• Laatst gewijzigd: woensdag 22 februari 2017, 14:59.

434

Criminaliteit rond De Kroon


Voorjaar 2005 ontving ik, in verband met de nalatenschap van mijn vader, van de notaris (Caminada Notarissen te Rijswijk) een verzoek een algemene volmacht te ondertekenen waarvan de inhoud ongeveer betekende; “ik vind alles goed”. Dit heb ik dus niet getekend. Enkele weken later sprak ik de notaris telefonisch, die mij, zonder dat ik ernaar vroeg, meedeelde dat mijn vader geen spaargeld had nagelaten. Ik weet echter dat mijn vader wèl spaargeld had en ook dat het een aanzienlijk bedrag moest zijn, mogelijk enkele miljoenen euro’s. Niet alleen mijn erfdeel wordt gestolen, als dit geld verkeerd wordt belegd ben ik eventueel als erfgenaam mede-aansprakelijk. Omdat het wegsluizen van geld moeilijk te bewijzen is, heb ik de nalatenschap beneficiair aanvaard waardoor ik beschermd ben tegen onverwachte crediteuren. Bij beneficiair aanvaarden hoort echter een vereffening zoals in de wet omschreven en de notaris dient “een akte van vereffening/verdeling” op te stellen.
De notarissen weigeren echter zo'n akte op te stellen, zelfs nadat de rechter hier een uitspraak over heeft gedaan. Volgens uitspraak van de rechter wordt ook een vereffenaar benoemd hetgeen onder meer betekent dat rekening en verantwoording moet worden afgelegd. In plaats hiervan heb ik van Caminada inmiddels vijf valse aktes gehad waarbij ook nog gedreigd werd met een volkomen onwettige sanctie: mijn erfdeel zou worden gehalveerd als ik de valse akte niet zou tekenen. Dat deze sanctie onwettig is blijkt wel uit het feit dat zij nooit is toegepast. Over het dreigen met de sanctie heb ik een klacht ingediend bij de Kamer van Toezicht (Den Haag). Kamer van Toezicht en ook het Gerechtshof (Amsterdam) keurden echter het dreigen met de sanctie goed. Later hield de rechtbank (Den Haag) onrechtmatig ook nog eens bewijsmateriaal achter en ik ontving uiteindelijk hierover een leugenachtige brief ondertekend door de president, Mr. F.C. Bakker. Hetzelfde geldt voor een brief hierover die ik ontving van de procureur – generaal bij de Hoge Raad, Mr. J.W. Fokkens.
Ik heb gezocht naar een verklaring voor dit vreemde gedrag. Notarisen zijn zelfstandige ambtenaren in dienst van de overheid. Caminada is het grootste notariskantoor van Zuid-Holland en is gevestigd op enkele minuten afstand van Paleis-Noordeinde (het werkpaleis van de Koningin) en landgoed De Horsten (waar PrinsWillemAlexander woont). In de boeken van Kikkert, Dröge, maar vooral van Harrij van Wijnen (De macht van de Kroon) wordt dit gedrag aldus verklaard: De “Hoge Heren” vinden dat ze de waarheid mogen “retoucheren” als het gaat om de onschendbaarheid van het Koningschap. Maar gaat het hier om de onschendbaarheid van het Koningschap of wordt dit begrip misbruikt om de eigen criminele praktijken verborgen te kunnen houden?
Ik schreef over de gang van zaken een brief naar Paleis Noordeinde waarna PrinsWillemAlexander zich onmiddellijk zoveel mogelijk terugtrok uit de verschillende vastgoedprojecten in Mozambique. Eèn huis kon niet worden verkocht. Naar aanleiding hiervan en om nog een aantal andere redenen ga ik ervan uit dat het weggewerkte geld van mijn vader is belegd in het niet-verkochte vastgoedproject. Zij die thans het hardst roepen dat ik dit niet kan bewijzen zijn dezelfde personen die de wettelijke verplichting hebben bewijzen te leveren: als de nalatenschap wordt vereffend zoals de rechter in haar uitspraak heeft vastgelegd dan regent het bewijzen. Pas als de nalatenschap is vereffend volgens het proces-verbaal van de rechter kan verder worden gekeken.
Van het Koninklijk Huis ontving ik èèn van de weinige fatsoenlijke reacties op mijn brief. Mede door het lezen van Harrij van Wijnens’s boek ga ik er vanuit dat de Koninklijke Familie op dit soort zaken geen invloed kan uitoefenen. Het is de macht er om heen waar hoognodig de bezem doorheen gehaald moet worden. Het Nieuwe Erfrecht hoort een verbetering te zijn voor alle deelgenoten in een nalatenschap en de wettelijke vereffening kan normaal gesproken zelfs door de armste mensen betaald worden. In mijn geval zijn echter mijn gezin zowel als mijn bedrijf (zzp) inmiddels bijna geruïneerd door de overheid en de uitspraak van de rechter is nog steeds niet uitgevoerd waardoor ik tevens de bescherming tegen crediteuren verlies. (ingezonden door Aad van der Horst)

Dit bericht is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 434, 9 april 2010

  • Geschreven door Archivaris
  • Categorie: 434
  • Hits: 2

Recht op dood geen goed signaal

door Hans Feddema
Het burgerinitiatief van een groep 70-gers, onder wie Hedy d’Ancona, Frits Bolkenstein, Paul van Vliet en Mies Bouman, om op hogere leeftijd vrij een eind aan het leven te kunnen maken, plaatst de politiek voor een dilemma. Het komt sympathiek over. Wie wil niet graag zelf beschikken over zijn leven en dus ook over zijn fysieke dood?
Het speelde ook bij de nieuwe wet op euthanasie en bij de ‘zelfmoordpil’ van Drion. Nieuw is echter, dat nu niet ondragelijk uitzichtloos lijden, maar levensmoeheid het criterium moet kunnen zijn. Dat geeft de kwestie mede een zingevingsdimensie.
Het raakt zo tevens meer het debat over zelfdoding dan dat over euthanasie. Zelfdoding is niet strafbaar. Indien je daarin slaagt kan straffen niet meer. Als ze beperkt blijft tot een poging, is het zaak je te helpen weer in de levenskracht te komen, dus je niet te straffen. Maar de groep 70-gers wil meer. Er moet bij wet vastgesteld worden, dat derden je fatale middelen verschaffen of je feitelijk helpen bij zelfdoding.
Dat is nu strafbaar. Begrijpelijk. Niet alleen omdat het kan leiden tot misbruik, maar ook omdat het een grote last legt op de schouders van derden. Onze cultuur is er immers meer één van bescherming van leven – zie ook de eed van Hypocrates – dan van het recht op dood. Er zijn culturen, waarin die bescherming van leven te wensen overlaat. Vrij recent was dat zelfs tijdelijk op Europese bodem, onder meer ten aanzien van geestelijk gehandicapten. Maar de groep van 70-gers vraagt van ons als samenleving een andere solidariteit.
Ze vraagt in wezen een ontheffing van het verbod op geweld jegens iemand, ook al is het op diens verzoek. In de praktijk is die ontheffing er al vaak in noodgevallen. Daarvoor geldt de uitdrukking ‘nood breekt wet’. Vele mensen vertrouwen mede daarom dat het in een noodsituatie wel goed zal komen. Maar de groep 70-gers heeft dat vertrouwen niet en wil zulke ‘nood breekt wet’-situaties een vaste structuur geven. Met bovendien nu levensmoeheid als extra criterium. Daarmee gaat zij mijns inziens een brug te ver. Ik bespeur tevens bij haar de tendens van ‘maakbaarheid’, van alles van bovenaf te willen regelen, want stel het geval dat... Waren we van ‘maakbaarheid’ niet juist wat genezen na het echèc van het ‘reële socialisme’ in Oost-Europa?
Steeds blijkt weer dat het leven haar eigen (kosmische) wetten volgt en minder maakbaar is dan we denken. En kunnen we echt vaststellen of bij mensen het leven is voltooid? Het leven is een doorgaande stroom. Als je het geluk (nog) niet in je zelf kunt vinden, zoek je het vaak in uiterlijke dingen. Bezit en uiterlijkheden kunnen de ene keer geluk geven, maar de andere keer weer onvrede en ellende. Materieëel zijn we in meerderheid rijk, maar maatschappelijk en psychisch is er vaak sprake van armoede. Anderen hebben innerlijke rijkdom, al of niet door vormen van onthechting. Daar hoef je geen Boeddha of Franciscus van Assisi voor te zijn.
Innerlijke rijkdom heeft te maken met de geest, met je state of mind, iets wat voor een derde vaak ongrijpbaar is. Ook omdat je geestesgesteldheid op een neer kan gaan. Iemand kan wel zeggen levensmoe te zijn en op jou een beroep doen te helpen bij zijn of haar zelfdoding, maar hoe weet je of die stemming niet tijdelijk is? Er zijn genoeg gevallen van mensen, die achteraf blij waren dat hun poging tot zelfdoding was mislukt. Zo’n beroep zadelt de samenleving dus met een groot ethisch dilemma op. Er aan te kunnen voldoen en dat voor een ieder te laten gelden, geeft de samenleving zelfs een negatieve energie. Het individu heeft recht op levensmoeheid, een ieder mag denken en voelen wat hij wil. Maar dat honoreren met het ‘recht op dood’ heeft geen positief effect op de ziel en de levenskracht van de samenleving, ook al lijkt het humanitair. Beschavingen gingen ten onder door een op moeheid gerichte geest.
Ik vraag me af of de groep 70-gers haar voorstel wel goed de effecten voor de samenleving heeft doordacht. Er bestaat nu eenmaal veel levensangst en gebrek aan zelfliefde. En ook vaak een wankel evenwicht tussen negativisme en positivisme, wat bij het geringste kan omslaan ten gunste van het eerste. Dit voorstel speelt daar op in en ook op het overbezorgd zijn. Wijsheidstradities leren ons vertrouwen te hebben in de wetten van het universum, in het nu te leven en je niet onnodig zorgen te maken voor de dag van morgen. Inzake de toekomst kun je ‘hooguit vragen of het universum ons welgezind is’, aldus Albert Einstein. Ieder mens heeft de Bron van leven in zich, de atma of dat wat ons tot mens maakt, wat ons de energie geeft, ook al weten we nauwelijks waar het vandaan komt en waar het heen gaat. We kunnen die bron, die liefde is, wat wegduwen, maar niet doden. Ook al overheerst (even) de angst.
Angst heeft een zichzelf versterkend effect. De mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest. Als je je steeds fixeert op de ellende van aftakeling later, kun je die ook naar je toe trekken. Angst en liefde zijn de tegenpolen in het leven. Je richten op liefde en op vertrouwen is bevrijdend. Dat geldt ook voor het omringen van ouderen met liefde. Als dat voor hen die levensmoe zijn, de situatie niet verandert, moeten we dat uiteraard respecteren. Maar hun doodswens van het moment helpen honoreren en dit bij wet vastleggen, is het tegendeel van proberen hen hun levenskracht te hergeven en brengt een voor de samenleving schadelijke energie teweeg.
Postscriptum: In een interview in De Volkrant van 27 februari jl liet Frits Bolkestein overigens weten afstand te nemen van het feit dat de initiatiefgroep Uit vrije Wil een commissie wil laten bepalen of je leven voltooid is. Dat moet de persoon zelf doen samen met een arts, zegt hij . Ook vind hij de leeftijdgrens van 70 ‘arbitrair’, dat mag zijnsinziens net zo goed 40 zijn.We zien wel hoe het uiteindelijke wetsontwerp wordt.
(Hans Feddema is antropoloog, publicist en onder meer actief in De Linker Wang, zie www.linkerwang.nl)

Dit bericht is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 434, 9 april 2010

  • Geschreven door Archivaris
  • Categorie: 434
  • Hits: 2

Het Einde Van...

