Het schaduwcommando van de prins (001)

Eind augustus van dit jaar werd Zwitserland opgeschrikt uit haar Alpendromen door een schandaal van 7.5 op de schaal van Richter. Dino Bellasi, een voormalig accountant van de rond de 130 man tellende Zwitserse geheime dienst bleek in de afgelopen vijf jaar een slordige 12 miljoen gulden achterover te hebben gedrukt via valse declaraties. Na zijn arrestatie verklaarde hij dat het geld voor het grootste gedeelte was gebruikt voor de aankoop van wapens voor een nieuwe super-geheime dienst die niet onder de verantwoordelijkheid van de regering zou vallen. En dat hij had gehandeld op bevel van zijn hoogste chef binnen de reguliere Zwitserse regenjassenorganisatie.

door Jan Portein

Het leek er aanvankelijk sterk op dat Bellasi alleen maar het wat bladderig geworden verhaal rond P-26 (1) van een nieuw verfje voorzag om zijn huid te redden. Maar toen op aanwijzingen van de in het nauw gebrachte cijferfreak in de omgeving van Bern inderdaad een wapenarsenaal werd aangetroffen dat Bruce Willis natte dromen zou bezorgen, werd de stormbal gehesen. En de storm wakkerde aan tot windkracht tien toen bleek dat in 1997 een aantal onbekende sportievelingen hoog in de bergen bij Andermatt met dat dodelijke speelgoed oefeningen had gehouden. De chef van de geheime dienst trad "vrijwillig" terug om het justitiële onderzoek niet in de weg te staan. En vervolgens werd, zoals dat gebruikelijk is bij dit soort gevallen, "whistleblower" Bellasi zodanig geroosterd dat hij binnen een week opbiechtte dat P-27 uit een van zijn duimen afkomstig was. De barbecue werd geregisseerd door groot-inquisiteur Carla del Ponte, die op het punt stond naar het Vredespaleis in Den Haag te vertrekken om daar de post van hoofdaanklager van het Joegoslavië- en Rwanda-tribunaal over te nemen (2). Zij maakte na de gehaaste verhoren bekend dat er geen sprake was van een nieuw geheim netwerk in Zwitserland, dat de leiding van de Zwitserse geheime dienst vrijuit ging en dat het bij de zaak-Bellasi puur en alleen om een criminele affaire ging. Inmiddels waren in de Zwitserse pers al berichten verschenen die eveneens in die richting wezen. Bellasi zou contacten onderhouden met de mafia en notoire figuren uit de internationale wapenhandel. Men ging er gemakshalve maar aan voorbij dat in het (recente) verleden is gebleken dat geheime diensten en onderwereld meer dan eens samenwerken (3) en dat bij de zogenaamde parallelle geheime organisaties als de Italiaanse Gladio of de Franse SAC (4) de deur nog wijder openstaat voor gezamenlijke operaties.

