• Archivaris
  • 365

Kabbala & Gnosis (deel 2)

In het vorige Kleintje beschreef ik een aantal overeenkomsten tussen de vroege kabbala en de klassieke gnostiek. In dit tweede deel wil ik overwegen hoe deze occulte stelsels later zijn geïnterpreteerd, door zowel niet-joden als joden.

door Peter Edel

De kabbala, zoals die in de Middeleeuwen tot bloei kwam, geldt als een theosofisch stelsel. Dat wil zeggen: als een religieus systeem dat aanspraak maakt op een diepere dan de gewone kennis. Dezelfde definitie is van toepassing op de 'Theosofische Vereniging', die in 1875 door o.a. Helena Petrovna Blavatsky (1831-1891) werd opgericht (1). Het is dan ook niet toevallig dat er naast veel aspecten uit de klassieke gnosis, ook kabbalistische elementen een plaats kregen binnen Blavatsky's theosofie. Evenals in de gnostiek en de kabbala, werd de transformatie van de mens naar het spirituele ook binnen de Theosofische Vereniging een centraal thema. Wat Blavatsky -die ook wel HPB werd genoemd- hieraan toevoegde was een totaal onwetenschappelijke geschiedenis over het ontstaan van het menselijk ras, die voor een belangrijk deel was opgehangen aan mythologische verhalen over verdwenen continenten.
De denkbeelden van Blavatsky waren in sterke mate op raciale leest geschoeid, maar tegelijk volledig irrationeel van karakter. Dat laatste blijkt uit het raciale onderscheid dat Blavatsky tussen verschillende bevolkingsgroepen herkende, die aan de hand van wetenschappelijke maatstaven alleen in cultureel en religieus opzicht van elkaar verschillen. Dat de rassenwaan van HPB geen enkele rationele grond kende, nam niet weg dat het een belangrijke rol speelde in haar opvattingen.
Het ontstaan van het 'arische ras' op het continent Atlantis, zag Blavatsky als een belangrijke stap op weg naar een spirituele evolutie van de mens. Het is van belang hier op te merken dat zij het daarbij zeker niet over de gehele mensheid had. Want het onderscheid tussen de pneumatische en de hylische mens uit de klassieke gnostiek, kwam overduidelijk bij HPB tot uitdrukking. De ariërs waren naar haar mening het hoogste geëvolueerde menselijk ras op aarde. Andere bevolkingsgroepen, die door Blavatsky als een afzonderlijk ras werden beschouwd, kenden voor haar een lagere graad van evolutie. Om die reden was alleen het arische ras in staat om naar een zuiver spirituele toestand "terug te keren. Andere 'rassen' waren te sterk met de materie verbonden om tot zo'n wonderbaarlijke transformatie in staat te zijn, meende HPB. Ook joden, die in haar belevingswereld zonder meer raciaal verschilden van andere bevolkingsgroepen in Europa, vielen voor haar af. Joden behoorden volgens HPB zonder meer tot "de rassen die hun plaats in de materie kennen".
Moderne theosofen wijzen er op dat Blavatsky naar verbroedering tussen de verschillende menselijke rassen streefde, maar tegelijk sprak zij over een geheel op materie gerichte "Semitische kosmogonie". Dergelijke anti-joodse uitspraken konden niet verhinderen dat een deel van haar occulte denkbeelden gebaseerd was op een mystieke leer die oorspronkelijk aan het judaïsme was verbonden. Gnostisch/kabbalistische invloeden waren, zoals ik eerder al schreef, goed herkenbaar in de opvattingen van Blavatsky over een spirituele evolutie. Verwijzingen naar de kabbala komen in haar werk dan ook herhaaldelijk naar voren. Wat ik me afvraag is of HPB haar inspiratie over verdwenen continenten ook in de kabbala vond. Er bestaan aanwijzingen in die richting. Zoals een occulte theorie waarin de oorsprong van de kabbala op het door Blavatsky beschreven Lemuria en Atlantis wordt gezocht (2). Veel schiet men met dergelijke fantasievolle hypothesen niet op, maar het blijft interessant dat in het kabbalistische geschrift Zohar staat beschreven dat, voor het ontstaan van de huidige wereld, verschillende andere 'werelden' zijn vergaan (3). De stap van de verdwenen werelden uit Zohar naar de verdwenen continenten van Blavatsky lijkt vervolgens niet al te groot (4).

