkomen. En dat is niet zonder risico's. In eerdere artikelen heb ik er al op gewezen dat historische onvolkomenheden (kunnen) worden misbruikt door holocaust ontkenners en ander extreem rechts tuig.

De bronnen
Wat volgt is een kort overzicht van de belangrijkste bronnen die tot "Kanttekeningen deel II" hebben geleid. De eerste die ik in dit verband wil noemen is de Amerikaanse publicist Lennie Brenner, die vooral voor de eerste delen van deze artikelenreeks als een uiterst belangrijke bron geldt. In "Zionism in the Age of the Dictators" beschrijft Brenner onderwerpen als de raciale beginselen van het zionisme, het Ha'avara Abkommen en de bedenkelijke onderhandelingen die militante zionisten met de nazi's voerden. Zoals de Hongaarse zionistenleider Reszo Kasztner en de niet minder zionistische 'Stern Gang'. In de inleiding van "Zionism in the Age of the Dictators" beschrijft Brenner zichzelf als een "anti-Zionist Jew" en maakt hij een strikt onderscheid tussen zionisten en joodse mensen: "Zionism is not now, nor was it ever, co-extensive with either Judaism or the Jewish people." Tegelijkertijd neemt Brenner hier afstand van ieder mogelijke vorm van antisemitisme: "It is scarcely necessary to add that all attempts to equate Jews and Zionism, and therefore to attack Jews as such, are criminal and are to be sternly repelled. There cannot be even the slightest confusion between the struggle against Zionisme and hostility to either Jews or Judaism." Brenner publiceerde tevens over de "Anti Defamation League of B'nai B'rith", onder de titel "Is ADL grazy as a Foxmann?" (helaas ben ik er niet in geslaagd om mijn hand op deze publicatie te leggen). Lennie Brenner behoort tot een groep publicisten die bijgedragen hebben aan de door Eibie Weizfeld samengestelde publikatie "The End of Zionism and the Liberation of the Jewish People". Weizfeld is oprichter van de 'Jewish People Liberation Organisation' (JPLO), een organisatie van mensen met een joodse achtergrond, die zich inzetten voor de bevrijding van zowel joodse als Palestijnse mensen, van het zionisme. Op een Internetsite schrijft Weizfeld: "We wish to indicate our willingness to work together for the national self-determination of the Palestinian People, to move towards peaceful relations between the Israeli Jewish population within the context of Palestinian independence, and in the struggle against fascism and anti-semitism (both anti-arab and anti-jewish)" (6). In de zojuist genoemde publikatie van Weizfeld staat een bijdrage van de Amerikaanse linguïst en politiek publicist Noam Chomsky, die ik eveneens in dit bronnenoverzicht wil noemen. Hij zal voor een aantal lezers van Kleintje Muurkrant wellicht geen vreemde zijn. Bovendien beschreef ik in het vorige Kleintje al zijn opstelling ten aanzien van Israël en het zionisme. Vermeldenswaard is dat Chomsky in de loop der jaren informatie over de situatie in het Midden Oosten betrokken heeft van de Israëlische mensenrechtenactivist Israel Shahak.
De publikaties van Shahak zijn voor "Kanttekeningen deel II" van groot belang geweest. Vooral zijn beschouwing over de raciale beginselen binnen het klassiek judaïsme (7) en de buitenlandse politiek van Israël (8), zijn zeer waardevol gebleken. Voor Shahak is het duidelijk dat de oorzaken van antisemitisme voor een deel binnen de eigen joodse gelederen gezocht moet worden. In één van zijn boeken schrijft hij: "I strongly believe that antisemitism and Jewish chauvinism can only be fought simultaneously" (9). Shahak overleefde de Tweede Wereldoorlog in het concentratiekamp Bergen Belsen. Daarna kwam hij naar Israël waar hij uiteindelijk professor in de chemie werd aan de universiteit van Jeruzalem. De keuze om zich in Israël te vestigen geeft al aan dat Shahak niet echt een tegenstander van Israël is. Desalniettemin heeft hij zich tegen de militante verschijningsvormen van het zionisme gekeerd en zet hij zich in voor de rechten van de Palestijnse bevolking.
Israël Shahak is representatief voor een grote groep joodse mensen die vinden dat er een Israël mogelijk moet zijn zonder zionisme en zodoende streven naar de vestiging van een seculiere democratie, met gelijke rechten voor alle inwoners. Vanzelfsprekend maakt hij zich hiermee niet geliefd bij de zionistische elite.