Hollandse parallellen
In Nederland heerst over het algemeen de opvatting dat dit soort ongein bij ons niet voorkomt. Maar Het Kleintje ontdekte onlangs dat die opvatting onjuist is. Een parallelle organisatie die zeer sterk gelieerd was met prins Bernhard heeft namelijk in een niet eens zo ver verleden met enige regelmaat gebruik gemaakt van de diensten van de tot langdurige vrijheidsstraf veroordeelde Montenegrijn Slobodan Mitric (alias "Karate Bob"). En het is nog maar de vraag of deze organisatie geheel synoniem is aan O & I (Operatiën en Inlichtingen), de in 1990 door premier Lubbers opgedoekte Nederlandse Gladiolenvereniging.
Een van de leiders van die parallelle organisatie was de in de herfst van 1990 overleden vriend van prins Bernhard, Hans Teengs Gerritsen. De prins en de zoon van een Amersfoortse graanhandelaar kenden elkaar al sedert 1930 toen zij beiden de handelshogeschool van Lausanne bezochten. Onder andere voor cursussen in "pakken wat je pakken kan". En dat op velerlei gebied. Later in dat roerige decennium kwamen zij elkaar opnieuw tegen toen Bernhard via een gezamenlijke operatie van NW 7 en de Abwehr (5) aan de zijde van prinses Juliana was opgedoken. Teengs Gerritsen werkte in die periode voor de KLM en fungeerde daarnaast als agent van GS III, de Nederlandse militaire inlichtingendienst. Wie eenmaal aan het "cloak and dagger"-huisje heeft geknabbeld is verloren. Of je zus nou Grietje heet of niet. Een vaste regel die ook voor deze vrienden voor het leven gold. Dat bleek voor Teengs Gerritsen bijvoorbeeld zo'n vijftig jaar later toen hij samen met bankierstelg Bib van Lanschot en oud-BVD topman Cees van den Heuvel de bal aan het rollen bracht voor een actie tot vrijlating van Aus der Funten en Fischer. De laatste twee Duitse oorlogsmisdadigers die in de koepel van Breda met hun barbaarse herinneringen leefden. De initiatiefnemers hadden in de Tweede Wereldoorlog alledrie tot het verzet behoord. Teengs Gerritsen en Van Lanschot maakten deel uit van de inlichtingendienst van de OD (6), Van den Heuvel van de groep Albrecht (7).
Met name Van den Heuvel kon bogen op een glanzende subversieve carrière. Na zo'n zeventien jaar BVD-eieren te hebben uitgebroed werd hij in 1962 onder zijn voormalige BVD-chef L. Einthoven de drijvende kracht achter het beruchte ultra- rechtse informatiebureau Interdoc en vervolgens van allerlei stichtingen en instituten die serums verstrekten tegen het rode virus. Daartoe behoorden onder andere het zogenaamde Dienstencentrum 1945 (waarvan Teengs Gerritsen en Van Lanschot eveneens het lidmaatschap hadden verworven) en het Oost-West Instituut, beide aan de Scheveningseweg 11 in Den Haag. Van den Heuvel ondervond daarbij vrijwel vanaf het begin de krachtige steun van CIA-agent en WACL-voorganger Carl Armfelt, die eveneens op goede voet raakte met Hans Teengs Gerritsen (8).
Tot de groep van uiteindelijk negentien complotteurs die de maatschappelijke verontwaardiging aan hun laars lapten en Lubbers in 1989 bewogen om de twee oude Duitse zielepieten uit hun Breda'se kooi te halen behoorden ondermeer:
- Th. van Lier (oud-lid van de groep Albrecht, lid van de Raad van State, voormalig coördinator van O en I);
- M. van der Stoel (oud-minister van Buitenlandse Zaken, lid van de Raad van State, volgens sommige publicaties voormalig coördinator O en I);
- S.W. Couwenberg (ex-Interdoc, hoofdredacteur van het huisorgaan van het Oost-West Instituut, Civis Mundi);
- G. Peijnenburg (oud-secretaris generaal ministerie van Defensie, oud-staatsecretaris van Defensie, lid van het Dienstencentrum);
- E. Roest (admiraal b.d., oud-chef militair huis van de koningin, lid van het Dienstencentrum).

Geen gezelschap dat je dagelijks tegenkomt in Walibi. Meer een club waarvan je mag vermoeden dat de spelers ervan een elleboogje in het gebit van hun tegenstanders planten als de scheids even niet kijkt. Dat Teengs Gerritsen ook tot de spelersgroep van O en I behoorde of van een andere club uit de parallellencompetitie valt hier niet één twee drie uit te destilleren. Maar wat te denken van de volgende zinnen uit een vrij recente brief van Slobodan Mitric?
"Ik heb een brief naar u gestuurd met een kopie-foto van de zoon van de overleden Hans Teengs Gerritsen. Mijn dierbare, trouwe, beschaafde Hans Teengs Gerritsen. Hij heeft mij verteld dat hij niet in staat is verder te knokken om mij te helpen via de BVD. Omdat zijn kinderen met de dood bedreigd werden. Hij heeft mij beloofd rechtstreeks met de koningin contact op te nemen om onder vier ogen te vertellen wat er allemaal rond mijn zaak speelt. Een week daarna hebben ze geregeld dat TITANI (kennelijk de codenaam die Mitric voor Teengs Gerritsen gebruikte) een hartinfarct kreeg". Bij dat laatste valt misschien een tuiltje vraagtekens te plaatsen maar de rest sluit aardig aan bij een alinea uit een dit jaar verschenen boek van Willem Oltmans (9):
"Teengs Gerritsen had een postbus in de buurt van het Noordeinde. Op een ochtend stond hij op het trottoir een zojuist ontvangen brief te lezen, omdat hij nieuwsgierig
was naar de inhoud. Het was 8.30 uur en een auto stopte langszij. Het raam werd opengedraaid en Beatrix vroeg: "Oom Hans, is dat een brief die het daglicht kan verdragen?" De koningin kende haar pappenheimers uitstekend."
Tot die pappenheimers hoorde ook ene Blok, een districtsvertegenwoordiger van de Stichting 40/45 uit Oosterbeek en een fanatiek jager en filmer. Een citaat uit een brief dd. 12/8/77 van Coen Janssen, toenmalig lid van de verzetsclub Expogé (ex politieke gevangenen) en ex-beroepsmilitair: "Ze zijn met zes man in Tanganjika geweest. ZKH, Blok, Teengs Gerritsen en nog drie anderen. Zijn daar op safari geweest. Blok filmt zeer goed. Heeft films van naakte danseressen gemaakt. Hij beschikte over het geheime telefoonnummer van Soestdijk. Hij was ook kind aan huis bij ZKH's moeder. Kende haar Poolse vriend (ex-Kolonel) zeer goed. Blok was er vrijwel dagelijks. Hij heeft wapens gehaald uit Tsjecho-Slowakije. Werd op Schiphol door de douane niet gecontroleerd. Ook Teengs Gerritsen was in Warmelo kind aan huis".
Bestond er enig verband tussen Blok's steelse import van Tsjechische handwapens, Warmelo en de mogelijk parallelle praktijken van Teengs Gerritsen? En hoe en waarom zou deze de hulp hebben ingeroepen van de in de wereld van de oosterse vechtsporten met groot respect behandelde Slobodan Radojev Mitric, alias "Karate Bob"? We moeten terug in de tijd.