Guido von List
Blavatsky was zeker niet de enige occultist in haar tijd die de kabbala aan raciale principes koppelde. De kabbala kwam tevens naar voren in het denken van de Oostenrijker Guido von List (1848-1919); destijds één der grootste inspirators van het arische bewustzijn. List vond dat de arische Duitsers, vanwege hun status als 'Übermenschen', een vooraanstaande plaats in de wereld verdienden. Joden waren volgens hem het resultaat van seksuele contacten tussen ariërs en 'mislukte schepsels' die ontstonden op de verdwenen continenten van Blavatsky. Vanwege hun inferieure raciale kenmerken konden joden volgens von List in de toekomst alleen nog als slaven voor ariërs dienen. Het zal duidelijk zijn dat de arische mythe door von List gecombineerd werd met een ongekend antisemitisme. Maar ondanks zijn evidente afkeer van joden kende hij zoals gezegd veel belang toe aan de kabbala. Dat komt evenals bij HPB tegenstrijdig over, maar von List had een verklaring. Waarschijnlijk omdat de invloed van niet-joodse mystiek duidelijk herkenbaar is in de kabbala, meende von List dat de kabbala van oorsprong arisch was en door joden van de ariërs was gestolen. In de laatste fase van zijn leven werkte hij aan een manuscript, getiteld "Armanismus und Kabbala". Daarin wilde hij de arische oorsprong van de kabbala aantonen, maar door zijn overlijden kwam het nooit tot publicatie (5). Dat ik von List hier specifiek noem, komt vooral omdat zijn opvatting over de arische oorsprong van de kabbala, destijds min of meer representatief was voor de antisemitische benadering van deze aan het judaïsme verbonden mystieke stroming.