Evenals Noam Chomsky wordt ook Shahak door zionistische organisaties in de VS, zoals ADL/B'nai B'rith, dan ook als een regelrechte vijand beschouwd (10).

Executive Intelligence Review
De passage over ADL/B'nai B'rith, zoals in 1996 in Ravage werd gepubliceerd, was zoals ik eerder al heb vermeld, gebaseerd op het artikel "ADL creates Ku Klux Klan and Nazi Chaos in Germany" van Scott Thompson. De persoonlijke achtergronden van de journalist in kwestie doen er hier wat minder toe. Belangrijker is in dit geval wellicht dat dit artikel verscheen in het Amerikaanse 'Executive Intelligence Review' (EIR) een tijdschrift dat voor menigeen zeker niet boven iedere twijfel is verheven. En dan druk ik me nog mild uit. EIR is nauw verbonden aan de sterk anti Brits georiënteerde Amerikaanse econoom en politicus Lyndon LaRouche, die door tegenstanders, zoals ADL/B'nai B'rith, vaak in verband wordt gebracht met zowel rechts-extremisme, als met antisemitisme. Los van dergelijke aantijgingen aan het adres van LaRouche, wijst echter nauwelijks iets in die richting. Uit de verschillende publikaties van de LaRouche organisaties blijkt in ieder geval nergens sprake te zijn van antisemitisme. Wel van kritiek op Israël en zionistisch georiënteerde joodse organisaties. Maar het zal voor degenen die mijn artikelen hebben gevolgd zo langzamerhand duidelijk zijn, dat een dergelijke opstelling niet verward mag worden met antisemitisme. Tegenover de kritische houding van EIR ten aanzien van Israël en het zionisme, staat dat door dit tijdschrift herhaaldelijk op is gekomen voor joodse mensen in het algemeen en slachtoffers van (nationaal socialistisch) antisemitisme in het bijzonder.
Als er iets is waar LaRouche en zijn volgelingen het op voorzien hebben, dan is het wel het Britse establishment, inclusief de Britse koninklijke familie, de Britse geheime diensten, de banken en andere ondernemingen uit de Londense City. LaRouche spreekt met grote regelmaat over het (door hem veronderstelde) streven van het Britse establishment naar een totale wereldhegemonie. Dat laatste is iets waar hij en zijn aanhang werkelijk al het kwaad in de wereld aan toe schrijven. Oorlogen, revoluties, criminaliteit, drugs, economische malaise, noem het maar op, voor LaRouche en de zijnen hebben de Britten het allemaal gedaan.
Of LaRouche het daarmee bij het rechte einde heeft is zeer de vraag, maar daar gaat het hier niet om. Hier is van belang dat LaRouche en zijn organisaties niet de (nergens op gebaseerde) theorie van de 'joodse wereldsamenzwering' aanhangen, zoals dat in de VS wordt gedaan door rechtse samenzweringstheoretici. Bij LaRouche gaat het om de Britten. Als EIR bijvoorbeeld ADL/B'nai B'rith ter sprake wordt brengt, dan gebeurt dat vrijwel altijd in een Britse context. Het zionistische ideaal van dergelijke organisaties wordt door LaRouche zonder meer geïnterpreteerd als een onderdeel van het Britse streven naar wereldhegemonie. Daarbij wijst hij naar de vele Britse elementen in de geschiedenis van het zionisme en Israël, zoals bijvoorbeeld de 'Balfour Declaration' (zie Kleintje nummer 326).
Door de verschillende wendingen die LaRouche heeft doorgemaakt (hij was ooit oprichter van de communistisch/Trotzkistisch georiënteerde 'US Labor Party'), is het vrijwel onmogelijk om te zeggen aan welke kant van het politieke spectrum de aan hem verbonden organisaties zich momenteel bevinden. Desalniettemin wekt EIR in journalistiek opzicht wel degelijk de indruk van betekenis te zijn en in die zin is het zonder meer een belangrijke bron. Vooral dat laatste droeg in 1996 bij tot mijn beslissing om de bewering van EIR journalist Scott Thompson, met betrekking tot relaties tussen ADL/B'nai B'rith en de KKK, in "Kanttekeningen bij herdenking" in Ravage op te nemen. Zoals ik er nu tegenover sta, zou ik dat zeker niet meer als voorbeeld noemen van de dubieuze praktijken die zich binnen de 'Fact Finding Unit' van deze organisatie afspelen. Althans, niet als enige voorbeeld. Dat men bij EIR erg spaarzaam is met het noemen van bronnen is daar één van de voornaamste redenen toe. In een aantal gevallen is het daardoor moeilijk, zo niet onmogelijk, om bronnen te vinden voor de beweringen die in dit tijdschrift gedaan worden.

