Elke avond om kwart over zes wordt ons straatje versperd door een Germaanse god. Odin leest het in kloeke letters op de al even kloeke vrachtwagen. Odin is de naam van de handel in antroposofisch allerlei waarvan het winkeltje tegenover ons afnemer is. Het Germaanse vrachtje wordt gelost op een christelijke tijd, als de buurt zit te eten, en om die reden door die buurt tot nu toe gedoogd. Maar mindere goden liggen onder vuur.

Van de week was het de beurt van de melkboer. Hij parkeerde voor het winkeltje op het midden van de tropisch warme dag, liet zijn motor tijdens het lossen stationair draaien en reageerde met een claxonconcert op ons protest. Buurman Stef dreigde hem te gaan filmen en ‘op het internet te gooien’. En van de eigenaar van de winkel vertelde hij ongevraagd en tot drie keer toe dat deze ‘een Jood is en een Jood is het alleen om geld te doen’.

Onze buurt komt niet in de winkel, en ik hoop zo dat dat niet is omdat de eigenaar een Jood zou zijn. Appie -zo heet ie echt- hanteert prijzen die Stef con suis niet kunnen betalen. Wij zaten eens verlegen om koffiemelk en ik ging met een zak over mijn hoofd naar de nering van Appie om daar bijna vier euro neer te tellen voor het kleinste formaat flesje van Frisia. In het voorbijgaan zag ik in de koeling verantwoorde appelpunten liggen van acht euro het stuk.

Appie’s klanten komen dus van verre, en ik denk wel es uit een heel ander universum. Het is voor onze vensters een komen en weer gaan van vooral vrouwen in steevast roze- of violette-gekleurde lange, wijde plooijurken en een enkele man met haar en baard tot op de heupen. Een soort van Amish, maar dan in zuurstokkleuren. Het volkje berijdt -elektrische- auto’s en bakfietsen waarin twee of drie kleine soofjes passen.

De kleinste kinderen brengen de dag door in een verantwoorde opvang om de hoek, de oudere bezoeken de middelbare Vrije School, een hoek verderop. De lagere Vrije School ligt tweehonderd meter bij ons vandaan, in het park achter het huis waar ik ben opgegroeid. De winkelstraat achter de onze is vergeven van de sofische boekwinkeltjes en zaakjes waar je jezelf kunt vinden volgens de richtlijnen van Steiner.

Voorlopig is het verzet tegen Appie alleen nog maar ingegeven door de overlast die zijn winkel geeft in onze smalle, oude straat. Maar ik zie Appie als deel van een groter probleem: mijn geboortestadje is het domein van de antroposofische sekte geworden. Het volkje van kwezels en kwakdenkers drijft de prijzen van huizen en andere zaken op, verdrijft de oorspronkelijke bewoners en vergiftigt de publieke opinie met extreemrechts gedachtegoed…

(JoopFinland)

  • Datum: .

Verwondering en bewondering. Dat zijn de twee termen waarmee de schrijfster haar ontmoeting met antroposofen samenvat. Ilse Marrevee schreef, een tijdje geleden alweer, het boekje Antroposofie ontmoet (2015). Een paar weken geleden hield zij een lezing over het ding in de plaatselijke bieb. Ik heb die niet bezocht. Niet alleen omdat je er tien hele euro’s voor moest neertellen, en omdat ik in het publiek waarschijnlijk de enige met een mondkapje zou zijn geweest. Neen, ik zag in de flaptekst van het boekje dat feitelijk een optelsom van een tiental interviews is, dat maar één naam van de ondervraagden bij mij een belletje deed rinkelen. De rest is dus import, is voor een deel waarschijnlijk ook al weer verder gebakfietst, en kan dus geen licht werpen op mijn vraag wanneer en vooral waarom zoveel discipelen van Steiner in mijn geboortestadje zijn neergestreken.

Die ene is Karel Freeve. Dat was de huisarts van mijn ouders, in de jaren tachtig, en volgens hen ‘niet zo’n goeie’. Die waardering doet er hier niet toe, belangrijker is dat Freeve de opvolger was van ‘dokter Bos’. Een legendarische verschijning uit mijn kinderjaren. Dat begon al op de straat voor mijn geboortehuis waar de dokter de nodige bekijks trok omdat hij zich met zijn bijna twee meter uit een Heinkel scooter wurmde, een soort bakfiets met een motor en een deurtje. Maar ook eenmaal binnen, in het veel te grote gezin, bleef elk bezoek van de man nog lang in de herinnering. Omdat hij voor iedereen even tijd had. Bos had voor ons het beste van alle medicijnen meegebracht: aandacht. Al bestond die maar uit eventjes een hand op je hoofd of een woordje of twee, ze was de balsem voor negen kwetsbare zielen.

Bij mijn ouders kon ‘dokter Bos’ niet stuk. Pas veel later begreep ik dat ze met reeds een kind en een ander op komst dat geboortehuis van mij hadden kunnen betrekken na bemiddeling van deze huisarts. Mijn vader was reeds getrouwd toen hij mijn moeder ontmoette, en ‘hokkende’ paartjes waren veroordeeld tot een krottenwijk. Bos kreeg ze in de tweekamerwoning in de eerste naoorlogse uitbreiding van het stadje. En het was ook Bos die mijn vader vijftien jaar nadien deed inzien dat er met negen mensen in die twee kamertjes niet alleen gebrek aan ruimte ontstond maar ook de gezondheid van zijn vrouw gevaar liep.

Weer iets later kreeg Bos een voornaam: Maarten. En laat het nu juist Maarten Bos zijn die naar verluidt aan de basis stond van de ‘antroposifering’ van het stadje. Het zij zo, belangrijk hier is dat Bos dus geen missie pleegde. Nooit heb ik mijn moeder -haar streng-christelijke achtergrond zou daar zonder meer aanleiding toe hebben gegeven- horen refereren aan zoiets als Bos-en-de-sofen. Sterker: toen eind jaren zeventig de eerste Vrijeschool verrees gebeurde dat in zeg maar de achtertuin van het huis waar ik opgegroeid ben. Die grensde aan een hertenkampje, en mijn moeder bekeek het vreemdsoortige optrekje en zei: ‘Dat zal wel een nieuw hok voor die beesten moeten worden’. De term antroposofie heb ik uit haar mond nooit vernomen…

(JoopFinland)

  • Datum: .

Kleintje Muurkrant - Postbus 703 - 5201 AS - 's-Hertogenbosch