Wie ook maar enigszins vertederd is, he, door de uitstraling van Balkenende, die van een alleszins redelijk Christenmens...
Wie ook maar enigszins medelijden met deze Haspelaar en Inslikker van zijn Zinnen, uitgesproken in de gore mist van zijn gebrek aan Oorspronkelijkheid.
Het ergste is dat vele Nederlanders en Nederlandinnen zijn Optreden als voorbeeld in het Ongerijmde navolgen en blijkbaar denken; als de Minister-President er mee wegkomt, dan kan ik ook doorgaan met Ondoordachte en Dubieuze praktijken..
Wie ook maar enigszins moet lachen om zijn vallend Debuut op een skateboard, bedenk even wat deze Sinistere kwast over ons uitgestrooid heeft aan Karma/Bloedschuld.
Al dat geloop achter die Amerikanen, die kontenlikkerij van alles en iedereen wie/wat meer macht heeft.
Aan al die "wie ook maars";
We hebben een illegale, internationaal veroordeelde aanvalsoorlog ondersteund, militair zowel als politiek. Onze centen zijn misbruikt, wij zijn mede-verantwoordelijk gemaakt voor de verschrikkelijke dood van honderden, duizenden mannen vrouwen, kinderen.
8 millioen Irakis die hun land hebben moeten ontvluchten.
Men denke maar aan de gemiddeld 3 tot 5 kinderen die mismaakt en ongelukkig, dagelijks, ter wereld komen in Faludja, Irak, waar de Amerikanen met verarmd uranium "verrijkte" munitie gebruikten.
Men denke maar even terug aan 1938, toen een zekere A. H. ook bepaalde militaire en burgerlijke veranderingen aanbracht in het toenmalige Tsjecho-Slowakije en noteer hierbij ook even dat dat God-nog-aan-toe gesanctioneerd werd door de toenmalige internationale diplomatieke en politieke elite.
Nog zo'n Einde van.
Als je zo nog 's wat namen van hedendaagse politieke kopstukken laat passeren, wat namen van het gevallen kabinet bijvoorbeeld, het blijft me verbazen, Hirsch-Ballin, een minister die met het schaamrood op zijn kaken moest vertrekken vanwege zware blunders, gemaakt in de zogenoemde IRT-affaire, de voor de Misdaad uiterst succesvolle samenwerking met drugsbendes, geruisloos en schaamteloos weer op het Pluche geslopen. Het is niet zonder bitter leedvermaak dat ik de nieuwe, demissionaire minister van Financiën aan moet horen als hij de ex-ministeriële Postzegelverzamelaar Zalm desavoueert en geschikt acht als leidinggevende voor inmiddels ons eigen ABN-Amro. Hoe heet deze schielijk naar voren geschoven demissionaire minister ook al weer? De Jager, wie?
Ja, de Jager, o ja, was deze de Jager niet zeer negatief betrokken bij een onverkwikkelijk faillissement waarbij vele schuldeisers met lege handen achterbleven?
Failliet gaan in Nederland heeft nog steeds een kwalijke, negatieve connotatie, terecht vaak, in Amerika schijnt het een nuttige, min of meer normale ervaring te zijn, min of meer noodzakelijk voor een zakenman. Hier dus ook nu.
Hoe misselijk makend is het antwoord van de AFM geweest op de kritiek die de Nederlandsche Bank uitte op het harde en terechte oordeel van diezelfde AFM over Zalm?
Welke vuile, stinkende was is er even bedreigend onder de neus van het AFM gehouden dat ze zo schielijk, verdacht snel, dat zelfde oordeel in de bak "Gisteren" gooiden?
Ach en dan Donner, over Sinister gesproken, ook deze afgetreden, schijnheilige, eindverantwoordelijke voor de gruwelijke verbrandings- en verstikkingsdood van 11 geïnterneerden ten gevolge van de Schipholbrand.
Hoe zat dat ook al weer?
Donner liet mensen opsluiten in door de brandweer NIET goedgekeurde bouwsels. Dood door schuld, Manslaughter In The Second Degree, op z'n Amerikaans, vooruit dan maar.. merkwaardig, merkwaardig, gewoon weer teruggeglibberd naar een ministerieel stekkie, na bewezen onbekwaamheid.
Nog zo'n geval, al regeert die voorlopig nog niet, Maurice de Hond, eenieder gebruikt en citeert zijn peilingen, nodigt hem uit om hem zijn nog steeds media- en mensen manipulerend verhaal te doen, alhoewel de Hond, what's in a name, een veroordeelde peilingvervalser en lasteraar is...
Bounce Back, Baby, is het motto tegenwoordig, kijk, bij schaatsen maakt het geen kloot uit wie welke baan neemt, iedereen weet dat Sven het hardste rijdt...
Pfffhhh..., ik heb blanco gestemd, mijn handen was ik in onschuld, die bestaat... Wat nagedacht, antropologisch, self-loathing, het (on) bewuste zelf-haten als oorzaak voor het vervangen van de eigen taal voor die van de dominerende ander, het veranderen van tong, in de officiele taal en in het prive gebruik... Visioenen van een zich zelf bevuilende en onderschijtende mensenmassa met een desondanks stralende glimlach op hun gezichten doemen op...
Ze roepen allemaal; UP TO DATE !
Ondertussen wachten we op het eerste Zionistisch-Fascistisch kabinet o. l. v. Geert Wilders..
Niet vergeten Geert, je hebt wel Islamitisch stem, fok- en werkvee nodig om de boel hier op gang te houden. Je industriële vriendjes, die zich snel aan je zullen komen voorstellen zullen je ook daarvan op de hoogte stellen. Ondertussen raad ik Geert aan het aardige boek "Het 25e Uur van Virgil Gheorgiu te lezen". Hopelijk weten nijvere PVDA-ers en andere linkse broederen nog wat stinkends en rottends op te diepen over onze nieuwe Leider in spe. Ik heb wel vaker voor niets gewacht..
I don't mind

D.A.B.

Dit bericht is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 434, 9 april 2010

  • Geschreven door Archivaris
  • Categorie: 434
  • Hits: 2

Geachte Mevrouw van Amsberg...

Bij dezen deel ik u mede dat ik mij heb laten uitschrijven als uw onderdaan. Hoewel ik mij realiseer dat dit helaas slechts een symbolische daad kan zijn is dit gebaar voor mij toch van grote betekenis. U bent ons ongekozen staatshoofd en in deze, door mij niet gewenste situatie, schiet u naar mijn mening bovendien nog eens schromelijk tekort. Voordat ik de redenen voor mijn opzegging als uw onderdaan verder uiteenzet, zal ik u eerst in het kort iets over mijn eigen leven vertellen.
Het is mij na hard werken en avondstudies gelukt datgene te bereiken wat aanvankelijk een utopie leek te zijn. Ik vond een voor mij geschikte plaats in de maatschappij, trouwde, werd vader van twee kinderen en betaalde - zoals het een goed staatsburger wel betaamt - op tijd mijn belastingen en voldeed bovendien aan vele andere verplichtingen. Ik heb mijn belastingafdrachten nimmer als diefstal gezien, zoals sommige medeburgers wel ervaren, omdat ik mij er altijd van bewust was dat een staat geld nodig heeft om te kunnen functioneren.

Nu dan enkele redenen voor mijn opzegging als onderdaan:
1 Ik vermeldde reeds dat u een ongekozen staatshoofd bent, iets dat zeer tegen mijn democratische principes indruist. Daardoor bemoeit u zich uit hoofde van deze positie met allerlei zaken waar u, ongekozen als u bent, niets mee te maken zou mogen hebben, zoals het benoemen van een formateur, het ondertekenen van wetten, het benoemen van rechters enz. enz.
2 U bent staatshoofd, weliswaar ongekozen, en daarin wil ik u van onbehoorlijk bestuur betichten. Een staatshoofd behoort de staat te dienen en er het beste mee voor te hebben. U daarentegen, lijkt de Staat der Nederlanden als uw persoonlijke wingewest waaruit naar believen gegraaid kan worden. U betaalt de Staat geen cent belasting en draagt derhalve op geen enkele wijze bij aan de opbouw en instandhouding van Nederland.
3 U woont ook nog eens gratis in riante paleizen, waarvan het eigendom en het onderhoud ten laste van de staat komen. Bovendien heeft uw moeder in een schimmig contract bedongen, dat wanneer de monarchie ooit mocht vallen - en dat moment lijkt nu aanstaande te zijn - de eigendomsrechten van de paleizen weer aan uw familie zullen komen te vervallen. Gelijkijdig met deze opzegbrief heb ik dus ook mijn huis aan de Nederlandse staat te koop aangeboden, onder voorwaarde dat alleen ik er in mag wonen, en het aan het eind van de hypothecaire rit weer aan mij komt te vervallen.
4 Vele andere kosten, waarvan er veel niet openbaar worden gemaakt, worden ook op de Staat afgewenteld. Ook uw familieleden profiteren op schaamteloze wijze van dit tekort in toezicht op uw uitgaven.
5 Uw wijze van bestuur is ondoorzichtig en doorspekt met geheimzinnigheden. Transparantie is u vreemd, waardoor u de schijn wekt veel te verbergen te hebben. Bijvoorbeeld de ondemocratische onderonsjes met de Minister-President, de geheimzinnige Bilderbergconferenties, het schimmige gegoochel met belastingconstructies voor o.a. het duistere vermogen van uw zuster.
6 U omringt zich met lieden van twijfelachtig allooi, zoals de dochter van een oorlogsmisdadiger, een dame die uit het bed van vele onderwereldfiguren werd gevist, en een voorlichtingsinstituut - de RVD - waar de nazi's zich niet voor zouden hoeven te schamen en nog vele andere duistere lieden.
7 U schijnt een van de rijkste vrouwen ter wereld te zijn (merkwaardig voor zo'n klein land) en toch bedelt u nog bij de Minister-President voor een woonruimte voor uw zoon: 'Die jongen moet toch ergens wonen' waren uw letterlijke woorden. Het begrip schaamteloos is hier niet eens meer van toepassing.
8 Door de opkomst van het internet - waar u zo bevreesd voor bent - is er veel over het verleden van uw familie boven water gekomen en zijn de ogen van velen in het land geopend. De onafzienbare feiten zijn bekend en ik zal ze hier niet nog eens oplepelen, maar ik denk dat vele leden van uw familie, indien het 'gewone' burgers waren geweest, niet in paleizen hadden gewoond maar zeer waarschijnlijk in een cel van 3 bij 3 meter. Onrecht dus, dat afgeschermd wordt door rechters die door uzelf zijn benoemd.

Ik zou nog een poosje door kunnen gaan maar dan wordt mijn relaas eentonig, zoals Multatuli al schreef toen hij het leed van de Indonesiërs uit de doeken deed,- leed dat door een groot deel ook door uw familie werd veroorzaakt vanwege de grote zakelijke belangen die ze daar hadden.

Na bovenstaande - overigens zeer beperkte - opsomming zult u niet anders meer kunnen dan begrip opbrengen voor mijn wens geen onderdaan meer van u te willen zijn. Onderdanigheid, oftewel onderworpenheid of nederige dienstwilligheid is mij sowieso wezensvreemd. Ik heb altijd voor mijn eigen boterham moeten werken en, zoals voornoemd, belastingen betaald en bovendien ook nog dienstplicht verricht, iets waar ook uw zoon van gevrijwaard is gebleven; het is voor mij dan ook een volkomen raadsel waar al dat blik en die lintjes op zijn borst dan eigenlijk vandaan komen.

Ik groet u en spreek de hoop uit dat velen met mij deze opzegging als daad van verzet tegen u en uw familie zullen navolgen.

(overgenomen van de inspirerende anti-monarchistische website www.prorepublica.nl)

Dit bericht is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 434, 9 april 2010

  • Geschreven door Archivaris
  • Categorie: 434
  • Hits: 3

Boer zoekt boef – de uitholling van de Finse rechtsstaat (deel 2)

Op 1 december 2006 wordt in Pori, Finland, Jukka Lahti vermoord. Reeds diezelfde middag staat de politie in de tuin van de schrijver van dit artikel. Lahti –in het stuk Van der Meer gedoopt- was mede verantwoordelijk voor massa-ontslagen in Pori. Tot de ontslagenen behoort ook de vrouw van de auteur. Meer linken tussen Van der Meer en JoopFinland zijn er niet maar desalniettemin wil de politie bij de laatste diens DNA testen. Op herhaalde weigeringen van JoopFinland reageert de politie met het sturen van een ”mobiel DNA-laboratorium” in de persoon van Jorma Kyläniemi –Jorma Dorpsveld voor intimi- met een plastic tas. JoopFinland houdt voet bij stuk en eist dat zijn DNA wordt afgenomen door een bevoegd medicus. Dorpsveld keert onverrichterzake bureauwaarts)
”Van de politie in Pori heb ik geen last meer gehad”. In die trant besloot ik het artikel “DNA in een zakkie“ dat in juli 2007 in Kleintje Muurkrant verscheen. Ik heb ruim twee jaar in die waan geleefd. Eind november vorig jaar kreeg ik echter ’n onthutsend bericht.