Karate Bob
Op 25 december 1973 stuurde Mitric in het door veel Joegoslaven gefrequenteerd Amsterdamse café Mostar met een paar gloeiende stukjes lood een Joegoslavische onderwereldfiguur met de lege slee van de Kerstman mee en zette de verdere levensverwachting van diens handlangster op een spaarbrander. Kort daarop blies hij niet ver daar vandaan op stevige wijze de kaars uit bij nog twee landgenoten. Bij een derde aanwezige lukte dat net niet, maar diens kaars leidde verder wel een zeer flakkerend bestaan. Na deze vingeroefeningen werd Mitric gearresteerd. Tijdens het verhoor liet hij weten dat hij een agent was van de Joegoslavische veiligheidsdienst CBOB en dat hij had gehandeld uit noodweer. Een paar dagen voor die vijfentwintigste december was hij al ternauwernood ontsnapt aan een moordaanslag in een ander Amsterdams etablissement. En café Mostar was het toneel geweest voor het tweede bedrijf. De deelnemers aan de beide schietpartijen behoorden volgens het verhaal van Mitric oorspronkelijk tot dezelfde criminele organisatie. Die hield zich ondermeer bezig met het leeghalen van aan banken en grote bedrijven toebehorende kluizen. Vooraf kregen de bendeleden van Nederlandse informanten precieze aanwijzingen over waar zij moesten zijn en wat zij zouden aantreffen. De buit werd na de inbraak eerlijk gedeeld met de informanten. Die zouden vervolgens hun deel verder hebben gesluisd naar de Joegoslavische stalinist Vlado Dapcevic, die in ballingschap in Brussel verbleef. Met het geld dat deze uit Nederland ontving zou diens strijd tegen Tito zijn gefinancierd. Merkwaardig detail aan dit verhaal is het feit dat deze inbraken altijd slaagden maar nooit bij de politie werden aangegeven of via de pers naar buiten werden gebracht. Mitric was in deze groep geïnfiltreerd in een poging om zich langs die weg toegang tot Dapcevic te verschaffen. Hij had namelijk van zijn broodheren bij de CBOB opdracht gekregen het leven van de Tito-opposant aanzienlijk te verkorten. Toen hij erin slaagde om in Brussel een onderhoud met de oude communist te arrangeren voerde hij zijn order niet uit. Vooral omdat Dapcevic hem ervan wist te overtuigen dat hij nooit een cent van welke inbraak dan ook had ontvangen. Nadat in Belgrado duidelijk was geworden dat Mitric zijn dienstopdracht door het toilet had gespoeld deelde de CBOB een "license to kill" uit aan de andere bendeleden. Met alle gevolgen van dien. Mitric' verhaal vond bij de rechters net zoveel weerklank als een lied van Bolle Jan in de Scala van Milaan en ondanks het felle verweer van zijn advocaat, mr. Luuk Hamer, werd hij dan ook in hoger beroep tot dertien jaar gevangenisstraf veroordeeld. Dat hield in dat hij, rekening houdend met de gebruikelijke aftrek, in november 1982 weer op vrije voeten zou komen.
Inmiddels kreeg de voormalige CBOB-agent in het Huis van Bewaring regelmatig visite. Vertegenwoordigers van verschillende Nederlandse snuffelorganisaties dienden zich bij hem aan om informatie los te krijgen over hun Joegoslavische opponenten. Mitric had net zoveel keus als een parachutist die op een krokodillenvijver afzeilt. Als hij niet meewerkte stond een enkele reis Joegoslavië op het menu en een voortijdig einde tussen zes ruwhouten planken. Zijn advocaat was op de hoogte van deze niet zo feestelijke interviews, maar kon daar weinig aan doen. Begin 1976 verhuisde zijn cliënt naar het Penitentiair Selectie Centrum (PSC) in Scheveningen. En op een dag meldden zich daar twee wat oudere heren, die beiden over een pasje van de Militaire Inlichtingendienst (MID) beschikten. Na een wat stekelig verlopend introductieceremonieel ontstond geleidelijk aan een goede verstandhouding tussen Mitric en het geheimzinnige duo, dat met een pakket interessante voorstellen naar het PSC was gekomen. Het hield grosso modo in dat zij hun best zouden doen om voor Mitric een Nederlandse verblijfsvergunning te versieren of een toelating tot de Verenigde Staten. Dat zou uiteraard nogal wat voeten in de aarde hebben, maar onderwijl zou de Joegoslavische agent en karateka zijn goede wil kunnen tonen door wat irreguliere klusjes voor hen op te knappen buiten het PSC. Zij zouden er wel voor zorgen dat hij op een of andere manier verlof zou krijgen. Na overleg met mr. Hamer ging Mitric akkoord. En daarmee maakte hij zijn rentree in de schemerwereld van spionage en misdaad. Al snel kreeg hij van zijn enigmatische opdrachtgevers een rol toebedeeld in de in vele opzichten nog duistere affaire rond de voor oorlogsmisdaden in Polen veroordeelde Pieter Menten. En raakte hij via hen betrokken bij een voor die tijd formidabele drugsaffaire. Meer daarover in het volgende Kleintje.