Rabbijn Luria en rabbijn Kook
Omdat niet-joodse occultisten zich in de laatste eeuwen zo sterk met de kabbala hebben geassocieerd, wordt de indruk gewekt dat deze mystieke leer tegenwoordig nauwelijks nog een rol speelt in het joodse geloof. Die indruk wordt bevestigd als naar publicaties over de kabbala wordt gezocht. Op zich is het geen enkel probleem om boeken te vinden over dit onderwerp. De gemiddelde new age boekhandel heeft wat dat betreft over het algemeen een ruim aanbod. Maar in praktisch alle gevallen gaat het daarbij om niet-joodse interpretaties, die in veel opzichten aan de specifiek joodse uitleg van de kabbala voorbij gaan; zeker aan de wijze waarop dat tegenwoordig gebeurt. Boeken waar de kabbala vanuit een joods perspectief wordt verklaard, verschijnen vrijwel uitsluitend in Israël en worden zelden vertaald. Helaas, want uit dergelijke publicaties ontstaat de meest realistische indruk over de kabbala. Joodse/Israëlische auteurs die over dit thema in westerse talen hebben gepubliceerd, of waarvan de boeken zijn vertaald, blijken vaak een verkeerde voorstelling van zaken te geven. Daardoor worden ze als bron irrelevant; dat geldt tevens voor auteurs die in dit verband veel aanzien hebben verworven. Om deze reden is wezenlijke informatie over de joodse interpretatie van de kabbala uiterst beperkt toegankelijk; dat geldt ook voor joden in de wereld die het hebreeuws niet machtig zijn. Een uitzondering vormt natuurlijk de Israëlische bevolking, waar kennis van deze taal over het algemeen geen probleem is, al zullen de vele emigranten die in het laatste decennium uit Oost-Europa naar Israël zijn geëmigreerd eveneens vaak in het duister tasten.
De kabbala vormt voor veel gelovige Israëliërs een belangrijk onderdeel van de religieuze beleving. Vooral onder joodse fundamentalisten, die zo'n 20% van de Israëlische bevolking vertegenwoordigen, is de kabbala van groot belang. Het in de klassieke gnostiek nauwkeurig omschreven onderscheid tussen de pneumatische en hylische mens komt in deze kringen vaak zo afgetekend naar voren dat van regelrecht racisme gesproken kan worden. Een dergelijke benadering van de kabbala komt in de joodse staat nadrukkelijk naar voren met de kolonistenorganisatie Gush Emunim (6). De kabbalistische opvattingen binnen Gush Emunim zijn gebaseerd op de interpretatie die de in Egypte opgegroeide rabbijn Yitzhak Luria in de 16e eeuw aan de kabbala gaf (7). Luria benadrukte de kabbala als onderdeel van het judaïsme, door er de profetieën uit het Oude Testament over de terugkeer van het joodse volk naar het beloofde land aan te koppelen (8). De denkbeelden van Luria werden een inspiratiebron voor verschillende Messiaanse stromingen binnen het jodendom. Zo waren zijn ideeën van invloed op de beweging van de 'valse Messias' Sabbatai Zevi, die zijn volgelingen in de 17e eeuw opriep om naar Palestina te vertrekken. Een eeuw later baseerde de Hassidische beweging zich eveneens op de 'Luriaanse kabbala'.
Ook in het moderne Israël worden de denkbeelden van Luria nog altijd aan het Messiaanse verwachtingspatroon verbonden. De militante rabbijn en kabbalist Abraham Yitzhak Kook, die in 1905 vanuit Rusland in Palestina terecht kwam, liet zich eveneens door de kabbalistisch/Messiaanse denkbeelden van Luria inspireren. De stichting van een staat voor joden in Palestina was voor Kook een onverbiddelijke voorwaarde voor de komst van de joodse Messias. Om dat te bereiken was hij bereid tot verregaande concessies op religieus gebied. Zelfs een samenwerking met het atheïstische zionisme van Theodor Herzl ging hij niet uit de weg. Daarmee brak Kook met de traditionele overtuiging van religieuze joden die vonden dat de atheïstische zionisten met hun streven naar een joodse staat tegen Jahweh rebelleerden. Kook meende dat de atheïstische zionisten door hun ongeloof onmogelijk tot ketterij in staat waren. Het was volgens hem juist vanwege dat atheïsme waarom zij volgens hem door het Opperwezen waren uitgeverkoren om de stichting van een joodse staat te verwezenlijken. Voor Kook maakten atheïstische zionisten als Theodor Herzl en Ben Goerion deel uit van een door Jehova uitgestippeld traject, dat uiteindelijk tot de komst van een joodse Messias moest leiden (9).
De opvattingen van rabbijn Kook waren in het begin van de 20e eeuw niet bepaald gemeengoed onder religieuze joden, die het zionisme toen nog vooral als rebellie tegen God beschouwden. Aangezien afwijkende meningen hier niet werden getolereerd, bestond er voor Kook alle reden om vervolging te vrezen. Daarom ging hij uiterst voorzichtig te werk en schreef hij nooit direct wat hij bedoelde. Maar expliciet taalgebruik vermeed hij tevens om te voorkomen dat atheïstische zionisten zich aan zijn religieuze denkbeelden zouden storen. Kook bevond zich in een moeilijke positie. Aan de ene kant meende hij het atheïstische zionisme nodig te hebben om de weg te effenen voor de Messias, maar tegelijkertijd waren ongelovige zionisten als Theodor Herzl en Ben Goerion in zijn ogen niets anders dan grote zondaars.

De Messias op een zionistische ezel
Rabbijn Kook hield er merkwaardige standpunten op na. Om te bewijzen dat de rol van de atheïstische zionisten essentieel was in de plannen van Jehova, verwees hij naar het boek Zacharias (9:9) uit het Oude Testament, waarin een verlosser wordt geprofeteerd die zich verplaatst op een ezel. Voor Kook symboliseerde dit dier de rol van de atheïstische zionisten bij de komst van de Messias. Zij waren zoals Kook het stelde: "the Messiah's donkey".
Dat verhaal van die ezel koos Kook niet zomaar, want dit hoefdier kent een bijzondere -hoewel tegenstrijdige- plaats in de judaïstische traditie. Dat komt enerzijds omdat een ezel over twee uiterlijke kenmerken van 'onzuiverheid' beschikt (en dat terwijl het zeer onkosjere varken er maar één heeft). Toch verhindert dit onzuivere uiterlijk niet dat het innerlijk van de ezel als zuiver wordt beschouwd door religieuze joden. Omdat de zuivere kant van dit dier naar hun mening in het ezelsveulen wordt gemanifesteerd, beschouwen zij het eerste nageslacht van een ezel als iets heiligs. Het was in deze combinatie van het onzuivere en het heilige, waarin rabbijn Kook de voorspelling herkende dat het atheïstische zionisme de weg zou effenen voor de joodse Messias (10).