Covert Action Quarterly
Echter, EIR is zeker niet de enige bron waar kritiek op ADL/B'nai B'rith wordt geuit. Uit mijn artikel in het vorige Kleintje bleek dat ook de Arabisch-Amerikaanse journalist Abdeen Jabara dit heeft gedaan, in het in 'Covert Action Quarterly' gepubliceerde artikel "The Anti Defamation League, Civil Rights and Wrongs". Het tijdschrift Covert Action Quarterly is in tegenstelling tot EIR nooit beschuldigd van extreem rechtse of antisemitische sympathieën. Evenmin blijkt uit dit tijdschrift een specifiek anti-Israëlische opstelling. In plaats daarvan is het een gerespecteerde bron op het gebied van inlichtingendiensten, die binnen linkse kringen vaak gelezen wordt. Daar komt nog bij dat Covert Action Quarterly, in tegenstelling tot EIR, erg zorgvuldig is met het vermelden van bronnen. Begin jaren '90 bleek ook Covert Action Quarterly echter voor te komen op de lijst van organisaties waarover ADL/B'nai B'rith, in ieder geval destijds, informatie verzamelde. Abdeen Jabara wijst in Covert Action Quarterly op contacten tussen vertegenwoordigers van ADL/B'nai B'rith en extreem rechts. De levering van informatie over anti-apartheidsstrijders door ADL agenten aan racistische kringen in Zuid Afrika, zoals door hem beschreven, kan ik in ieder geval niet ander interpreteren dan contacten met extreem rechts. Tel daar de uiterst rechts getinte opmerkingen van ADL 'National Director' Nathan Perlmutter bij op (zie Kleintje nummer 330), en de beweringen in EIR over relaties tussen ADL/B'nai B'rith en de KKK komen opeens aanmerkelijk geloofwaardiger over, dan de tegenstanders van dit tijdschrift verkondigen. Althans, dat was mijn reactie toen ik het artikel van Jabara las.
Maar nogmaals: als ik de klok terug kon draaien zou ik er nooit meer voor kiezen om zijn artikel "ADL creates Ku Klux Klan and Nazi Chaos in Germany" zonder meer als enige bron te noemen, in verband met de twijfelachtige aspecten rond ADL/B'nai B'rith. Daarvoor is voldoende materiaal uit andere richtingen voor handen. Ook publikaties die ADL/B'nai B'rith zelf heeft laten verschijnen, bieden wat dit betreft tal van aanknopingspunten.

El-Al
Bij het proces naar aanleiding van mijn artikel in Ravage draaide vrijwel alles om de passage over de verbanden tussen ADL en de KKK. Maar toen ik in februari 1997 door de politie werd verhoord, naar aanleiding van de aangifte door het CIDI, werd mij daar tevens verweten de Israëlische luchtvaartmaatschappij El-Al te hebben beledigd. Daarbij wezen de heren politieagenten op de passage die in "Kanttekeningen bij herdenking" volgt op de gewraakte opmerking over ADL/B'nai B'rith. Voor alle duidelijkheid herhaal ik die passage hier: "Het spreekt echter vanzelf dat het erg moeilijk is iets in te brengen tegen B'nai B'rith, iedere kritiek wordt immers afgeslagen als antisemitisme. Een label dat men in deze politiek correcte tijden liever kwijt dan rijk is. B'nai B'rith is een voorbeeld van een organisatie die antisemitisme gebruikt als dekmantel voor allerlei criminele activiteiten. Iets dergelijks doet zich ook voor op luchthaven Schiphol. Daar valt de afdeling van de Israëlische luchtvaartmaatschappij El-Al totaal buiten de controle van de Nederlandse regering. El-Al regelt haar eigen beveiliging, waardoor een stukje Israël in de Haarlemmermeer is ontstaan. Wederom is angst voor antisemitisme (in dit geval terroristische aanslagen van Palestijnen e.d.) een dekmantel voor activiteiten die het daglicht niet kunnen verdragen."