noten:
(1) De naam van de Zwitserse stay behind-organisatie, waarvan het bestaan aan het licht kwam tijdens de Gladio-erupties in Italië in 1990.
(2) Del Ponte, die in de jaren negentig de functies van hoofdaanklager, advocaat-generaal en toezichthouder bij magistratuur, politie en geheime dienst in zich verenigde, was in haar eigen land zeer omstreden. Aanleiding daartoe was haar uiterst merkwaardige rol tijdens de gerechtelijke onderzoeken in een paar enorme internationale drugsaffaires. Zij werd ervan beschuldigd de banken die bij deze affaires waren betrokken (ondermeer de Trade Development Bank van Panda-lid Edmond Safra, die al vaker in onze kolommen opdook) willens en wetens uit de wind te hebben gehouden. Vanuit de VS kwamen zelfs berichten dat zij mafiabindingen had. Zie hiervoor onder andere Gian Trepp's "Swiss Connection", Unionsverlag 1996, Zürich.
(3) Zoals bijvoorbeeld bij de internationale drugs- en wapenhandel (vgl. de Iran/Contra-affaire).
(4) Service d'Action Civique. Begin januari 1960 in het leven geroepen om blijkens de oprichtingsakte "alle personen bijeen te brengen ongeacht hun overtuiging of ras, die het optreden van generaal De Gaulle willen ondersteunen". Deze parallelle dienst bestond van meet af aan voor een fors gedeelte uit onderwereldfiguren (de zogenoemde "barbouzes") die er niet voor terugschrokken mensen die het gaullistische regime niet welgevallig waren uit de weg te ruimen. Bijvoorbeeld de Marokkaanse "dissident" Ben Barka die volgens een altijd zorgvuldig uit de pers geweerde reconstructie op 29 oktober 1965 in Parijs werd ontvoerd, aan boord werd gebracht van het door de Mossad geleverde schip de "Narwal" en een paar dagen later met een blok cement aan zijn voeten in Het Kanaal werd gedumpt.
(5) NW 7 was de spionage-afdeling van IG Farben die onder leiding stond van Max Ilgner, een goede kennis van Bernhards moeder prinses Armgard. De Abwehr was de Duitse (contra-) spionagedienst onder leiding van admiraal Wilhelm Canaris. Prinses Armgard en haar huisvriend ("kolonel") Pantchoulidzew golden als informanten van beide organisaties. Zie hiervoor ondermeer het standaardwerk van Wim Klinkenberg: "Prins Bernhard, een politieke biografie" (derde verbeterde druk), In de Knipscheer, Haarlem, 1986.
(6) OD staat voor Ordedienst. In aanleg een groepering die niet in het leven was geroepen om de moffen te vuur en te zwaard te bestrijden, maar meer om het linkse rapalje te beletten de macht te grijpen als de moffen zo vriendelijk zouden zijn om zich tot achter Elten en Tudderen terug te trekken.
(7) Een passeurs- en inlichtingengroep van waaruit heel wat leden na de oorlog de overstap maakten naar de BVD en andere kermisattracties.
(8) Zie voor deze combine Kleintje Muurkrant 328, "Brusselse truffels" en voor Armfelts bemoeienis met geheime wapenleveranties Kleintje Muurkrant 335, "De bank, deel 3", noot 6.
(9) Zie Willem Oltmans "Mijn vriendin Beatrix", De Papieren Tijger, Breda, 1999.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 337, 22 oktober 1999