door JoopFinland

Maandagmorgen, telefoon uit het politiebureau. De beller hakkelt en stottert, een moment denk ik dat er met mijn kinderen iets gebeurd is, maar dan gaat het over het telefoonnummer van mij en dat van mijn vrouw. Daar is iets mee. ”Wat is daarmee?” vraag ik. ”Dat is door ons afgeluisterd. Ik moet u dat van de rechtbank vertellen.” “Welk telefoonnummer, welke rechtbank en wie is ons?“, vraag ik weer. “Uw telefoonnummer en de arrondissementsrechtbank van Pori”, klinkt het. ”Wij onderzoeken de moord op Jukka van der Meer“. Omdat de sukkel naar de telefoon van mijn vrouw gebeld heeft, vraag ik hem naar mijn telefoonnummer. ”Dit is uw telefoonnummer, dit waarheen ik nu bel”, antwoordt hij. ”Of niet dan? Nou, in ieder geval moet ik u volgens de wet meedelen dat dit telefoonnummer door ons is afgeluisterd in de periode tussen eind november en eind december 2007. Dat is een besluit van de rechtbank dat ik u dat moet meedelen. Meer weet ik er niet van. Voor meer informatie kunt u bellen met mijn baas. Wacht, ik geef u zijn nummer...“
Verdacht
Voorlopig gaan we ervan uit dat het om het telefoonnummer van mijn vrouw gaat en zij belt een ex-collega om na te kunnen gaan of en hoeveel mensen van het bedrijf waar zij en Van der Meer werkten ’n soortgelijke mededeling hebben ontvangen. De aangesprokene weet evenwel van niets. Daarop belt zij de rechercheur die momenteel over het onderzoek in de zaak-Van der Meer gaat. Hij legt uit dat het om twee telefoonnummers gaat, dat van mijn vrouw en dat van mij. Onze nummers zijn volgens een besluit van de rechtbank in 2007 een maand lang getapt, daarna is de tap volgens een besluit van diezelfde rechtbank een jaar lang geheimgehouden. Eind 2008 is de geheimhouding door de rechter verlengd met nog een jaar zodat men pas vandaag verplicht is ons over de zaak te informeren. Mijn vrouw vraagt om hoeveel van deze gevallen het gaat en of zij en ik van de moord verdacht werden. “Dit is allemaal netjes volgens de wet opsporingsmethoden gegaan en we hebben in het kader van dit onderzoek heel veel mensen onderzocht“, luidt het antwoord. We kunnen bij de balie van de rechtbank een kopie van het besluit ophalen.
Mijn vrouw en ik gaan ervan uit dat, evenals in het geval van het massale DNA-onderzoek, de telefoontap wijdverbreid is toegepast en zij belt Harri Aalto, de misdaadverslaggever van de plaatselijke krant Satakunnan Kansa. Of hij er meer van weet. Neen, Harri weet er nog niets van en zal de zaak checken. Harri kun je niet makkelijk meer verbazen. Hoewel? Harri is wel even stil wanneer mijn vrouw mijn voornaam noemt en vraagt dan voor de zekerheid of mevrouw Finland de echtgenote van JoopFinland is. Harri’s hersens gaan altijd een beetje op slot zodra er immigranten in beeld komen. Mij heeft hij eens gebeld en gevraagd of ik op dat moment in Finland was. In Harri’s wereld zijn immigranten namelijk economische vluchtelingen die in Finland het recht op een riante uitkering van 500 euro in de maand ophalen en van dat geld lekker gaan leven waar ze vandaan komen. Voor Harri is het ook niet te bevatten dat er in heel Finland, waar iedereen familie van elkaar is en je dus bijvoorbeeld honderdduizend Aalto’s hebt, maar vier mensen wonen met mijn achternaam: mijn vrouw, mijn twee zoons en ik.
Maar Harri weet uiteindelijk meer dan wij. Veel meer. Na de roerige maandag blijft het een paar dagen stil maar dan heeft Harri zijn stukje voor de krant klaar. Juist voordat wij naar de rechtbank gaan om ons dossier te bemachtigen, lees ik dat de telefoontap geenszins grootschalig is toegepast. ”Het gaat om de zeven verdachten in de zaak, om mensen in hun directe omgeving en om een aantal mensen in de werkplaats van het slachtoffer, aldus de politie.” Het is voor het eerst in de drie jaar voortslepende moordzaak dat het aantal verdachten in de pers komt. Koortsachtig scannen mijn vrouw en ik onze omgeving op een mogelijke verdachte. Nog in de gangen van de rechtbank hebben we het over een kandidaat. Dan is het echter zover. Showdown. ’n Jonge ambtenaar legt een lijvig dossier voor ons op de balie en in één oogopslag zien we waarover dit allemaal gaat. Beide telefoonnummers zijn afgeluisterd in het kader van het onderzoek naar verdachte JoopFinland! Harri Aalto wist dat ik tot het selecte gezelschap van die zeven verdachten behoor, vandaar zijn verbazing aan de telefoon.

Zwanemeer


Dirty Harri heeft waarschijnlijk al die tijd van harte meegewerkt aan het onderzoek van Juha Joutsenlahti. Juha Joutsenlahti, da’s Fins voor Johan Zwanemeer. Leider van het onderzoek in de moordzaak tot augustus 2008. Baas van Jorma Kyläniemi, Jorma Dorpsveld. Ik heb Zwanemeer nooit in het echie ontmoet, heb ook geen foto van hem gezien. In het beeld dat ik me van hem heb gevormd, is hij een soort tweelingbroer van Dorpsveld. De bange helft. Waar Dorpsveld in zijn geborneerdheid schreeuwt en het op slaan of schieten zet, daar staat Zwanemeer om de hoek te wachten op de dingen die komen gaan en vooral op hulp. Dorpsveld draagt een leren jasje, Zwanemeer een regenmantel, zo’n beige van de Finse C&A. Dorpsveld houdt van ijshockey, Zwanemeer van eer en deugd.
Johan Zwanemeer vangt niet alleen boeven, hij probeert ook Finse kinderen te behoeden voor hel en verdoemenis. Johan loopt in diensttijd de scholen hier plat met zijn Boodschap. Die gaat over drugs. Drugs moet je niet gebruiken, laat staan verkopen, van drugs word je moordenaar of kinderverkrachter, daar komt Johan’s boodschap in het kort op neer. Hoe Johan dat weet? Iedereen met het hart op de rechte plaats weet dat, aldus Johan. Aan wetenschap heeft Johan niks. Intimidatie en dwangverpleging zijn Johan’s medicijnen tegen de verloedering. Kids moet je bang maken voor drugs en als dat niet geholpen heeft dan is het tijd voor geweld. Johan staat niet alleen in zijn geniale bespiegelingen. Het Finse drugsbeleid is een kopie van het Finse drankbeleid. En sorteert ook hetzelfde trieste effekt. Finnen drinken desnoods benzine omdat rode wijn taboe is en Finse jongeren roken, spuiten, slikken en snuiven alles dat op hun weg komt omdat op het enkel in bezit hebben van 5 gram marihuana gevangenisstraf staat. Voorlichting bestaat niet, het prediken van de nul-tolerantie gebeurt in politie-uniform.
Al ver voor de moord op Van der Meer heb ik hier over Zwanemeer en zijn War On Drugs geschreven in mijn column voor het weekblad Satakunnan Työ. Onder de titel ”De stank uit het Zwanemeer” riep ik hem op om de kindertjes van Pori voor de broodnodige verandering eens tegemoet te treden in hemdsmouwen en met een deskundige uit West-Europa naast hem aan de tafel. Bij de laatste parlementsverkiezingen hier wist de kerel zoveel publiciteit te geven aan de vondst van een wietplant bij een jonge, vrouwelijke kandidate dat haar partij (de Linkse Bond waarvan ik ook lid ben) de kandidatuur introk. Bij mij brandde er toen iets definitief aan. Je hebt hier een club van ouwe wijven en morele herbewapenaars die zich ”Weg met Drugs” noemt. Ik beschreef de familiebanden tussen Zwanemeer en de plaatselijke leider van een racistisch partijtje hier en stelde de lezers voor om een vereniging op te richten met de naam ”Weg met Zwanemeer”.

Boer


Johan Zwanemeer is niet alleen mislukt als pedagoog, ook als rechercheur gaat hij af als een gieter. Justitie heeft de geheimhouding op de telefoontap opgeheven en het aantal verdachten in de zaak heeft naar buiten kunnen komen omdat de vermoedelijke dader van de moord is gepakt. Jongstleden augustus arresteerde men mevrouw Van der Meer, volgens de politie heeft zij inmiddels een bekentenis afgelegd. Eind februari kwam de zaak voor de rechter. De doorbraak in de zaak werd bereikt nadat Zwanemeer was vervangen als leider van het onderzoek. Tijdens de moord in 2006 werd er gebeld met de alarmcentrale. Op grond van het nog eens een keer goed beluisteren van het bandje van dat gesprek kwam de nieuwe onderzoeksleiding tot de conclusie dat er van een indringer van buitenaf in de woning helemaal geen sprake is geweest. Het slachtoffer en zijn vrouw takelden elkaar toe tijdens een echtelijke ruzie, de man werd daarbij bewust of onbewust gedood. Ik denk dat Johan Zwanemeer met het door de vrouw verzonnen verhaal van de indringer maar al te graag akkoord is gegaan. Immers, een echtelijk robbetje knokken met fatale gevolgen is voor de media in een land als Finland met al haar schiet- en steekpartijen lang niet sexy genoeg. Johan heeft publiciteit nodig om zijn oorlog tegen drugs te kunnen voeren en publiciteit heeft de hele rimbam omtrent deze moord meer dan genoeg gebracht.
Ook het relaas dat wij van de rechtbank meekregen, slaat als een tang op een varken. Zwanemeer heeft duidelijk teveel bij de kapper in de leesportefeuille zitten bladeren. ”Jaloezie” zou mijn motief voor de moord zijn geweest, en mijn ”gewelddadige, psychopatische natuur” werd in het onderzoek helemaal opgehangen aan de waslijn van de buren die ik ooit met een schaar te lijf ben gegaan. Ik heb Jukka van der Meer nooit ontmoet en heb mijn vrouw ook niet meer dan een keer of twee zijn naam horen noemen in de korte tijd –6 weken!- die ze onder hem werkte. Toen de politie op de middag na de moord bij ons kwam, waren wij net verhuisd en excuseerden wij ons netjes voor de rotzooi. Maar het protocol leest dat “er in de woning van verdachte duidelijk is gevochten”...(?!)
Mensen vragen me wat me nu het meest tegen de borst stuit in deze hele affaire. Het is erg dat mijn persoonlijke en zakelijke korrespondentie is geschoffeerd. Het is erg dat ik de –weinige- landgenoten hier niet kan vertrouwen omdat één van hen benaderd moet zijn door justitie om mij te schaduwen. Het is erg dat ik ervan uit moet gaan dat ik geen bescherming van justitie geniet, dat mijn post, telefoon en computer nog steeds worden gecheckt, en dat ik de volgende keer wanneer hier de Finnen elkaar te lijf gaan, weer hoog op het lijstje van verdachten zal staan. Dat is allemaal erg. Maar ronduit weerzinwekkend en verontrustend vind ik het niveau van het onderzoek dat is gedaan. Iemand van Bureau Jansen&Jansen dat de opsporingsmethoden van politiediensten checkt op ongerijmdheden, schreef me de volgende definitie van politie-onderzoek: „Je
moet het eigenlijk zo zien: politieagenten zijn boeren. Er zit niet veel diepte in hun werk, niet
zoveel als de televisieseries veronderstellen. (...) Meestal werken ze met scenario's waar dan verdachten aan gekoppeld worden. Als ze niet snel iemand
hebben, gaan ze een verdachte naar het profiel toeredeneren. Natuurlijk
willen ze ook graag alles verzamelen, DNA, vingerafdrukken, IP-nummers etc, maar dat is
meer om te verbergen dat ze geen idee hebben waar te beginnen. Dat ze dan een tap zetten is ook weer logisch, niet leuk, maar het is de meest eenvoudige manier om wat informatie te verzamelen,
zinloos meestal, maar goed je moet toch wat. (...) Je kunt natuurlijk altijd zeggen dat de politie onbeschoft, niet georganiseerd en niet capabel is, dat zeggen wij van Jansen&Jansen ook zo nu en dan, maar moord-onderzoek is, zeker als er niet een stapel
duidelijke sporen is, erg moeilijk..“
De rechtsstaat, ik dacht dat het een verheven ideaal was, maar het blijkt ’n roestende ploeg ergens op een winterse akker...

Dit bericht is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 434, 9 april 2010

  • Geschreven door Archivaris
  • Categorie: 434
  • Hits: 2

De stiekeme hoeders van de democratie



door Peter Edel

Als er een land is waar stay behind netwerken tot geweld en andere ellende hebben geleid, dan is het wel Turkije. Zelfs in Italië waar de codenaam "Operatie Gladio"werd bedacht, heeft het niet zoveel mensenlevens geëist als in Turkije. Niet in de laatste plaats omdat de 'deep state' zich op de achtergrond van de militaire staatsgrepen in Turkije bevond. Vooral bij die van 1980 was dat het geval. Evenals in andere NAVO landen was de CIA ook in Turkije betrokken bij het ontstaan van het anti-communistische netwerk, al kreeg het hier wel een eigen karakter.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Turkije een belangrijk onderdeel van het anti-sovjetblok in Europa. Turkije controleerde de Dardanellen en de Bosporus en daarmee de toegang naar de Russische havens aan de Zwarte Zee. Mede daarom werd Turkije in 1952 door de andere lidstaten van harte welkom geheten binnen de NAVO. Na verloop van tijd kreeg Turkije met Amerikaanse steun zelfs het op een na uitgebreidste militaire apparaat binnen de NAVO. Alleen de VS beschikte over meer hardware en manschappen.

Vier jaar voordat Turkije lid werd van de NAVO was daar onder supervisie van de CIA al begonnen met de ontwikkeling van een stay behind groep. Dat was evenals in andere NAVO landen gericht op de eventualiteit van een Sovjet bezetting, al werd de linkse beweging in Turkije mogelijk als een nog grotere bedreiging gezien. De Turkse ultranationalist Alparslan Türkes was nauw betrokken bij het ontstaan van het netwerk. Türkes behoorde tot een ultranationalistische stroming die streefde naar een groot Turks rijk dat alle landen omvatte waar Turken woonden, of waar Turkse talen werden gesproken: het panturkisme. In de meest radicale interpretatie strekte dit denkbeeldige rijk zich uit van de Middellandse Zee tot de Chinese muur. Een nadrukkelijk onderdeel van het panturkisme was de overtuiging dat de Turken superieur waren aan in Turkije levende etnische minderheden. Daarom is het verklaarbaar dat panturkisten zich royaal lieten inspireren door het pangermanisme, inclusief alle daaraan verbonden racistische aspecten. Alparslan Türkes was dan ook een bewonderaar van Adolf Hitler, die hij in zijn toespraken en teksten herhaaldelijk citeerde.