Kook's rassenwaan
Voor Kook was de komst van de Messias een puur joodse aangelegenheid en zo denkt men er bij Gush Emunim nog altijd over. Hoewel ervan uit wordt gegaan dat deze gebeurtenis ook aan de rest van de wereld niet voorbij zal gaan, heerst onder joodse fundamentalisten toch vooral de overtuiging dat de spirituele verlossing, die met het verschijnen van de Messias een aanvang zou nemen, uitsluitend is weggelegd voor joden. Seculiere joden kunnen als het zover is eventueel weer tot hun religieuze beginselen terugkeren na een proces van berouw. Maar voor de gojim is dat uitgesloten, omdat zij volgens de kabbala manifestaties van Satan zijn. Een uitzondering wordt in dit verband gevormd door niet-joden die zich tot het judaïsme hebben bekeerd. Rabbijn Kook beschouwde hen als "joodse zielen" die per ongeluk in een niet-joodse lichaam terecht kwamen op een moment dat Satan niet met zijn handen van de Shekhinah af kon blijven (11). Dit strikte onderscheid tussen joden en niet-joden is een indicatie dat de denkbeelden van Kook op raciale principes waren gebaseerd. In tal van opzichten komt hij daarom naar voren als de joodse tegenhanger van occultisten als Madame Blavatsky en Guido von List. Dat bleek als hij sprak over fundamentele verschillen tussen joden en niet-joden: "The difference between Jewish soul, its unique inner character, desires, strivings, quality and attitudes and that of the souls of all nation of the world is greater and more profound than the difference between the soul of a human being (who is not a Jew) and that of an animal. Between the latter two there is only a quantitative difference, whereas between the former two there is an inherent qualitative difference" (12).
Als de Messias zijn opwachting mocht maken, dan was het voor Kook duidelijk wie de baas werd: "All the nations will be one unit, but above them there will be a kingdom of priests and an holy nation" (13). Er bestond voor Kook weinig onduidelijkheid over wat er in dat geval met de gojim moest gebeuren. Kook dacht aan een herinvoering van de slavernij, zoals in het Oude Testament werd beschreven. Als de Messias eenmaal was verschenen zou de gehele mensheid volgens Kook erkennen dat: "... after correction of the heart, which will become pure, full of integrity, forgiveness, loving-kindness and mercy, it is fitting and proper for lesser among human beings to be given to domination of the superior ones, and to those who are righteous and wise of heart, whose concern for them will be like a concern for a possession, and in this they will find their happiness and security in life" (14). Voor rabbijn Kook konden gojim letterlijk nooit iets goed doen. Redenerend vanuit de Luriaanse kabbala, vond hij dat een goede daad van een slecht persoon hoe dan ook tot het rijk van het kwaad behoorde. Zelfs voor de meest positieve opstelling van niet-joden ten aanzien van het jodendom, had Kook geen goed woord over. Een zonde van een jood was voor Kook lang niet zo erg als een goede daad van een niet-jood. Goede daden van niet-joden versterkten volgens hem de macht van de Satan, terwijl de zonde van een jood naar zijn mening gevuld was met "a great light and much salvation".
Rabbijn Kook kwam in 1935 te overlijden, waardoor het de vraag is wat hij van de niet-joodse linkse activisten zou hebben gevonden die de bestrijding van antisemitisme in de naoorlogse periode tot één van hun politieke uitgangspunten hebben genomen. Tevens is het de vraag wat zijn gedachten zouden zijn geweest over de niet-joden, die tijdens de Tweede Wereldoorlog hun deuren openden voor joodse onderduikers. Strikt geredeneerd moet ook hun handelen de macht van Satan versterkt hebben volgens de opvattingen van Kook. Die indruk wordt bevestigd als blijkt dat er voor deze kabbalistisch geïnspireerde rabbijn een speciale rol in het plan van het Opperwezen was weggelegd voor slachtoffers van oorlogsgeweld. Hoewel Kook zich in het algemeen heeft uitgelaten tegen de onnodige inzet van geweld ten aanzien van niet-joden (zowel als tegen dieren; Kook was vegetariër en respecteerde zelfs de rechten van planten), was hij verrukt over de dood van miljoenen soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog, omdat dit naar zijn mening een teken was dat de komst van de Messias aanstaande was (15). Na zijn dood werd Abraham Yitzhak Kook opgevolgd door zijn zoon rabbijn Tzvi Yehuda Kook. Die had niet de kennis van zijn vader, maar door zijn charismatische persoonlijkheid wist hij toch een enthousiaste aanhang te verwerven. Tot zijn dood in de jaren zeventig, droeg Tzvi Yehuda Kook het gedachtegoed van zijn vader uit. Hij stond tevens aan de basis van de Gush Emunim-beweging.