De rechercheurs van het politiebureau aan de Amsterdamse Leyenberglaan bleven er op hameren dat deze woorden niet alleen beledigend voor ADL/B'nai B'rith waren, maar ook voor El-Al. Daardoor kreeg ik stellig de indruk dat dit een onderdeel van de aanklacht betrof. Die indruk werd nog eens bevestigd toen ik te kennen gaf dat mijn opmerking over El-Al gebaseerd was op uitlatingen van de voormalige Mossad agent Victor Ostrosvsky. Ik verklaarde dat Ostrovsky tijdens een bezoek aan Nederland had verteld over de praktijken van El-Al en dat mijn artikel wat dit betreft gebaseerd was op berichten over hem in de Nederlandse media. Toen de rechercheurs dat hoorden werd mij tot mijn verbazing te verstaan gegeven dat "dit gedeelte van de aanklacht kwam te vervallen."

De Parlementaire Enquête
Hoewel de eindrapportage van de parlementaire enquête commissie inzake de Bijlmerramp op het moment dat ik dit zit te schrijven nog moet verschijnen, zijn er al een aantal interessante zaken aan het licht gekomen. Zo sluit de aanwezigheid van drie componenten van het dodelijke strijdgas Sarin aan boord van het ramptoestel nauw aan bij andere aanwijzingen dat het 'Iraeli Institute for Biological Research' (IIBR), nabij Ness Ziona, chemische wapens produceert (11). Terwijl de Israëlische autoriteiten het over de veiligheid van de joodse staat hebben, kunnen dit soort wapens onmogelijk als defensief worden beschouwd. Maar de Israëlische machtselite kent dan ook een geheel eigen interpretatie van het begrip veiligheid. Voor dergelijke kringen bestaat het begrip veiligheid mede uit de mogelijkheid om op welk moment dan ook tot massamoord over te kunnen gaan. Want 'veiligheid' geldt voor hen tevens als argument voor het aanleggen van een arsenaal waarmee een vernietigend offensief tegen vijandelijke landen kan worden begonnen. Daarbij dient niet alleen gedacht te worden aan de ontwikkelingen in Ness Ziona, maar ook aan de nucleaire wapens die in Dimona worden geproduceerd.
Naar aanleiding van de ramp in de Bijlmer zijn zaken aan het licht zijn gekomen die men in Israël liever geheim had willen houden. Wat zich bij het IIBR afspeelt, was in Nederland een aantal jaar geleden nog volstrekt onbekend. Maar aangezien veel van de chemicaliën aan boord van El-Al 1862 het IIBR in Ness Ziona als eindbestemming kenden, is hierover inmiddels veel in de Nederlandse media verschenen. Zoveel, dat in Nederland ondertussen meer over IIBR bekend is dan in Israël, waar dit instituut samen met de nucleaire faciliteiten in Dimona, tot de grootste geheimen behoren (12).
Het argument van staatsveiligheid wordt in beide gevallen gebruikt om protesten uit de Israëlische bevolking de mond te snoeren. De Israëlische autoriteiten zijn er namelijk zeker niet van overtuigd dat het grootste deel van de bevolking het toejuicht dat er massavernietigingswapens binnen de grenzen van de joodse staat worden geproduceerd. Daarom zijn besluiten tot dergelijke bewapeningsprojecten altijd buiten het parlement om genomen en worden ze voor de bevolking geheim gehouden. De militaire perscensuur in Israël is om dezelfde reden uiterst strikt op dit punt.
Als de leiders van Israël bereid zijn om de eigen bevolking om de tuin te leiden wat betreft de productie van massavernietigingswapens, dan zou men zich af kunnen vragen hoeveel zij zich aantrekken van de onzekerheid in een Amsterdamse achterstandswijk. Niet veel vrees ik, wanneer volgens hen de 'veiligheid' van Israël in het geding is. Waarschijnlijk moest het daarom meer dan zes jaar duren voordat El-Al enige opening van zaken begon te geven over de lading van El-Al 1862. Dat men dat pas deed op een moment dat de voor Israël uitermate voordelige band met Nederland beschadigd dreigde te raken, is veelzeggend. Eerder haalde El-Al nog eventjes het aloude argument van antisemitisme van stal. Kon de parlementaire enquête commissie gelijk ook eens ervaren wat het betekent om hier ten onrechte van beschuldigd te worden. En, ik spreek uit ervaring, dat is niet aangenaam.