Voor de CIA was het gedweep van Türkes met het nationaal socialisme geen bezwaar om van zijn diensten gebruik te maken. En dat hij aan het einde van de oorlog gearresteerd werd naar aanleiding van een anticommunistische demonstratie waar de sympathie voor de nazi's vanaf droop evenmin. In Italië ging de CIA in zee met tal van (neo) fascisten, terwijl ze dat in West-Duitsland deden met (neo) nazi's. Dus Türkes kon daar ook nog wel bij. Hij was een rabiate anticommunist en dat telde. Al het overige was bijzaak. Ergo: Türkes en consorten waren van harte welkom in de VS om hun communistenhaat verder uit te kristaliseren.
De Gladiovariant in Turkije heette aanvankelijk “Seferberlik Taktik Kurulu" (Tactische Mobilisatie Groep). Later werd dat “Özel Harp Dairesi" (Afdeling voor bijzondere oorlogsvoering), om uiteindelijk omgedoopt te worden tot “Özel Kuvvetler Komutanligi” (ÖKK) (Bijzondere strijdkrachten commando, zo zullen we deze uiterst bedenkelijke club hier dan ook verder maar noemen). Plaats van vestiging van de ÖKK was de Amerikaanse hulp delegatie in Ankara, een mooi woord voor het hoofdkwartier van de CIA in de Turkse hoofdstad. De ÖKK gaf op zijn beurt leiding aan de contraguerrilla afdeling. En na 1965 zou ook de nationale inlichtingendienst MIT onder de supervisie van de ÖKK vallen. MIT en contraguerrilla werden later verantwoordelijk voor de meest duistere pagina's uit de Turkse geschiedenis. In het kader van de Amerikaanse verlangens, maar ook in dat van het panturkisme.

In 1955 plaatsten ÖKK agenten een bom in het geboortehuis van Kemal Atatürk in Thessalonika, waarbij de Grieken de schuld kregen. In Istanbul leidde dit tot massahysterie en een anti-Griekse pogrom, die een vergelijking met de Kristalnacht in nazi-Duitsland van 1938 aardig doorstond. Talloze Grieken moesten toezien hoe hun winkels werden vernield en hun voorraden geplunderd. En passant werden 16 Grieken vermoord nadat een woedende door de contraguerrilla opgestookte menigte zich tegen hen had gekeerd. Het was een klassiek voorbeeld van een “false flag" operatie, een methode waar Gladio in Italië zich bijvoorbeeld ook van bediende. De pogrom van 1955 was een onderneming in het kader van ethnic cleansing, voortvloeiend uit de panturkistische ideologie. Armeniës en joden werden er dan ook eveneens het slachtoffer van. Het incident legde een schande over Turkije waar het land ook vandaag de dag nog niet klaar mee is.

De staatsgrepen van 1960 en 1971
In de jaren vijftig werd Turkije bestuurd door een regering onder leiding van premier Adnan Menderes. Hoewel aanvankelijk niet onpopulair, kreeg Menderes op den duur te maken met veel oppositie. Vooral nationalistische studenten waren ontevreden. Menderes paste een aantal door Atatürk ingevoerde hervormingen aan. Zo gaf hij mee ruimte aan religieuze gemeenschappen en dat beviel de studenten in het geheel niet. Dit uitte zich in demonstraties, die vervolgens hard door de regering werden neergeslagen. Een groep jonge militairen beraamde hierop de staatsgreep van 1960, als gevolg waarvan Menderes door een tribunaal ter dood werd veroordeeld en opgehangen. In Washington en Langley vond men het allemaal prachtig. Eerder had de CIA weliswaar een overeenkomst met Menderes, maar de staatsgreep was voor “the Agency" geen reden tot ingrijpen. Dat wil zeggen, niet zolang in Turkije een bewind aan de macht was dat anticommunistische georiënteerd was. En wat dat betreft veranderde de staatsgreep van 1960 helemaal niets.
Alparslan Türkes behoorde tot de samenzweerders. Nadat Generaal Gürsel de macht in handen kreeg na de staatsgreep, werd hij diens secretaris. Vier jaar deed de officier Talat Aydemir een mislukte poging tot een nieuwe staatsgreep, wat hem op de doodstraf kwam te staan. Omdat Türkes met Aydemir geassocieerd raakte, werd ook hij gearresteerd, al wist hij door een gebrek aan bewijs vrijuit te gaan. Daardoor kon hij in 1965 de “Nationale Actie Partij” (MHP) oprichten. Inclusief de grijze wolven, de jongerenbeweging van deze extreem rechtse partij, waarvan verschillende leden al snel in de rijen der contraguerrilla werden opgenomen.

In 1971 bereikte de inlichtingendienst MIT informatie dat een aantal progressieve militairen, gesteund door een groep met de Sovjet-Unie sympathiserende intellectuelen, op negen maart van dat jaar een staatsgreep wilden plegen. Die dag zou er uiteindelijk niets gebeuren, omdat een van de hoog geplaatste militairen in het complot zich terugtrok. Maar de schrik zat er goed in. Vooral in Washington, waar men verheugd was te vernemen dat de rechtervleugel van de strijdkrachten op 12 maart zelf een staatsgreep zou plegen om aan alle onzekerheid een einde te maken.
Nadat toenmalig premier Suleyman Demirel naar huis was gestuurd, ging de contraguerrilla aan de slag om korte metten te maken met de samenzweerders en een aantal linkse journalisten. Plaats van handeling was de Ziverbey villa in Istanbul. Door een scala geraffineerde marteltechnieken legde de contraguerrilla hier de basis van zijn beruchte reputatie. Onder de slachtoffers bevond zich Ilhan Selcuk, een van de samenzweerders van het 9 maart complot. Ook Selcuk's collega journalist Murat Belge werd gemarteld, terwijl de linkse intellectueel Ugur Mumcu een zelfde lot was beschoren (2). Degenen die Mumcu “verhoorden" introduceerden zich aan hem als contraguerrilla. Dat was een novum, want eerder had geen Turk van de contraguerrilla gehoord. In tegenstelling tot andere NAVO landen waren zelfs de premiers van Turkije dan ook niet op de hoogte van de Turkse Gladio structuur. Premier Ecevit ontdekte het bestaan ervan in 1974 en werd kort daarop pardoes getrakteerd op een moordaanslag, die hij overigens wist te overleven.

De staatsgreep van 1980
Turkije bleef niets bespaard, want op 12 september 1980 was het wederom raak. De voormalige leider van de ÖKK Generaal Kenan Evren, kwam die dag via een staatsgreep aan de macht. Reden tot groot feest in Washington, waar de val van de Sjah in Perzië een jaar eerder tot veel hoofdpijn had geleid. Een stabiel Turkije in de vorm van een militaire dictatuur stond daar hoog op het verlanglijstje. Daarom was President Jimmy Carter verheugd van de lokale CIA baas Paul Henze te vernemen dat een en ander geregeld was.
De militairen noemden het argument dat de orde hersteld moest worden in Turkije. Het land was in de voorafgaande jaren geteisterd door een opeenstapeling van politiek geweld. Radicaal links en extreem rechts waren daar beide verantwoordelijk voor, stelden de militairen. Een vertekening van de situatie, want wat ze er niet bij vertelden was dat extreem rechts in de aanval ging, terwijl radicaal links niet veel verder kwam dan het pareren daarvan. Dat wil zeggen, als het daar al van kwam.
De “strategie van de spanning" kreeg in de jaren tachtig de meest extreem denkbare vertaling in Turkije. Volgens deze Gladio doctrine zal een bevolking vanzelf verregaande maatregelen eisen, als het maar genoeg met politiek geweld geconfronteerd wordt. Dat is precies wat er in Turkije gebeurde. De CIA, de strategie van de spanning, het leger en een geslaagde staatsgreep; alle ingrediënten waren aanwezig om te constateren dat Gladio in Turkije destijds succesvoller was dan in welk ander NAVO land dan ook.
De lijst van door contraguerrilla/Grijze wolven geïnitieerd extreem rechts geweld in het kader van de strategie van spanning, is te lang om hier geheel weer te geven. Daarom volgen hier enkele dramatisch dieptepunten. Zoals het bloedbad op Taksim Square in Istanbul van 1 mei 1978. Tijdens een massale demonstratie die dag namen scherpschutters het sprekersplatform onder vuur, met 38 doden als gevolg (3). De daders van de aanslag werden nooit opgespoord, maar menigeen wist genoeg. Zo verklaarde premier Ecevit aan president Koroturk dat de ÖKK achter de aanslag zat.
Verder begon onderzoeksrechter Dogan Öz dat jaar een onderzoek naar het verband tussen Türkes' MHP, de ÖKK en het politieke geweld in Turkije. Dat kwam hem duur te staan, want hetzelfde jaar nog werd Öz vermoord. De grijze wolf Ibrahim Ciftci bekende de moord. Kon hij makkelijk doen, want kort daarop werd zijn veroordeling vernietigd door het militaire hooggerechtshof.

Een volgende slachtpartij dat jaar vond in oktober plaats in het stadsdeel Bahcelievler in Ankara. Grijze wolf Abdullah Catli en kompanen vermoordden toen zeven aan de “Turkse Arbeiderspartij" verbonden studenten. Catli was toen al een van de meest beruchte moordenaars onder de grijze wolven. Ooit werd hij gesignaleerd in aanwezigheid van Stefano Delle Chiaie, een extreem rechtse Italiaanse terrorist die met talloze Gladio aanslagen in Italië in verband is gebracht, zowel als met dictaturen in Zuid-Amerika - waar Catli overigens evenmin een onbekende was. Catli had met Delle Chiaie gemeen dat hij keer op keer vervolging wist te ontlopen, waarbij beide van hogerhand beschermd moeten zijn.
De coup van 1980 werd verder voorafgegaan door de moord op de linkse journalist Abdi Ipekci, een gebeurtenis die veel indruk maakte in Turkije. Ipekci's moordenaar was de grijze wolf Mehmet Ali Agca. In 1982 zou zijn naam over de wereld gaan omdat hij een moordaanslag pleegde op Paus Johannes Paulus II. De exacte beweegredenen van Agca daartoe zijn tot op heden in nevelen gehuld, niet in de laatste plaats omdat hij krankzinnig werd. Of althans voor deed komen krankzinnig te zijn - zelfs dat is onduidelijk. Over de moord op Ipekci bestaat minder onduidelijkheid. Dat deze journalist de verbanden tussen grijze wolven, contraguerrilla en CIA onthulde, is veelzeggend genoeg.
Zoals gesteld is dit slechts een kleine greep uit het geweld voorafgaand aan de staatsgreep van 1980, want er gebeurde veel meer. Zo was het destijds al behoorlijk gevaarlijk om in Turkije met een linkse krant op straat te lopen. De coup maakte geen einde aan het geweld, maar verplaatste het van de straat naar de gevangenissen. Er vonden 49 executies plaats. Daarnaast werden 650 Turken opgesloten, waarvan er 171 de dood vonden als gevolg van marteling. Er waren verder 85000 aanklachten wegens “foute ideeën” terwijl 14509 ambtenaren ontslag kregen. Daarnaast werd in totaal 39 ton boeken verbrand en zagen acht kranten zich verboden verklaard.
Ook veel grijze wolven die voor de contraguerrilla hadden gewerkt, kwamen in de gevangenis terecht. Alparslan Türkes werd zelfs ter dood veroordeeld, maar zijn vriend, de oud-nazi en CIA agent Ruzi Nazar, wist dat te voorkomen. In de gevangenis kregen de grijze wolven bezoek van hun MIT vrienden. Zij stelden hen vrijheid in het vooruitzicht als ze zich in ruil voortaan in zouden zetten tegen Koerdische opstandelingen in Oost-Turkije. Daarnaast raakten grijze wolven als Abdullah Catli betrokken bij represailleacties tegen de Armeense organisatie ASALA, die destijds in het buitenland aanslagen pleegden op Turkse diplomaten.

Het Susurluk incident
Met de val van het communisme in het Oostblok veranderde ook in Turkije veel. Maar waar dit in andere NAVO landen tot ontmanteling van de Gladio netwerken leidde, was daar in Turkije geen sprake van. Daarvoor had men de contraguerrilla steeds harder nodig tegen de Koerdische PKK, vooral nadat de PKK in 1994 haar onafhankelijkheid aankondigde. Daarnaast raakte het voormalige stay behind netwerk in toenemende mate bij criminele activiteiten betrokken, zoals bij de handel in drugs. In dat kader ontstonden tal van dwarsverbindingen tussen extreem rechts, overheidsinstanties, inlichtingendiensten en politiek.
Van deze connecties raakte het Turkse publiek voor het eerst op 3 november 1996 doordrongen naar aanleiding van een auto ongeluk in het plaatsje Susurluk. Een personenauto botste op een vrachtwagen, waarbij de klap zo hard was dat drie van de vier inzittenden om het leven kwamen. Onder de doden bevond zich Abdullah Catli, destijds door Interpol gezocht in verband met moord en drugshandel, zowel als zijn vriendin Gonca Us. Daarnaast vond ook Hüseyin Kocadag, de voormalige vice-commandant van de politie in Istanbul, de dood bij het ongeluk. De enige overlevende was het parlementslid Sedat Bucak van de Democratische Partij. In Oost-Turkije had Bucak 20000 dorpswachters onder zijn controle die daar de Koerdische bevolking terroriseerden. In de bagageruimte van de auto werden wapens, drugs, afluisterapparatuur en een grote hoeveelheid geld aangetroffen (4).
Alles bij elkaar had de connectie tussen onderwereld en overheidsinstanties niet manifester aan het licht kunnen komen. De gevolgen waren een schandaal van proporties en grote publieke verontwaardiging, wat zich uitte in grote demonstraties. Erg tot de verbeelding sprak de actie onder de bevolking om iedere avond om negen uur uit protest het licht in huis te doven, waardoor de Turkse steden volledig in duisternis werden gedompeld. Maar het mocht niet baten, want hoewel er verschillende onderzoeken werden opgestart kwam er zeker geen totale openheid over de Turkse deep state. Sterker, er lijkt met het Ergenekon netwerk nog altijd een deep state in Turkije te zijn. Daarover meer in het volgende deel van deze serie.