New Age
In dit artikel heb ik beschreven hoe kabbalistische en gnostische beginselen aanleiding hebben gegeven tot raciale denkbeelden onder joden en niet-joden. Is iedere gnosticus of kabbalist daarom een racist? Nee, want zowel voor joden als niet-joden geldt dat dit zeker niet in z'n algemeenheid zo gesteld kan worden. Er zijn veel religieuze joden die de kabbala beoefenen zonder een vlieg kwaad te doen, terwijl ik hetzelfde kan schrijven over niet-joden die zich in deze occulte materie verdiepen. Het is zeker niet zo dat het gehele new age publiek als racistisch kan worden aangemerkt, omdat gnostiek en kabbala hier als belangrijke invloeden gelden. Evenals aan joodse zijde, worden beginselen uit de gnostiek en de kabbala door velen binnen de new age beweging gevolgd, zonder dat raciale kwesties ooit een rol zullen spelen. Dat kan ook heel goed want een groot gedeelte van de gnostiek en de kabbala heeft niets met rassenwaan te maken.
Maar waakzaamheid blijft geboden, want ook binnen de uitleg die tegenwoordig door occulte bewegingen aan gnostiek en kabbala wordt gegeven, kunnen nog altijd racistische tendensen ontstaan. Wat betreft het niet-joodse occultisme hoef ik daar niet lang over uit te wijden, want vooral in de jaren negentig is er veel in Kleintje Muurkrant verschenen over raakvlakken tussen occultisme, de new age beweging, racisme, antisemitisme en extreemrechts. En als dat niet genoeg blijkt, is er altijd nog de website van de 'Stichting Informatie Maatschappelijke Problemen Occulte Stromingen' (SIMPOS), waar de racistische neigingen van talloze niet-joodse occulte stromingen in alle toonaarden staan beschreven. Daar komt nog bovenop dat ook in de reguliere pers het één en ander te doen is geweest over occultisme en raciale beginselen, naar aanleiding van de discussie over de ideeën van Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie.
Kortom: voor de relatie tussen niet-joods occultisme en racisme is in de laatste jaren wel de nodige aandacht geweest. Maar hoe staat het met de aandacht voor de racistische uitleg die fundamentalistische joden in Israël tegenwoordig aan de kabbala geven? Eerlijk gezegd komt het omdat de eerder dit jaar overleden mensenrechtenactivist Israel Shahak mij hier ooit op gewezen heeft, anders had ik nu niet het geringste vermoeden gehad dat kabbalistische principes de drijfveer vormen van de Gush Emunim-kolonisten. Buiten Israël wordt over dit onderwerp vrijwel nooit iets geschreven. Het contrast met de media-aandacht voor het occulte racisme binnen een niet-joodse context, is daarmee groot. Als weer eens blijkt dat de raciale opvattingen van Rudolf Steiner op het lesprogramma van de Vrije Scholen staan, dan zijn de media er als de kippen bij om dit feit aan de kaak te stellen. Maar als het om het racisme gaat dat joodse kolonisten in de bezette gebieden uit de kabbala destilleren, dan blijken diezelfde media daar niet eens het geringste besef van te hebben. Begrijp me goed: ik ben de eerste om niet-joodse occulte stromingen aan te spreken op racistische denkbeelden. Maar tegelijk vind ik dat met dergelijke kritiek niet eenzijdig kan worden omgesprongen. Als je het ene racisme aanvalt om het andere te ontzien, verdedig je -bewust dan wel onbewust- al snel de meest verwerpelijke ideologieën.