  • Datum: .

Het schaduwcommando van de prins (002)

In het vorige Kleintje schilderden wij hoe in het midden van de jaren zeventig de in de gevangenis verblijvende Slobodan Mitric in de greep raakte van een "Gladio"achtig Nederlands netwerk dat onder leiding stond van Hans Teengs Gerritsen, vriend en intimus van prins Bernhard sedert 1930. Zoals wij schreven kreeg de in detentie verblijvende Joegoslavische agent in die periode bezoek van twee wat oudere heren die zich legitimeerden met pasjes van de MID. Zij bleken beiden deel uit te maken van dat prinselijk schaduwcommando. Kleintje Muurkrant vond uit wie die heren waren.

door Jan Portein

De meest introverte van het mysterieuze tweetal was de uit Apeldoorn afkomstige William Küchler, een overste b.d. van de Verbindingstroepen en 'afluisterexpert' (1). Degene die duidelijk de lakens uitdeelde was 'kolonel' Kurt Görlitz (2) uit de Haagse Gasseltestraat.
Mitric over hem: "Hij was een Hollander van Indonesische afkomst die was betrokken bij de geheime (veiligheids)dienst van het Koninklijk Huis. Hij was een held in het vechten tegen fascisme, stalinisme en internationaal terrorisme. Evenals mijn dierbare Hans Teengs Gerritsen".
Kurt Görlitz werd in 1912 in Medan op Sumatra geboren. Hij was een van de drie zoons van een genaturaliseerde Duitse KNIL-officier en een jonge bloem uit de gordel van smaragd. Van zijn vader had hij een levendige interesse voor wapens geërfd en van jongs af aan sprokkelde hij op dat terrein dan ook een respectabele expertise bij elkaar. Bovendien groeide hij uit tot een formidabel schutter. Het zou zijn latere leven gaan beheersen. De jonge Görlitz was zeker geen dombo wat leren betreft. Na het gladjes behalen van het diploma vijfjarige HBS-B stortte hij zich met succes in een studie voor de hoofdakte onderwijzer, aangevuld met de aktes Lichamelijke Opvoeding en Maleis. Toen hij in 1936 zijn dienstplicht vervuld had trad hij in dienst van het Departement van Onderwijs en Eredienst in Batavia. Hij maakte daar zo veel indruk dat zijn superieuren hem al in 1938 de inkoop van alle leermiddelen ten behoeve van zowel het blanke als het inlandse Lager Onderwijs in 'ons Indië' toevertrouwden met een totaal budget van 9 miljoen gulden. Geen vloeibare kattenbijdrage voor die tijd en heel wat listige lieden zouden onder die omstandigheden van tijd tot tijd een stiekeme greep uit de buidel hebben gedaan. De jonge Görlitz was echter niet uit dat kreupelhout gesneden en hield uiterst consciëntieus de boekhouding bij. Zijn weg naar de toekomst leek in die jaren geplaveid met siertegels maar de hordes van Hirohito maakten er in de eerste maanden van 1942 een hobbelige B-weg van vol losse klinkers en zonder verlichting.