Noten:
1 De bij de staatsgreep van 1971 betrokken militairen gingen overwegend vrijuit, al kregen velen later wel ontslag. Uitzondering was Generaal Talat Turhan die destijds wel door de contraguerilla werd gemarteld.
2 Murat Belge claimde later dat hij in Ziverbey villa gemarteld werd door Veli Kucuk. Later zou Kucuk het bevel krijgen over JITEM, de inlichtingendienst van de Turkse Gendarme die Koerden in Oost-Turkije terroriseerde. Ugur Mumcu vond in 1993 de dood nadat een bom in zijn auto was geplaatst. Destijds onderzocht Mumcu hoe het mogelijk was dat de Koerdische leider Talibani plotseling in bezit was gekomen van een grote hoeveelheid uit Turkije afkomstige wapens. De Turkse generaal Biltis onderzocht destijds dezelfde kwestie en vond de dood bij een ongeluk met een vliegtuig dat gesaboteerd bleek.
3 De schutters bevonden zich op een gebouw dat nu het Marmara hotel heet. Deze locatie kan niet toevallig zijn, want het was destijds eigendom van de Amerikaanse onderneming ITT. Hetzelfde ITT dat vaak in verband is gebracht met de CIA. Zo speelden CIA en ITT samen een duistere rol bij de coup in Chili van 1973.
4 Een van de paspoorten stond op naam Mehmet Özbay, een valse naam die eerder wel door Mehmet Ali Agca werd gebruikt.

Zie voor de gebruikte bronnen het eerste deel van dit artikel. Wat betreft de staatsgrepen van 1960 en 1971 is verder op een aantal punten gebruik gemaakt van de getuigenis van een bij deze gebeurtenissen betrokken hoge officier (die om voor de hand liggende redenen geheim wenst te blijven).

Dit bericht is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 434, 9 april 2010

  • Geschreven door Archivaris
  • Categorie: 434
  • Hits: 2

De laatste utopie van het vrije westen

Ontwikkelingshulp, eeuwen lang de trots van de natie, leek het afgelopen jaar rijp voor de sloop. Maar toen het moest gebeuren, ergens in het najaar, bleven de woorden van spijt en berouw de dominee steken in de keel. Wat was er aan de hand? Viel de terugblik op onze utopische avonturen in verre landen hem te zwaar? Of werd hem de mond gesnoerd?

door Theo Ruyter

De grootste kink in de kabel was, denk ik, dat we met z'n allen - voorlopers daargelaten - nog altijd niet klaar zijn voor de afdaling van onze zelfgeschapen Olympus, om de plaats in te nemen die ons als gelijkgerechtigden op aarde toekomt. Sinds we afrekenden met de duistere Middeleeuwen en ons als het verlichte Westen verhieven boven de rest van de wereld, hebben we allerlei manieren bedacht om een andere, betere en liefst volmaakte wereld te scheppen dan wel te verbeelden. Eerst voor onszelf natuurlijk en, naarmate we erin slaagden die in onze eigen staat en samenleving te realiseren, ook voor anderen.
Zo koesteren we nu al weer geruime tijd de utopie van de verzorgingsstaat en hoewel die de laatste tijd wat schrammen en deuken heeft opgelopen en het woord 'welvaartsstaat' nu misschien beter de lading dekt, is toch nog altijd sprake van een reëel bestaande utopie. Zoals, om maar eens een heel ander voorbeeld te noemen, in de jaren zeventig van de afgelopen eeuw de Culturele Revolutie in China een reëel bestaande utopie was.
De verwezenlijking van dat nieuwe type staat heeft zich voltrokken ten tijde van de Koude Oorlog. Ons belangrijkste referentiekader was toen het Vrije Westen en hoewel we onlangs al de 20ste verjaardag van de val van de Muur hebben gevierd, gedragen we ons nog steeds overeenkomstig de schering en inslag van dat kader. Zeker in onze relaties met zogenoemde niet-westerse landen en culturen.
Het Vrije Westen, waarvoor de kiem al werd gelegd ten tijde van de Russische Revolutie, was niet slechts de naam van een aantal staten waar mensen zich 'vrijer' achtten of beschikten over meer geformaliseerde of informeel beleefde 'vrijheden' dan elders. Het was de metafoor bij uitstek van een min of meer homogeen deel van de wereld, waar zowel regeringen als burgers ervan overtuigd waren dat zij een hoger niveau van beschaving hadden bereikt en een wenkend perspectief boden aan de rest van de wereldbevolking.
Het Vrije Westen stond en staat, in de ogen van velen, nog steeds voor positief klinkende begrippen als ontwikkeling, groei, vooruitgang, moderniteit, welvaart en geestelijke vrijheid. Vandaar dat het een uiterst effectieve dekmantel is geweest voor dubieuze en ook ronduit kwaadaardige handelingen en gedragingen, waaronder niet in de laatste plaats allerlei directe interventies in de staatkundige en maatschappelijke zaken van mensen buiten de eigen kring.
De ontwikkelingshulp (foreign aid), die we nu ruim zestig jaar kennen, is een zeer ingrijpend soort interventie. Niet van dezelfde orde als een kolonisering of bezetting van langere duur, zoals we die zelf niet zo lang geleden nog hebben beleefd, maar zeker vanuit het oogpunt van het object wel daarmee vergelijkbaar. Aanvankelijk was het een duidelijk - en als tijdelijk voorgesteld - instrument van buitenlands beleid, zoals de Marshallhulp van de Amerikanen na de tweede wereldoorlog. Maar naarmate hij een eigen leven ging leiden kwam hij in een maalstroom terecht, zodat we nu omhoog zitten met een onontwarbaar uitziende knoop.
Een van de problemen waar je op stuit bij het ontwarren is dat de hulp vrijwel van het begin af aan 'aanbodgestuurd' is geweest, terwijl in de retoriek over de hulp altijd werd beweerd dat onze hulp het antwoord was op een expliciete, door de hulpbehoevende partij uitgesproken vraag. We moeten dus wel concluderen dat altijd sprake is geweest van een ongelijke relatie, een machtsrelatie waarin de hulpgever de toon aangeeft en ook, als het erop aankomt, bepaalt wat de ander nodig heeft.
Op zich is het winst dat gezaghebbende analytici zoals Roger Riddell (“Does Foreign Aid Really Work?” 2008) dat nu openlijk constateren, maar daarmee wordt nog niet volmondig erkend dat de hele hulpsector door die ongelijkheid getekend is. Wel biedt dit een verklaring voor het feit dat in Nederland de woorden ontwikkelingshulp en ontwikkelingssamenwerking doorgaans op een hoop worden gegooid, want met 'samenwerking' kun je evenwicht en gelijkheid suggereren. Een hedendaagse doe-het-zelver, die de hulp weer opnieuw uitvindt, weet misschien niet beter. Maar een beleidsmaker of opinieleider die stelselmatig weigert het onderscheid tussen de twee te maken is of gemakzuchtig of hij belazert de kluit.
James D. Wolfensohn, president van de Wereldbank in de laatste jaren van de afgelopen eeuw, zal mij altijd bijblijven als iemand die met een stalen gezicht volhield dat zijn klanten het heft in handen moesten hebben, terwijl het tegenovergestelde in tal van landen aan de orde van de dag was. Die januskop duikt ook nu nog overal op en Nederland is in dat opzicht geen uitzondering. Mensen 'van de andere kant' mogen dat telkens weer ondervinden, als ze tenminste nog het lef hebben hun mond open te doen.
Neem prof. dr. Box, de rector van het in Den Haag wereldberoemde Institute of Social Studies (ISS), die een maand geleden meende bij te dragen aan een debat van Oikocredit in Amsterdam (over de vraag of de traditionele hulp achterhaald is) met de 'anekdote' van die Afrikaanse president op staatsbezoek, die zich in een Nederlandse krant zeer kritisch had uitgelaten over de hulprelatie en die niet eens wist dat ook het ISS (waar de rector hem rondleidde) betaald werd door de minister voor ontwikkelingssamenwerking. De goeie man kon zijn tong wel afbijten, zo eindigde de anekdote.
Ook de econoom Dambisa Moyo, die het afgelopen jaar de grootste knuppel wierp in ons hulphoenderhok met een pleidooi voor afschaffing van de hulp, werd niet zachtzinnig op haar nummer gezet. Haar 'gesprekspartners' wisten het allemaal beter, voor zover ze niet stikten van verontwaardiging. Zelfs de VVD, die haar zo graag als medestander wilde inlijven, vond dat ze met haar exitstrategie veel te hard van stapel liep. En de gelijkgeschakelde media hadden, gemakshalve, meer oog voor haar uiterlijk en presentatie dan voor haar argumenten.
Gelukkig maakte de VPRO het nadien (30 november) nog enigszins goed met een televisiefilm, waarin de voorstellen van Moyo wel serieus werden genomen en waarin ook de president uit de anekdote van prof. Box een herkansing kreeg. Het was voor het eerst dat op de (publieke) Nederlandse televisie de beëindiging van de hulp als reële optie aan de orde werd gesteld en bovendien – zeker zo interessant - een indruk werd gegeven van de positieve dynamiek die zou kunnen ontstaan na een dergelijke stap.
Maar binnen een paar dagen na die zwaluw kwam al de ontnuchtering, in de vorm van een viertal hulprofessoren van diverse instellingen, die luidkeels bezwaar maakten tegen de op 3 december geplande promotie van Wiet Janssen aan de Universiteit Twente. De outsider Janssen was namelijk zo brutaal geweest, op basis van langdurige praktijkervaring, het Nederlandse beleid inzake ontwikkelingssamenwerking eens tegen het licht te houden. Het viertal kreeg weliswaar lik op stuk van de promotor zodat het onderzoek van Janssen met de doctorstitel bekroond kon worden, maar ondertussen had het met zijn actie wel duidelijk gemaakt dat de gevestigde orde in de polder zich niet zo maar van de wijs laat brengen.
Het zou dan ook onrealistisch zijn op dit ogenblik de lente te verkondigen. Rest de vraag hoe het komt dat de ontwikkelingshulp zo hopeloos in zichzelf verstrikt is geraakt.
Het meest voor de hand liggend antwoord is dat zich rond de hulp een bedrijfstak heeft gevormd, van ( alleen al in Nederland) vele honderden organisaties, instellingen, bedrijven en andere bureaus met een veelvoud aan arbeidskrachten en een grote verscheidenheid aan motieven, opvattingen, werkwijzen en zo meer. En als integrerende leidraad, ons als bewoners van het zo superieure Westen met de paplepel ingegeven, dat hele volksstammen elders in de wereld op ons zitten te wachten teneinde het hoofd boven water te houden en zich als mens en samenleving te ontplooien.
Dat heeft nu al decennia lang het beeld opgeleverd van opeenvolgende en masse ingevlogen buitenlandse hulptroepen, die als klonen van Sisyfus telkens weer stenen tegen berghellingen staan op te duwen. Dat is immers het kenmerk bij uitstek van de ontwikkelingshulp: dat iedereen maar wat aanrotzooit, zonder goed overzicht en onderling verband, als maar op korte termijn iets van resultaten te zien is waarmee de belastingbetalers en andere geldschieters een rad voor ogen gedraaid kan worden.
Dat ze aan de ontvangende kant stapelgek worden van die buitenlanders met hun talloze verlangens en eisen, werd al snel duidelijk. Maar het duurde nog tot 2005 alvorens de donoren op regeringsniveau bereid waren zich eens systematisch te buigen over het gebrek aan onderlinge coördinatie en voor de dag kwamen met de Verklaring van Parijs inzake 'aid effectiveness', die in 2008 nog eens 'bevestigd' werd tijdens een High-Level Meeting in Accra (Ghana).
Zo mogelijk nog zorgwekkender is dat andere hete hangijzer: het gebrek aan samenhang - coherence in hulpjargon - tussen verschillende beleidsterreinen bij donorlanden. Dat slaat op het verschijnsel dat die landen hun eigen hulpbeleid - ook al heet dat 'samenwerking'- ondermijnen door een volstrekt tegengesteld beleid op met name financieel-economisch terrein. De gebakken lucht die dat onderwerp de laatste jaren heeft opgeleverd is niet te beschrijven. Maar een gelukkige bijkomstigheid is dat we nu allemaal (kunnen) weten dat buitenlandse hulp op zich nooit doorslaggevend is geweest in het streven naar meer welvaart en ook niet meer kàn zijn dan aanvullend.
We zullen dieper moeten graven om de oogkleppen en hardnekkigheid van de hulpsector te verklaren, want klaarblijkelijk komt er meer om de hoek kijken dan alleen het eigenbelang van een nieuwe bedrijfstak die zich een vaste plaats in een economie probeert te verwerven. Ik zou me wat dat betreft nu tot twee factoren willen beperken: de secundaire motieven in het buitenlands beleid en de menselijke behoefte aan verhalen over een ideale nieuwe wereld.
Het is in de geschiedenis al vaak geconstateerd dat machthebbers de neiging hebben zich in het buitenland te manifesteren om zo de aandacht af te leiden van binnenlandse zaken. Het is onmiskenbaar dat ontwikkelingshulp geldt als hoogst bruikbaar visitekaartje in het buitenlands beleid. Alleen al het streven naar een internationale top 3 positie, op grond van het percentage van het bruto nationaal product dat voor 'official development assistance' wordt uitgetrokken, heeft Nederland geen windeieren gelegd.
Tegelijkertijd was en is de hulp een prima PR-instrument om te verhullen dat het algemene beleid van opeenvolgende regeringen 'gewoon' gericht is en blijft op het behoud, zo niet de vergroting van de eigen welvaart, ongeacht de kosten voor anderen. Laten we in dit verband ook niet vergeten dat alle hulp - sowieso relatief bescheiden - niet berust op internationale, juridisch verankerde, rechten en aanspraken, maar nog altijd een zaak is van eenzijdig (door de donor) toegekende en desgewenst op elk moment (ook door de donor) te herroepen voorrechten.
Op het niveau van de particuliere hulpverlening is iets soortgelijks waarneembaar: het is zowel persoonlijk als zakelijk zeer aantrekkelijk je bezig te houden met mensen en situaties in andere landen. Als inwoner van een zeer welvarend land kun je alleen al in financieel opzicht heel gemakkelijk 'het verschil ' maken en daar kun je hier dan weer je voordeel mee doen. Bovendien is het een uitstekend excuus om je af te keren van problemen in eigen stad en land. Lees de verhalen maar van de doe-het-zelvers, die de laatste jaren als paddestoelen uit de teelaarde van de aloude liefdadigheid geschoten zijn: help een ander in een warm land en word gelukkig!
Trouwens ook gevestigde organisaties en instellingen die doen in 'ontwikkeling' hebben vaak weinig op met het land waar ze gevestigd zijn en hun geld vandaan halen. Hun corebusiness is de redding en verheffing van mensen ver van hier en daar verliezen ze zich maar al te graag in. Dan kun je dat gedoe in de polder er niet bij hebben, ook al zie je wel parallellen tussen ontwikkeling hier en ontwikkeling daar en is het best mogelijk dat we hier met z'n allen verantwoordelijk zijn voor toestanden daar. Laat dat maar aan anderen over. Je moet het je niet onnodig moeilijk maken, anders gaat de lol eraf.
Gelukzoekers, in de meest letterlijke zin van het woord, hebben altijd al een belangrijk aandeel gehad in de ontwikkelingshulp als typisch westerse aangelegenheid. Dat hun aantal sinds de millenniumwisseling sterk is gegroeid, lijkt mij niet slechts te danken aan het charisma van de Bono's en Koblenko's van deze tijd of te wijten aan onze ongeëvenaarde welvaart. Belangrijkere signalen zijn de collectieve zenuwinzinking, waar minister Plasterk onlangs bij wijze van nieuwjaarsboodschap de vinger op legde, en het intense alom heersende verlangen naar de goeie ouwe tijd van vóór oktober 2008.
Het Vrije Westen als zodanig is ten dode opgeschreven. Er staat een nieuw tijdperk op stapel, met totaal andere internationale verhoudingen, al weet niemand hoe die er precies uit zullen zien. De identiteitscrisis van de NAVO is een stuiptrekking, die kunstmatig wordt verlengd - ook onder de leiding van een halve allochtoon in Washington - door de aanwijzing van nieuwe vijanden. Wat is er nog over van de idealen waarmee we ooit, lang geleden al weer, de Koude Oorlog in gingen?
Nederland heeft, als tweederangs acteur, in dat Vrije Westen constant en vol overtuiging zijn partij meegeblazen. De Hoop Scheffer is onze laatste trofee en getuige. Maar nu zitten ook wij met de handen in het haar, al komen we daar liever niet voor uit. Met gemengde gevoelens bezien we de gerealiseerde utopie van onze verzorgingsstaat, want we voelen op onze klompen aan dat de klad erin zit en dat de samenleving nooit meer zo maakbaar zal zijn als we lange tijd dachten. Welke kant gaan we op? Waar moeten we ons heil zoeken?
Wat ligt er dan meer voor de hand dan dat we ons opwerpen als de hoeder van het heil van anderen?
Dat we onszelf, van hulpprofessoren en filantropologen tot achterbankzitters in de Tweede Kamer en backpackers met een sabbatical, troosten met de utopie van een wereld zonder honger, armoede en andere ongemakken? En dan komt er een dame op bezoek, die ons voorhoudt dat Afrikanen niet door toedoen van onze hulp ”nog eens zestig jaar in armoede gevangen” willen zitten. (Dambisa Moyo in de Volkskrant van 6 maart 2009). Daar begrijpen we helemaal niets van. Na alles wat we voor ze gedaan hebben! En nog wel in deze tijd van crisis. Nee, nu stoppen is onverantwoord.
Dat was de eensgezinde reactie van de Nederlanders in de - natuurlijk ook hoogst onverantwoorde - televisiefilm van 30 november. De betrokken dame en heren uit de hulpindustrie en de politiek bleken daar nog nooit serieus over nagedacht te hebben. Dat mensen zich een proefdier kunnen voelen in een door òns ingericht sociaal laboratorium, of het object van een utopie die òns in tijden van geestelijke nood houvast moet bieden. Hoe komen ze erbij, hoe durven ze?
Wij weten beter dan jullie wat goed voor jullie is: onder dat motto dendert de hulptrein verder. En als de voortekenen niet bedriegen, zal ook de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid in zijn aanstaand advies over ontwikkelingssamenwerking niet de beëindiging van de oude vertrouwde hulp aankondigen.
Integendeel, de afgelopen jaren is de weg geplaveid voor een intensivering en militarisering van onze buitenlandse interventies. De lijsten van 'failing' en 'fragile states' liggen klaar, de nodige artikelen met aanvullend volkenrecht staan op papier, de vraag is alleen nog wie aanspraak mag maken op de titel 'internationale gemeenschap' zodra onze vingers jeuken. Een ding staat vast: wee degene die ons die laatste utopie wil afpakken.

