Skip to main content

Marjah

zondag 14 februari-2010
Wij blij met zijn allen. Nobama’s bullenbijters in Afbaardistan veroveren Marjah met vier vingers in hun neus. Er is bij wijze van spreken geen Talibanjer te bekennen. Een paar begraven bommetjes hier en daar en wat speelgoed uit de goeie ouwe tijd, toen Captain Caveman nog bij ons in de spits stond. Dat is het wel zo’n beetje. En voor de zoveelste keer zullen we wel weer horen dat met deze heroïsche verovering van Marjah “een gevoelige slag is toegebracht aan de Taliban”. En waarom dan wel? Nou, toeterde het NOS-journaal van gisteravond, de stad speelde een hoofdrol bij de Talibaanse handel in verwarrende middelen. En met de opbrengst daarvan kochten die takkenbaarden hun wapentuig.
Gelul dus. Volgens een rapport van een VN-bureau in Wenen uit oktober 2009 wordt er in Afghanistan momenteel een kleine 3,5 miljard dollar per jaar gebeurd aan de verkoop van opiaatjes en het softere spul. Vier procent daarvan gaat naar de pocket van de Talibandoleros, 21 procent naar de producenten, de rest naar Afghaanse hoge mieters, hoge smurfen, hoge militairen, warlords, luitjes uit de tussenhandel en meer van dat soort bondgenoten. Betekent dat de Tali’s per jaar zo’n 125 meloen dollar uit die handel in de pocket steken. En in Wenen hebben ze uit de lucht geplukt dat dat bedragje zo’n 10 tot 15 procent van het totale budget vertegenwoordigt. De rest komt ergens anders vandaan. Dus al die heisa over dat belangrijke drugscentrum van de Taliban is rijkelijk overdreven. Marjah, we zijn wel wat gewend.