Complotten en corruptie
Omdat de Japanse overheid de naturalisatie van Görlitz senior niet erkende werden diens gezinsleden datzelfde jaar nog met de Duitse nationaliteit opgezadeld. Normaliter geen cadeau om euforisch voor rond te springen. Maar het betekende voor Kurt wel dat hij min of meer vrijelijk over Java kon rondstruinen. Tijdens één van die tochten kwam hij in contact met Achmed Soekarno. De belangrijkste voorman van de nationalistische beweging op Java, die later de eerste president van Indonesië zou worden. En haast vanzelf rolde Görlitz daarmee het wereldje van cloak and dagger binnen. Het was dan ook niet echt verwonderlijk dat hij in de roerige tijd na de Japanse overgave één van de leidinggevende figuren werd van de Centrale Militaire Inlichtingendienst in Batavia.
In die capaciteit reisde hij door de hele archipel en bracht bliksembezoeken aan Maleisië en Singapore. Zo raakte hij onder meer op de hoogte van vele duistere details rond de moord op vaandrig R.C.L. Aernout in de nacht van 28 februari 1948. Aernout was eveneens actief voor de militaire inlichtingendienst en stond daar te boek als agent 'nummer 15'. Via een onderzoek naar corruptie binnen de Leger Technische Dienst van het KNIL was Aernout op een wapensmokkel gestoten ten behoeve van de nationalistische opstandelingen. Daarbij bleken naast een paar Nederlandse officieren tevens de Chinese handelaar Oei ek Koei (zoiets verzin je niet) en Raden A.A. Hilman Djajadiningrat (een topfiguur uit het koloniale Nederlands-Indische bestuursapparaat) betrokken te zijn. De gloednieuwe wapens waren afkomstig van de Amerikaan Carlton S. Hire, die over depots in Singapore en Manilla beschikte. Het geld voor de aankopen werd gegenereerd uit de verkoop van 200 ton opium en morfine die oorspronkelijk toebehoorde aan het Nederlands-Indische bewind, dat toen al een paar eeuwen lang kapitalen uit de drugshandel had opgestreken (3). In 1942 was dit leuke voorraadje door de Japanners geconfisceerd en door hen in 1945 in het geheim overgedragen aan de nationalisten (4). Het was niet de enige zaak waarvan Aernout de nodige kennis droeg. Hij had zich ook beziggehouden met de verdwijning van de zogenaamde Nakamura-schat (5). Een enorme, door de Japanse bezettingsmacht bijeengegraaide verzameling juwelen en andere kostbaarheden die een minimale waarde van 80 miljoen toenmalige guldens zouden hebben vertegenwoordigd. Een officier van de Nederlandse militaire inlichtingendienst en een Australische collega van hem zouden een hoofdrol hebben gespeeld bij het verdonkeremanen van de schat. Aernout was met het verzamelen van bewijzen voor al deze uiterst corruptieve activiteiten al aardig ver gevorderd en daarbij zo langzamerhand tot de onontkoombare conclusie gekomen dat zowel in de mand van het Nederlands-Indisch regeringsapparaat als die van het KNIL een flink maaltje rotte appelen zat. Die kennis werd hem eind februari 1948 fataal. Een handjevol mensen met wie hij contact had onderhouden in verband met zijn onderzoek ging eveneens vrij plotseling en onvrijwillig richting begraafplaats, nadat zij pogingen hadden ondernomen om de waarheid rond de moord op Aernout boven water te takelen. De zaak rond de plichtsgetrouwe vaandrig werd met geweld de doofpot ingeramd. Pogingen van de nog altijd wegens oorlogsmisdaden bediscussieerde kapitein Raymond Westerling en F.H. van der Putten, een voormalig technisch ambtenaar van de Leger Technische Dienst in Nederlands-Indië, om de deksel van die doofpot af te wrikken leden in de jaren vijftig en zestig treurig schipbreuk (6). De vaandrig werd uiteindelijk bijgezet in het rijtje van andere bekende Nederlanders die op onorthodoxe wijze het leven lieten en daarbij voor langdurige deining zorgden, onder wie Christiaan Lindemans, Friedrich Schallenberg en Tinus Fens (7).