Dit bericht is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 434, 9 april 2010

  • Geschreven door Archivaris
  • Categorie: 434
  • Hits: 2

Voor het zingen de kerk uit

Met honderden tegelijk komen misbruikte internaatscholieren en misdienaartjes naar buiten met hun ervaringen met hitsige en opdringerige fraters, paters, pastoors en kapelaans. Op televisie, in de krant en op de radio, vrijwel dagelijks verse onthullingen. Uiteraard weet elke katholiek die in de vijftiger, zestiger en zeventiger jaren op een door fraters en paters gerunde school heeft gezeten van deze verhalen. Bij die en die kon je maar beter niet alleen in het leslokaal vertoeven, altijd zorgen dat er anderen bij zijn! En owee als je bij pater “Pielejas” werd geroepen. Niks nieuws dus, het is en blijft natuurlijk wel schokkend dat het over zulke grote aantallen gaat. En natuurlijk is de katholieke zedenleer hier mede-schuld aan. De katholieke kerk was altijd al een vluchtplek voor homo's, lesbiennes en pedo's. En die kwestie van het orthodoxe celibaat (overigens pas ergens rond het jaar 1000 door de roomsen ingevoerd om te voorkomen dat kerkelijke bezitting via het erfrecht versnipperd raken) heeft voor heel veel kwalijkheid gezorgd. Zogenaamde zelftuchtiging van de lust heeft heel veel onheil gebracht bij zeer velen. Daarbovenop de bourgondisch katholieke moraal van een keer wat weesgegroetjes naar boven sturen na het te biechten gaan, en klaar was de frater. De katholieke kerk is sowieso een prachtig voorbeeld van een hypocriete geloofsleer. Iedere katholiek kent de roddels en achterklap, vaak uitgesproken na de mis of in het oor van je knielende medekerkganger gefluisterd: zie ze daar zitten in de voorste rijen. De rijkaards en de uitbuiters van het dorp. De handen devoot gevouwen en de ogen dichtgeknepen, strakke bleke lippen gebeden prevelend. En morgen slaan diezelfde handen de echtgenote en de kinderen weer om de oren. De katholieke moraal is er eentje van weten wanneer je je mond moet houden om hogerop te komen. Slijmen met je meerdere in de hoop zelf ooit ook zo'n meerdere te worden. Zondag 's-ochtends wat flauwe liedjes meezingen met de vals jengelende pastoor en dan kun je weer een week oplichten en bedriegen. Er is niet veel veranderd, de kerken zijn gelukkig wat minder vol, maar het is ook weer zo typisch katholiek om er dan wel weer te zitten als de hallucinerende wierookdampen met kerst en pasen de geest vertroebelen. Even genieten van een gregoriaanse hoogmis en je vergapen aan de gouden gewaden van een stel dragqueens met puntmutsen. Lange jurken met daaronder dus een verdord voortplantingsorgaan. Ja, dat dacht je wellicht! Niks niet verdord. Het is van alle tijden dat de jongens die het klooster ingingen ergens hun liefje behielden of in de nachtcellen hun gerief bij elkaar zochten en vinden. Zolang dat allemaal in het donker en het geniep plaatsvindt is er niks aan de hand. Alweer zo'n typisch katholiek fenomeen. Maar och en wee als een dergelijk gedrag naar buiten komt. Dan kan meneer pastoor het wel schudden en wordt ie overgeplaatst naar een andere parochie, soms met medeneming van zijn aanhankelijke dienstbode. In dat nieuwe dorp wisten ze nog van niks en zwarte lijsten op internet waren er nog niet, dus ze konden weer jarenlang hun gang gaan. Ook als ze met hun katholieke vingers niet van minderjarige jongens en meisjes af konden blijven. Het Vaticaan heeft er zelfs in 1962 een heel boekwerk aan besteedt om de katholieke hierarchie voor te schrijven hoe te handelen als er weer een pater werd betrapt op onzedelijk gedrag. Zorgen dat het niet al te bekend wordt en snel overplaatsen die gast. Vooral zorgen dat het instituut kerk niet beschadigd wordt! Het Britse blad The Observer publiceerde dit document in 2003 op het moment dat Engeland in rep en roer was over het schandelijke pedo-seksuele gedrag van een stel paters en priesters. Wij hebben dat document toen onmiddellijk ook online gezet en daar staat het nog steeds: http://www.stelling.nl/divers/vaticaan.pdf. Erg onthullend! Zeventig pagina's, onder het zegel van paus Johannes de 23ste toegezonden aan alle Katholieke bisschoppen in de hele wereld. De bedoeling van dit document was om eventueel seksueel misbruik van katholieke ambtsdragers intern - binnen de kerk - te houden, op straffe van excommunicatie, het was ten strengste verboden om het over dit document in de buitenwereld te hebben. Ze hebben het natuurlijk altijd al geweten, alle katholieken en al helemaal de gezagsdragers binnen die hypocriete kerk. Als je het al niet gedaan hebt, schrijf je dan onmiddellijk uit bij deze christelijke sekte! En om een stukje te citeren uit onze Kleintje Muurkrant Actueel rubriek op internet: "De kerk gaat aan sex ten onder. Maar wat wil je ook als je kerels verandert in dragqueens en ze zelfs verbiedt om ook maar te swaffelen met hun persoonlijke wijwaterkwast. Daar komen geheid ongelukken van. En schadeclaims. Amen". Als ik nu de term "witte boorden crimineel" moet ik voortaan aan geestelijken denken. Een week of wat geleden hoorde ik op de radio dit gedicht. Het is van Hans Kloos en terug te vinden op www.ditisdedag.nu

Digitus dei

Hij legt altijd eerst zijn vinger
tegen zijn lippen
mij tot stilte manend.

Daarna wenkt de vinger mij.

Als ik voor hem sta,
legt hij de vinger zacht tegen mijn voorhoofd.

De vinger gaat overal heen,
omhoog, omlaag, voor, achter,
maar altijd daar eindigend.

Dan komen er vingers bij,
en nog een hand en weet ik niet
waar zij niet zijn
tot hij de vinger daar
in duwt.

Dan is het wit
en zwart en ver

tot de vinger mijn kin optilt
en zich weer tegen zijn lippen legt

die als de vinger naar boven wijst
zeggen dat ik moet vertrouwen
op onze lieve heer

Dit bericht is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 434, 9 april 2010

  • Geschreven door Archivaris
  • Categorie: 434
  • Hits: 2

Kort nieuws

Kleintje zakelijk



Heel veel dank voor alle positieve respons op het verschijnen van het vorige (papieren) Kleintje. We hebben er vertrouwen in dat het ook financieel weer helemaal goed komt. Er is wel een klein technisch probleem. Waneer abonnees het abonnementsgeld aan ons overmaken is het voor ons niet altijd duidelijk om wie het gaat aangezien er bij de overschrijvingen regelmatig geen adres weergegeven wordt. Dat is al helemaal een probleem indien het een nieuwe abonnee betreft. Dan hebben we wel geld gekregen maar weten we niet naar wie we een papieren Kleintje kunnen zenden. Konden we vroeger nog met via het bij ons bekende bankrekeningnummer aan een daarbijhorend adres komen, vanwege de verscherpte privacy-wetgeving is dat thans onmogelijk. Aangezien we zo lang niet verschenen zijn durven we momenteel (nog) niet om nieuw abonnementsgeld te vragen, dat gaan we over een paar maanden wel doen natuurlijk, maar als je je niet kunt inhouden dan graag het abonnementsgeld 2010 (17,50 euro) overmaken naar rekeningnummer 5349231 ten name van Stichting De Stelling Muurkrant Kollektief te 's-Hertogenbosch (en zet je postadres er bij). Hartelijk dank vast en goeie groeten...