Op 4 november 1998 noemde officier van justitie Mr. Velleman mijn artikel "Kanttekeningen bij herdenking" een "vilein brouwsel". Ik geef eerlijk toe dat ik in 1996 mijn bewering niet of nauwelijks heb onderbouwd. Maar dat neemt niet weg dat ik me ondertussen afvraag of deze gevleugelde uitspraak van Mr. Velleman niet veel beter van toepassing is op de lading van de El-Al Boeing, waarvan ik op de vooravond van 4 oktober 1992 de giftige dampen inademde. Dat gebeurde toen ik mij in de nabijheid van de crashsite bevond, zo'n tien minuten nadat het rampvliegtuig was neergestort. Ik woon daar namelijk in de directe omgeving en was op weg naar huis. Als het vliegtuig iets zuidelijker was neergestort, was "Kanttekeningen bij herdenking" nooit geschreven...

noten:
1. De omstandigheden waaronder dat kon gebeuren heb ik direct na het vonnis beschreven in het artikel "Reactie op de uitspraak over Kanttekeningen bij herdenking", dat sinds november 1998 op de internetsite van het Kleintje te vinden is (www.stelling.nl/kleintje). Verder heb ik hier een indruk gegeven van mijn achtergrond in de beeldende kunst, omdat het niet onderbouwde karakter van het artikel in 'Ravage' hiermee voor een deel wordt verklaard.
2. "Yad Vashem studies deel II", E. Marcus & "Die Jewish Agency und die IG Farben: Das Ha'avara Abkommen und die wirtschafliche Entwicklung Palästinas", Henk Knaupe & Ulrich G.Wurzel, Diskussionspapiere 30, Freie Universität, Berlin.
3. Dergelijke gevoelens komen zeker niet alleen voor onder bevolkingsgroepen die daar op een één of andere wijze reden toe hebben. Zo spelen schuldgevoelens ook binnen linkse kringen een rol in de opstelling tegenover Israël en het zionisme. In "Jewish History, Jewish Religion, The Weight of Three Thousand Years" schreef Israël Shahak hier het volgende over: "Very many non-Jews (including Christian clergy, as well as some marxists from all marxist groups) hold the curious opinion that one way to 'atone' for the persecution of Jews is not to speak out against evil perpetrated by Jews but to participate in 'white lies' about them. The crude accusation of 'antisemitism' (or, in the case of Jews, 'selfhate') against anybody who protest at the discrimination of Palestinians or who points out any fact about the Jewish religion or the Jewish past which conflicts with the 'approved version' comes with greater hostility and force from non-Jewish 'friends of the Jews' than from the Jews."
4. Vooral na 1967 kwam dit ook in de vaderlandse geschiedschrijving tot uiting. Toen Israël dat jaar een wonderbaarlijke overwinning boekte, begon Dr. L. de Jong van het RIOD heel anders over de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog te schrijven.
5. De CIA speelde bij dit besluit een belangrijke rol. Deze Amerikaanse inlichtingendienst drong er indertijd bij de BVD op aan om behulpzaam te zijn bij het verschepen van zoveel mogelijk militair materieel naar Israël.
6. www.bookmasters.com/clarity/60006.htm
7. "Jewish History, Jewish Religion, the Weight of Three Thousand Years", Israël Shahak, London: Pluto Press, 1994.
8. "Open Secrets", Israël Shahak, London: Pluto Press, 1997.
9. "Jewish History, Jewish Religion, the Weight of Three Thousand Years", Israël Shahak.
10. "The Fatefull Triangle", Noam Chomsky hoofdstuk 4 (5.5), Boston: South End Press, 1983.
11. Israël Shahak twijfelt er niet over dat Israël een voorraad chemische en biologische wapens aan het aanleggen is. In een brief die ik van hem ontving schrijft hij het volgende met betrekking tot Ness Ziona: "Let me just say that NOTHING connected with this will surprise me and I think Israël has a stockpile of both chemical and biological weapons."
12. In zijn brief schrijft Israël Shahak: "(...) and on Ness Ziona the censorship is particularly strict." Verder blijkt uit de brief van Shahak dat met name over de gezondheidsproblematiek onder Bijlmerbewoners vrijwel niets in de Hebreeuwse pers verschenen is.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 331, 9 april 1999