Het netwerk
De chef van de Centrale Militaire Inlichtingendienst, die net als Görlitz nauwkeurig op de hoogte was van de ins en outs van deze dramatische affaires achter het bamboegordijn, was een oude bekende: kolonel J.M. Somer. Een vooroorlogse houwdegen van het KNIL, die in 1939 was toegevoegd aan de staf van GS III (de toenmalige Nederlandse Militaire Inlichtingendienst) en begin 1943 in Londen hoofd geworden van het onder toezicht van prins Bernhard staande Bureau Inlichtingen. Somer beschikte over een democratisch gedachtengoed ter grootte van een mierenei en hij had graag alles wat naar links zweemde tegen de muur gezet. En niet voor een demonstratie wildplassen. Deze uiterst impulsieve kolonel had al snel veel waardering voor Görlitz' inlichtingenwerk, zijn stiptheid en zijn rol als postillion d'amour bij het leggen van geheime contacten tussen de Nederlandse regering en Soekarno. Die contacten zouden uiteindelijk na een beschamende koloniale oorlog in 1949 uitmonden in een eerloze soevereiniteitsoverdracht. Een paar weken voor het zover was werd Görlitz zonder veel ruchtbaarheid naar Nederland overgebracht omdat zijn superieuren represailles verwachtten.
Ook Somer keerde uiteraard terug en hervatte in Nederland zijn activiteiten die hij kort na de oorlog al was gestart ten behoeve van de opbouw van het stay behind-netwerk Operatiën en Inlichtingen. Samen met onder meer de BVD-toppers Einthoven en Van den Heuvel. Dat hij daarbij een gepokt en gemazeld talent als Kurt Görlitz over het hoofd zou hebben gezien is net zo onwaarschijnlijk als het aantreffen van kokospalmen op Rottummeroog. Somer's rechterhand uit Batavia leidde aanvankelijk onder het genot van een wachtgeldregeling op het oog een stil en onopvallend bestaan in Den Haag. Tot hij in 1954 vanwege zijn fabelachtige kennis op wapengebied als conservator in dienst trad van het Armamentarium in Delft, dat later zijn hoofdzetel in Leiden kreeg en verder door het leven ging als het Legermuseum. Tegenover Mitric verklaarde Görlitz ruim twintig jaar daarna dat hij ooit op het hoofdkwartier van de CIA in Langley was geweest en dat hij Alan Dulles (vanaf 1951 tot 1961 respectievelijk onderdirecteur en directeur van de Firma) persoonlijk kende. Mogelijk dat die verbinding in Görlitz' 'stille' periode tot stand is gekomen en geplaatst moet worden tegen het licht van Dulles' felle aversie jegens het 'communistische' regime van Soekarno, dat hij met hand en tand bestreed. Zo vormde Dulles' regenjassenconcern bijvoorbeeld de drijvende kracht achter een gewapende opstand op Sumatra in 1958, de productie van een fake-filmpje waarop 'Soekarno' een blonde 'KGB-agente' besteeg en de planning van een aanslag op de Indonesische leider in diezelfde periode.
Hoe dit ook zij, al een paar maanden na zijn indiensttreding bij het Armamentarium reisde Görlitz heel West-Europa door. Hij duikelde daarbij gratis en voor niks specimen van alle denkbare leger accessoires en documentatiemateriaal op om ze in Leiden ter lering en vermaak ten toon te stellen. Ook moderne wapens. Tevens trad hij op als instructeur voor Britse, Duitse en Franse belangstellenden. Binnen welk kader hij een vrijbrief verwierf om allerlei grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien die voor een eenvoudig museumconservator normaliter niet zijn weggelegd, is onduidelijk. Maar frappant is wel dat hij tot zijn pensioen in 1977 regelmatig met tassen vol wapentuig op Schiphol arriveerde zonder ooit gecontroleerd te worden (8). Al doende bouwde de aimabele Görlitz in militaire, justitiële, politionele en industriële kringen, gemeentebesturen, douane en de Dienst der Domeinen (9) een netwerk van nationale en internationale connecties op.
In 1959 dreigde even een kink in de kabel te komen toen het museum op het punt stond ten onder te gaan onder invloed van draconische bezuinigingsmaatregelen in Den Haag. Prins Bernhard greep persoonlijk in. Het museum werd ondergebracht in een stichting. Het bestuur daarvan werd samengesteld uit vertegenwoordigers van de ruime voorraad gepensioneerde balken en sterren, de ambtelijke toppen van Defensie, Justitie en lokale overheid en een paar grootondernemers. De prins himself werd tot beschermheer gebombardeerd. Een verzameling heren met een exquis gladiolenaroma. Een vriend van Görlitz, de Hagenaar Paardekooper, werd tot directeur benoemd en vanaf die tijd kwam het museum tot weelderige bloei en het aantal zeldzame stukken dat kon worden geëxposeerd groeide gestaag. Maar er ontstond in de loop der jaren eveneens een voorraad doublures waarvoor Al Capone uit zijn graf zou verrijzen. Het was zonde om al dat materiaal op zolder te laten liggen. Daarom ontwierpen Paardekooper en Görlitz met toestemming van het stichtingsbestuur een uitleenregeling voor betrouwbare wapenliefhebbers. De bulk daarvan bestond uit leden van schietverenigingen uit Den Haag en Amsterdam-Noord (10). Heel vaak persoonlijke kennissen van de directeur en de conservator van het Leidse Legermuseum. In 1972 ging Paardekooper met pensioen. Het stichtingsbestuur verzocht Görlitz tot tweemaal toe om zelf de vacature in te vullen. Maar hij zag ervan af. Dat kwam hem duur te staan. De nieuwe directeur en Görlitz raakten in een onderlinge loopgravenoorlog verzeild waarbij messcherpe memo's als kogels door de expositieruimtes gierden. Expositieruimtes die tot wanhoop van Görlitz door een verbouwing de vergelijking met Pompeï konden doorstaan. In die chaos verdwenen er ook wapens. Een gruwel in de ogen van de precieze conservator.
Het moet voor Görlitz voor een deel dan ook een uitkomst zijn geweest dat hij in 1977 het bijltje er bij neer kon gooien en voor het laatst de deur van het museum achter zich dicht kon trekken. Er bleef nog één kwestie onopgelost: de uitgeleende wapens. Pas in 1980 kreeg de Koninklijke Marechaussee opdracht die aan de hand van een keurig bijgehouden register op te halen. Maar zoals wij in het vorige Kleintje al beschreven was Kurt Görlitz toen al lang en breed bij andere zaken betrokken. En nu fulltime. Meer daarover in het volgende nummer.