Dode taal


In Helsinki kunnen buitenlandse toeristen een rondleiding door de stad bestellen in vijf talen. Ze zitten in een tram en luisteren in een walkman naar engels, duits, frans, zweeds of latijn. Ja, het staat er echt: latijn, uitgesproken zoals wij van nu vermoeden dat de latijnen van 1500-2000 jaar geleden het spraken. Alsof Fins al niet moeilijk genoeg is voor die vakantiegangers. En het blijft niet bij sightseeing in Helsinki. De dame die in die tram trakteert op een dode taal is dezelfde die op de nationale radio eens per week op zaterdag het wereldnieuws vertelt, ook weer in de woorden van Ceasar en Cato de Oudere. Barack Obama die vene, vidi en vici. Uitgeluld ben je.
Nederlands is voor immigranten in principe een dode taal. Potjeslatijn. Letterlijk dus. 'n Recept van de dokter in het hollands? Zolang jij als allochtoon weet dat je dat recept hebt meegekregen omdat je koppijn hebt, maal je er niet om dat je dat papiertje niet lezen kunt. Nederlands moet dus voor immigranten tot leven worden gewekt. Twee omstandigheden vertragen dat proces. Het gebeurt nu onder dwang. En Nederland trekt zoveel immigranten dat die in hun moerstaal kunnen blijven leven.
Geweld is natuurlijk nooit de manier om iets tot leven te wekken. Mensen naar taalcursussen dwingen onder dreiging van geldboetes, uitzetting en wat niet al, werkt averechts en is alleen maar een uiting van onzekerheid van de kant van de dominante groep. 'n Nieuwkomer in Nederland kan met een voormalige landgenoot trouwen, naast voormalige landgenoten gaan wonen, bij het boodschappen doen in zijn eigen taal te woord worden gestaan en de krant kopen die hij thuis ook las.
Hier in Finland heb je nauwelijks immigranten, honderdduizend op een bevolking van vijf miljoen. Voor hen is het dus gemengd huwen, de buurman met een hoofdknik groeten, de opschriften op groente en fruit spellen en verrast opkijken omdat de kaas uit Edam komt. Hier worden zij niet naar een taal- of inburgeringscursus gedwongen omdat die niet bestaat. Het Finse woord voor integratie is assimmilatie.
Hier sterft dus de moedertaal. Eerst raakt ze verstild, in een versie die taalonderzoekers “eiland-taal" noemen, een taal die van buiten niet meer gevoed wordt. Dan wordt ze oud, archaisch, met woorden die voormalige landgenoten niet meer gebruiken en dus niet meer verstaan. En dan valt ze uit elkaar, raakt verward in de nieuwe taal van de omgeving, wordt haperend uitgesproken, houterig neergeschreven. Aangetast door Alzheimer.
Er zijn drie dingen die tot het eind in de moedertaal gebeuren. Tellen, lachen en doodgaan. Rekenen doen mensen altijd en overal in hun eerste taal. Ook humor is erg taalgebonden. Niets is beter dan een grap in je moerstaal. Al het andere is echter overgeheveld naar de andere, de tweede taal. Denken, dromen, beminnen, vloeken, pijn en paniek - alle hebben nieuwe woorden gekregen en een nieuwe lading.
Behalve doodsangst. Er is een film waarin een jonge man aanspoelt op een eiland. Hij wordt opgevangen door de plaatselijke bevolking, hij trouwt een vrouw uit hun midden, hij wordt vader etcetera. Maar dan wordt hij ziek, lijdt aan hoge koorts. Hij ijlt en roept in zijn moedertaal om water. Zijn vrouw begrijpt niet waarover hij het heeft en de man sterft aan uitdroging... (Joop Finland)

Vlaggen verboden


Wakker geworden door de warmte, vliegt een vleermuis op het juiste moment over de open kist met vlag. Het kerkgebouw was meer dan gevuld met mensen uit alle windstreken. De meeste aanwezigen hadden hun roots op een van de eilanden boven Australië. Zo ook de strijder in de kist.
Als vele van zijn eilandgenoten en bewoners van de andere eilanden was hij gedwongen naar de andere kant van de wereld, naar het land van zijn kolonisator te reizen. Dat land kwam, zoals uit economisch belang wel vaker gebeurd, zijn belofte niet na, ook wel VOC-gedachte genoemd.
Jan Viktor Kaisiëpo werd in 1948 geboren, in Korido op het eiland Biak. Hij groeide op in wat toen Hollandia, de hoofdstad van Nederlands Nieuw Guinea, heette. Als gevolg van zijn vaders verzet tegen de Indonesische overname, die in de Overeenkomst van New York (1962) geregeld was, kwam hij met zijn familie in oktober 1962 naar Nederland.
In 1980 leerde ik mijn vriend Jan Viktor kennen. Viktor was toen waarnemer namens de volken op Papua bij het IVde Russell Tribunaal over de rechten van de Indianen in Noord-, Midden- en Zuid Amerika in Rotterdam. Als we elkaar de jaren erna in een flits ergens tegenkwamen, zoals in de gangen van het ministerie van Buitenlandse Zaken, beide opkomend voor inheemse volken, herinnerde hij mij - altijd gekscherend - er even aan dat ik zijn leven aardig op zijn kop had gezet door hem bij het Russell Tribunaal te betrekken. Vanaf dat moment was hij in de voetstappen van zijn vader Markus Kaisiëpo getreden en werd zijn leven bepaald door de strijd voor zelfbeschikking van de volken op Papua en andere inheemse volken. We hadden niet veel woorden nodig om elkaar te begrijpen. Na het Russell Tribunaal was hij actief in de WIP - Werkgroep Indianen Project, later Working Group Indigenous Peoples en daarna Nederlands Centrum voor Inheemse Volken (NCIV).
Viktor nam deel aan vele VN-conferenties in Genève en New York, waarin onder meer gewerkt werd aan de VN-Verklaring over de Rechten van Inheemse Volken en was actief in een wereldwijd netwerk van inheemse leiders. Vele malen woonde hij lokale inheemse activiteiten bij, zoals bij Inuit in Noordoost Siberië, Indigenous Olympic Games in Brazilië en Fonda Indigena in Chili.
In 1991 in Den Haag was hij medeoprichter van de Unrepresented Nations and Peoples Organisation - UNPO en in 1992 in Penang van de International Alliance of Indigenous and Tribal Peoples of the Tropical Forests.
In de jaren '90 heeft hij drie jaar gewerkt bij de Nuclear-Free & Independent Pacific (NFIP) beweging op Fiji, maar kwam met meer ervaring toch terug naar Nederland om de rechtvaardige strijd voor zijn volk voort te zetten.
Viktor was buitenlandvertegenwoordiger van de inheemse raad van Papoea's Dewan Adat Papoea en de Europese vertegenwoordiger van het presidium van de Papua-raad. Beide organisaties beogen op vreedzame manier onafhankelijkheid voor West-Papua van Indonesië.
In 2002 kwam er een autonomiewet voor West-Papua na een groot Papua-congres waaraan ook Viktor Kaisiëpo deelnam. De Indonesische regering heeft delen van deze wet nog niet uitgevoerd en de Papua's worden nog onderdrukt en achtergesteld.
In 2003 werd hij voorzitter van de Grants Facility for Indigenous Peoples van de Wereldbank waar hij in 2005 mee moest stoppen vanwege politieke bezwaren van de Indonesische regering.
Sinds 2006 is hij voorzitter van de First People Worldwide Fund, een fonds dat inheemse initiatieven ondersteunt voornamelijk op het gebied van bossen en hun leefomgeving.
Tussen de politieke strijd door was hij een gewilde ceremoniemeester bij feesten van de Papua gemeenschap in Nederland.
Met het heengaan van mijn vriend Viktor Kaisiëpo verliezen de volken op Papua, als ook alle inheemse volken, veel te jong, een bevlogen, humoristische, doortastende, voor hun rechten opkomende strijder. Zijn vrouw, familie en vele met mij zullen zijn inspiratie missen. Viktor was al enige tijd ernstig ziek en overleed op 31 januari 2010. De dag ervoor was er op heel Papua voor hem gebeden
Voor zijn heengaan had hij gevraagd dat er tijdens een afscheidceremonie in het Amersfoortse kerkgebouw op 5 februari 2010 gesproken werd over politiek, inheemse volken en spiritualiteit. Ook had hij zelf de muziek en zang uitgekozen en verzorgde Otto Ap een traditionele opening en afsluiting. Op Papua was het niet alleen een nationale dag van rouw, maar ook de dag dat in 1848 de evangelisering van Papua begon.
Zelfs na zijn dood bleef Viktor actievoeren. Niet alleen met de Papuavlag over zijn kist, die op Papua verboden is, maar ook met een petitie voor de Indonesische regering. In deze petitie riep hij op om de ongeveer 170 mensen, die gevangen zitten wegens het vlaggen, onmiddellijk vrij te laten en het vlagverbod op te heffen.
Opmerkelijk is dat deze protestactie door een overleden Papua-strijder nagenoeg niet de media heeft gehaald.
Bij gelegenheid zal zijn as in de zee rond het eiland Biak uitgestrooid worden. (Govert de Groot op www.konfrontatie.nl)

Privacyspanningen


Heel langzaam lijkt er iets van een kentering te komen in de ongebreidelde informatiehonger die de overheid de laatste tien jaar heeft laten zien. Niet omdat die overheid, of politieke partijen, plotsklaps het licht hebben gezien. Het zijn vooral rechters die momenteel gaten schieten in de statelijke jacht op informatie. De verzamelwoede van de overheid heeft zich de afgelopen jaren gekenmerkt door de wens om van álle burgers informatie te verzamelen, los van enige concrete verdenking, en de wens om deze gegevens preventief te gebruiken. Waar vroeger informatie door de politie werd verzameld nadat een misdrijf was gepleegd, is het dominante idee nu dat als je maar genoeg informatiebergen doorzoekt, nog te plegen misdrijven kunnen worden voorkomen door preventieve interventie. We zien met andere woorden het ontstaan van de pre-crime society, zoals sommige wetenschappers het inmiddels hebben betiteld.
Een aantal rechterlijke uitspraken hebben echter grenzen gesteld aan deze pro-actieve aanpak. De hoogste Duitse rechter stak bijvoorbeeld een stokje voor de door de Europese Unie opgelegde verplichting om de verkeersgegevens van alle burgers vast te leggen. Juist de omvang van het sleepnet dat zo over de bevolking wordt uitgegooid, baarde de Duitse rechters zorgen. Informatie over communicatie van burgers opslaan mag op zich, zo luidde het oordeel, maar dan moet er wel iets van een verdenking in het spel zijn. De hoogste Europese rechters hadden eerder al Engeland terechtgewezen. De Britse politie slaat routinematig de DNA-gegevens op van iedereen die op wat voor manier dan ook met de politie in aanraking komt. Ook dat is een veel te grofmazige opsporingsmethode, oordeelde het Europese Hof. En onlangs deden ook Nederlandse rechters van zich horen. De politie Limburg-Zuid maakt gebruik van automatische nummerplaatherkenning. Als een gescand kenteken voorkwam in de databank, werden auto’s aan de kant gezet en doorzocht. De belangstelling ging vooral uit naar Marokkanen. Volgens de rechter is dit echter misbruik van bevoegdheden, omdat de auto’s niet op verdenking van overtreding van de Wegenverkeerswet aan een controle werden onderworpen, maar op basis van drugsgerelateerde feiten.
Of politiek en bestuur iets leren van deze uitspraken valt uiteraard nog te bezien. Toen geconstateerd werd dat politiekorpsen de wet overtraden door gescande kentekens veel langer te bewaren dan wettelijk was toegestaan, was de reactie veelzeggend: dan passen we de wet toch aan. Veiligheid boven alles is nog steeds de dominante denktrant in den Haag en omgeving. Alles wat eventueel een risico zou kunnen gaan vormen, moet in kaart worden gebracht en preventief aangepakt, of het nu gaat om criminaliteit, volksgezondheid, de jeugd of patiënten. De droom van de maakbare samenleving heeft plaatsgemaakt voor de droom van de individuele maakbaarheid: net zolang in het persoonlijke leven van mensen interveniëren totdat iedereen gezond leeft, zich netjes gedraagt, de kinderen vaak genoeg spinazie voorzet, zijn belasting betaalt, een rookfilter op de uitlaat heeft en integreert in polderland. Voorlopig zetten alleen rechters de politiek soms de voet dwars. Mocht Gekke Geert aan de macht komen dan zal ook dat – naar Italiaans gebruik – snel tot het verleden behoren. (Ronald van Haasteren op www.konfrontatie.nl)