Hoewel het racisme binnen de antroposofie en de theosofie op geen enkele manier kan worden goedgesproken, betreft het tegelijkertijd een vrijwel theoretische aangelegenheid. Ik kan mij in ieder geval niet herinneren dat er in de naoorlogse periode iemand is geweest, die zich door het raciale denken binnen deze occulte stromingen heeft laten bewegen tot het plegen van een antisemitische of racistische daad. Dit in tegenstelling tot de uitleg die in Israël aan de kabbala wordt geven. Het dagelijkse getreiter van Palestijnen maakt duidelijk dat de racistische opvattingen, die joodse fundamentalisten uit de kabbala hebben gehaald, zeker niet bij theorie blijven. En daarmee is de kabbala één van de factoren die een doorbraak in het conflict tussen Israël en de Palestijnen in de weg staat. Om die reden zal ik dit tweedelige artikel naar de samenstellers van de SIMPOS-website sturen. Een verwijzing naar het occulte racisme van rabbijn Kook en zijn Gush Emunim-volgelingen mag m.i. op die plaats niet ontbreken.

noten:
1. Artikelen over onderandere madame Blavatsky en de theosofie zijn vooral tussen 1995 en 1997 in Kleintje Muurkrant verschenen. Zie het digitaal archief op internetadres www.stelling.nl/kleintje
2. "Grundzuge der Kabbalistiek", Roland Dionys Jossé (jaartal onbekend).
3. "There were old worlds, which perished as soon as they came into existence: were formless, as they were called sparks. Thus the smith, when hammering the iron, lets the sparks fly in all directions. These sparks are the primordial worlds which could not continue, because the Sacred Aged had not as yet assumed his form, and the master was not yet at his work". Indra Suta, Zohar, iii.292b. The Royal Masonic Cyclopedia, pagina 408, Kenneth MacKenzie, 1877, The Aquarian Press, Wellingborough, Northamptonshire.
4. Als er onder de lezers van het Kleintje iemand is die meer weet over verbanden tussen de verdwenen continenten van Blavatsky en de kabbala, dan hoor ik daar vanzelfsprekend graag over.
5. "De Arische Gnosis", afstudeerscriptie Jan Willem de Groot (pagina 149).
6. Zie over de Messiaanse opvattingen van Gush Emunim verder het artikel "Extreem religieuze bewegingen in Israël" deel 1 in Kleintje Muurkrant 340.
7. "Jewish Fundamentalism in Israel", Israel Shahak en Norton Mezvinsky (pagina 57-62).
8. De Luriaanse kabbala was mede een reactie op het oplaaiende antisemitisme in de periode waarin Luria leefde. Los van Luria is in de geschiedenis van de diaspora vaker gebleken dat de nadruk op een terugkeer naar het beloofde land sterker werd naarmate er meer vervolgingen plaatsvonden. Zie in dit verband verder: "De joodse natie in droom en daad", Maxime Rodinson, Uitgeverij EPO, Berchem-Antwerpen, 1981 (pagina 79).
9. "Jewish Power, Inside the American Jewish Establishment", J.J. Goldberg, Addison-Wesley, Reading Massachusetts, 1996 (pagina 155).
10. "What kind of repentance? What kind of redemption?" Ha'aretz book supplement, 17-5-2000.
11. "Jewish History, Jewish Religion, the Weight of Three Thousand Years", Israel Shahak (pagina 16).
12. zie noot 10.
13. idem
14. idem
15. "Jewish Fundamentalism in Israel", Israel Shahak en Norton Mezvinsky (zie de inleiding).

Nog even dit: mijn criticus Peter Zegers is zo vriendelijk geweest om de redactie van het Kleintje te wijzen op een vervelende fout die in het artikel "El-Moumni en de morele pikorde der minderheden" in Kleintje nummer 363 is geslopen. Ik schreef daar over anti-joodse passages in het Oude Testament, maar dat had natuurlijk anti-homo passages moeten zijn.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 365, 1 maart 2002

  • Hits: 262

Kleintje Muurkrant - Postbus 703 - 5201 AS - 's-Hertogenbosch