Atalanta


Bij uitgeverij Atalanta is het boekje ‘welke vrijheid – essay over vrijheid en beschaving’ uitgekomen. Hierin gaat het om de vraag hoe een samenleving op vrijheid gegrondvest zou kunnen worden. Eerst moet dan het begrip ‘vrijheid’ onder de loep genomen worden, want het is te veelomvattend en daardoor te vaag om zondermeer gebruikt te kunnen worden. De flaptekst van het boek: “Vrijheid staat op een voetstuk, maar de ene vrijheid is de andere niet – zakkenrollers en zakkenvullers nemen de vrijheid om dingen te doen die niet altijd even sociaal gevonden worden. Binnen alle mogelijke vrijheden kan, vanuit het niveau van de samenleving gezien, onderscheid aangebracht worden tussen vrijheden die beter of slechter uitpakken. Of in andere woorden: vrijheden die beschaafder of onbeschaafder zijn. In dit essay wordt het een en ander gezegd over verschillende soorten vrijheid, over de verhouding van individu en samenleving, over schaarste en geld, over honger en kapitaal, over ellende en oorzaken, over straffen en regelen, over rijk en arm. Er blijkt genoeg aanleiding te zijn voor kritische opmerkingen, maar ook genoeg voor positieve verhalen”. In het boek ontstaat aan de hand van een paar simpele voorbeelden een verdeling in vier soorten vrijheid. Gaandeweg wordt dan ook duidelijk dat zowel individuen als samenlevingen vrijheid vaak een stuk serieuzer zouden kunnen nemen. Weia Reinboud (1950) studeerde een jaar natuurkunde, daarna sociale wetenschappen en later in zelfstudie filosofie. Zij schreef boeken (waaronder ‘Hoe komen kringen in het water – aardige filosofie’ en ‘Modellisme – over skepticisme en de productiviteit van het denken’), brochures en artikelen over uiteenlopende onderwerpen – vaak politieke, economische en ethische kwesties waarin vrijheid een onderliggend thema is. Weia Reinboud: “Het woord ‘vrijheid’ neemt men o zo vaak in de mond, maar bij nadere beschouwing blijkt dat er slechts heel bepaalde vrijheden bedoeld worden. Dat leidt tot een praktijk waarin men nogal eens een loopje neemt met allerlei vrijheden, in het bijzonder de vrijheden van anderen. Dat wilde ik eens wat nauwkeuriger onderzoeken, maar dan wel in essayvorm om ook allerlei interessante zijpaden te kunnen bewandelen. Intussen bevat het boek ideeën over hoe een samenleving op vrijheid gegrondvest kan worden. Mooi perspectief! Hoewel het zou kunnen dat veel mensen daar geen zin in hebben”. Zie www.at-A-lanta.nl

Zorgen moet je doen, niet maken


Loesje heeft een nieuw boekje uitgebracht met als titel “Zorgen moet je doen, niet maken”. Met dit boekje wil Loesje iedereen die in de zorg werkt in de bloemetjes zetten. De zorg slaat toe. De werkdruk in de zorg is hoog. Privatisering zorgt voor bezuinigingen en daardoor is er vaak minder personeel en minder aandacht voor de patiënt. Mensen die in de zorgsector werken, rennen de longen uit hun lijf. Patiënten en cliënten krijgen vaak niet de zorg die ze nodig hebben. Loesje bewondert de kracht van mensen die in de zorg werken en wil hen daarom een ode brengen. Loesje schreef het boekje samen met honderden mensen die in welzijns-,hulpverlenings- en zorgorganisaties werken. In het boekje stelt ze misstanden in de zorg aan de kaak op de voor haar zo typische manier: met humor en een welgemikte trap in de goede richting. Maar Loesje heeft ook in levende lijve odes voordragen aan mensen die in de zorg werken. Ze is de afgelopen weken door Nederland getrokken om de harde werkers in de zorg een hart onder de riem te steken. Hieronder de
Ode aan wie in de zorg werkt:
Je kleedt je je 's ochtends
zo snel mogelijk aan,
neemt vlug je ontbijt,
tijd om te gaan
wetende dat dit allemaal
nog minstens tien keer die dag
moet worden over gedaan.

Elke dag weer help je
tientallen mensen uit bed.
Je kleedt ze aan,
je geeft ze eten,
of je verzorgt ze na
operaties, bevallingen en kuren.

Je geeft ze een prik,
je stelt ze gerust
je bewondert hun baby of
je maakt hun oudste dag
mooi.

Je geeft mensen
een vorstelijke behandeling
Je bent hun verlengstuk,
hun extra paar handen,
hun mogelijkheid om
te kunnen genieten van hun leven.

Je spreekt troostende woorden,
Waar haal je ze vandaan?
Je hebt altijd erger gezien,
en je weet ook dat het soms over gaat,
hoe mensen ergens mee kunnen leren leven.

Je maakt in een werkdag tientallen levens mee
je verlicht ze
verlucht ze
verandert ze
verzorgt ze

Je werk is meer dan een product op de markt.
jouw grote hart en gouden handen
zijn onbetaalbaar.

Een groots, diep enorm respect
heb ik,
dat mag ook wel eens gezegd.

Weet, dat je er toe doet.
Dat jouw werk doet leven.
Je geeft het leven zin,
en de mensen moed.

Ga zo door,
je doet het goed!

Europese acties tegen wapenhandel in beeld


Als grote wapenexporteurs zijn Europese landen medeverantwoordelijk voor veel geweld en armoede in de wereld. Daarom zijn er overal groepen actief om de Europese wapenhandel de voet dwars te zetten. Hun werkwijzen variëren van lobby tot directe actie, hun doel is hetzelfde: minder wapens, minder slachtoffers. Ook als dat indruist tegen directe economische of politieke belangen.
Het European Network Against Arms Trade en de Campagne tegen Wapenhandel presenteren op vrijdagavond 28 mei een aantal van deze acties, variërend van lobby tot directe actie. Het programma vindt plaats in Amsterdam. Wie liever thuis blijft kan het programma ook live volgen via een weblog op www.stopwapenhandel.org. Online mee debatteren is mogelijk. Het vindt plaats bij IIRE, Lombokstraat 40, Amsterdam op vrijdagavond 28 mei 2010. Informatie en aanmelden via www.stopwapenhandel.org

Opruimingsactie op Volkel


Zaterdag 3 april werd er actie gevoerd op vliegbasis Volkel, een manifestatie tegen de opslag van kernwapens aldaar. Aansluitend vond er een 'opruiminsactie' plaats, waarbij mensen probeerden de basis te betreden om richting kernwapens te gaan. Op Vliegbasis Volkel liggen atoombommen, naar verluidt gaat het om in totaal 20 kernwapens met een totale explosieve kracht van maximaal 280 keer de bom op Hiroshima. Atoombommen zijn de meest destructieve massavernietigingswapens ooit ontwikkeld. De effecten van een kernexplosie zijn noch in tijd, noch in ruimte te controleren en treffen zonder onderscheid militairen en burgers.
Het Internationaal Gerechtshof in Den Haag heeft in zijn uitspraak van 8 juli 1996 geconcludeerd dat het dreigen met en het gebruik van kernwapens in het algemeen in strijd zijn met het internationaal recht. Ook concludeerde het Hof dat in voorkomend geval voldaan zou moeten worden aan alle vereisten van het volkenrecht inzake gewapende conflicten, in het bijzonder aan die van de beginselen en regels van het internationaal humanitair recht. En nadrukkelijk werd vastgesteld dat geen enkele staat een voorbeeld van rechtmatig gebruik van kernwapens aan het Internationaal Gerechtshof heeft weten voor te leggen.
Tevens werd door het Hof uitgesproken dat kernwapens de ultieme bedreiging vormen voor de mensheid. Het Hof oordeelde verder dat artikel VI van het Nonproliferatieverdrag (NPV) alle kernwapenstaten uitdrukkelijk de verplichting oplegt op korte termijn alle kernwapens weg te onderhandelen. Nederland ondertekende dit verdrag in 1968 en verklaarde daarmee geen kernwapenstaat te zullen worden en af te zien van het bezitten van kernwapens. De Nederlandse regering handelt niet naar deze verklaring. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat (inmiddels demissionair) minister Verhagen van Buitenlandse Zaken vorig najaar in de Tweede Kamer bij herhaling aangaf vooralsnog vast te willen blijven houden aan de Nederlandse kernwapentaak en de aanwezigheid van Amerikaanse kernwapens in Nederland. Amerikaanse kernwapens in Europa blijven volgens hem een beschermende functie vervullen. Gezamenlijk NAVO-beleid moet daarin volgens Verhagen als richtsnoer genomen worden.
Het vigerende Strategisch Concept van de NAVO is duidelijk over het behouden van een kernwapen-arsenaal in Europa en mogelijke inzet daarvan: "To protect peace and to prevent war or any kind of coercion the Alliance will maintain for the foreseeable future an appropriate mix of nuclear and conventional forces based in Europe and kept up to date where necessary, although at a minimum sufficient level. [...] the Alliance's conventional forces alone cannot ensure credible deterrence. Nuclear weapons make a unique contribution in rendering the risks of aggression against the Alliance incalculable and unacceptable. Thus, they remain essential to preserve peace."
Dit beleid werd in september 2009 nog eens bevestigd in een beleidsdocument van de NAVO over proliferatie van massavernietigingswapens. Binnen dit kader, oefenen de op Volkel gestationeerde Nederlandse en Amerikaanse troepen actief voor mogelijk gebruik van de daar liggende B61-kernbommen, die met Nederlandse F16's naar een doelwit zouden worden gevlogen. Die doelwitten liggen in of in de nabijheid van steden of dorpen. Dergelijk gebruik van kernwapens is in strijd met zowel beginselen als regels van het internationaal humanitair recht. Zodoende is er sprake van voorbereiding van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Naar Nederlands recht zijn die voorbereidingen op zichzelf al misdadig.
Enige mogelijke conclusie is dan ook dat de Nederlandse staat handelt in strijd met het internationaal recht, met het eigen strafrecht en met het door haar zelf ondertekende NPV.
Als bewoner van Nederland ben ik medeverantwoordelijk voor deze rechtsschendende handelwijze van de staat en heb ik, volgens de universeel geldende Neurenberg-principes, niet alleen het recht maar ook de plicht om te proberen de staat daarvan te weerhouden. Ik doe dat door mee te doen aan deze openlijk aangekondigde geweldloze 'opruimingsactie' op deze plek waar kernwapens liggen. Die - ingezet door Nederlandse vliegtuigen met Nederlandse piloten - op misdadige manier een humanitaire ramp van onvoorstelbare omvang zullen veroorzaken. Ik sta erop dat de kleine overtreding die ik begaan zou hebben door een
onafhankelijke rechter wordt afgewogen tegen de grote misdaad die de Nederlandse overheid begaat ten opzichte van het internationaal recht, het eigen strafrecht en het door haar ondertekende NPV. Ik ben van mening dat niet ik zou moeten worden vervolgd, maar degenen die verantwoordelijk zijn voor of bewust meewerken aan de misdadige voorbereidingen van het gebruik van B61-atoombommen.

De Paap (1978-2010)


De vooruitzichten om ons heen zijn ronduit verontrustend. Naast de toenemende verhuftering en platheid van het "publieke debat" zien we een opkomend populisme dat alleen nog maar zal versterkt door de voorgenomen drastische bezuinigingen op onze collectieve voorzieningen. Althans op die gedeelten die er nog over zijn na het afbraakbeleid van de afgelopen kabinetten balkenende één tot en met zoveel.
Ook hier in het stadje DenBosch ziet het er allemaal erg treurig uit. Er wordt “gewerkt” aan een bestuurscoalitie die zo breed is dat ie rechts is. De uitverkoop van het verleden van het openbaar vervoer, de nutsvoorzieningen en het woningenbezit zal ervoor zorgen dat de gemeentelijke overheid in grote problemen zal komen bij dr drastische bezuinigingen die het rijk richting de gemeenten zal doorvoeren vanwege de schandelijke verrijking der rijken (de zogenoemde kredietcrisis, die natuurlijk feitelijk een crisis van het “nooit genoeg en alsmaar meer en meer” is). De dramatisch lage opkomst van de recente gemeenteraadsverkiezingen spreken boekdelen maar leiden er vremd genoeg nooit toe dat er een fundamentele discussie wordt gevoerd over de voor- en nadelen van de parlementaire democratie die wij heden ten dage “hebben”. Dat er een overgrote meerderheid mensen is die geen stem geven aan al die politieke partijen en bestuurders zou toch ernstige bedenkingen moeten opwekken over de legitimiteit van “onze” bestuurdersters? Maar nee hoor, “ze dronken verder uit hun glas, deden nog een plas en leietn alles zoals het was”.
Op zaterdag 17 april is het alweer 32 jaar geleden dat een stel jonge krakersters het toen leegstaande ziekenhuis 'Joan de Deo' aan de papenhulst in DenBosch als woonruimte in gebruik namen. Tot op de dag van vandaag is “De Paap” een bloeiende woon- & werkgemeenschap die enig tegenwicht wil bieden aan die verdoorgevoerde privatisering van collectiviteit om ons heen. Zelfwerkzaamheid en solidariteit zij begrippen die nog regelmatig - zonder enige schaamte – in de mond genomen worden.
Op diezelfde zaterdag 17 april vanaf een uur of negen 's-avonds is een feest in De Paap om dat alles met een potje bier en een muziekske te vieren. Breng een opgewekte solidariteit mee en je bent welkom & veel sterkte in de komende tijd, een periode van hopelijk toenemend verzet tegen de afbraak van alles wat we juist zouden moeten koesteren...

Dit bericht is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 434, 9 april 2010

  • Geschreven door Archivaris
  • Categorie: 434
  • Hits: 2