Noten:
(1) Deze kwalificatie is afkomstig uit Mitric's boek "Nederland's Maffia", uitgeverij Karate Europa te Amsterdam, 1985. De in 1982 overleden Küchler diende als intermediair. Als Mitric het duo dringend nodig had dan moest hij dus even Apeldoorn bellen. Volgens de inmiddels eveneens overleden mevrouw Küchler (1997) werden die telefoontjes in de loop van 1982 minder vriendelijk van toon en vormden volgens haar zelfs één van de oorzaken van het plotselinge heengaan van haar echtgenoot. De in 1972 gepensioneerde Küchler behoorde tot de kring van oud-militairen rond de in het eerste deel van "Het prinselijk schaduwcommando" voorkomende Coen Janssen (zie Kleintje Muurkrant # 327).
(2) Heel wat mensen uit zijn kennissenkring noemden Görlitz 'kolonel'. Maar uit in ons bezit zijnde correspondentie van Görlitz blijkt dat nergens. Bij het ministerie van Defensie was over een militaire carrière van Görlitz niets te vinden. Mogelijk is wel, dat hij binnen zijn parallelle organisatie de rang van kolonel vervulde.
(3) Zie voor deze betrokkenheid onder andere de Nederlandse editie van het door de Indonesische overheid uitgebrachte boek "Indonesian Heritage", Uitgeverij Unipers, Abcoude, 1998.
(4) Zie over deze kwestie vooral een serie artikelen in het "Nationaal Weekblad" De Leidsche Post van september tot en met december 1950 en het dagblad Trouw in de eerste maanden van 1951.
(5) De schat was vernoemd naar de Japanse legerkapitein Hiroshi Nakamura die een deel ervan (ter waarde van 10 miljoen) aan een Nederlandse vriendin had geschonken. Zie De Leidsche Post en De Telegraaf dd. 23/10/1961.
(6) Zie bijvoorbeeld een serie artikelen gewijd aan de zaak Van der Putten in De Telegraaf in de jaren 1961/1962.
(7) Christiaan Lindemans (alias King Kong) overleed onder verdachte omstandigheden en in aanwezigheid van Mitric' held Hans Teengs Gerritsen op 20 juli 1946 in Den Haag. Lindemans werd mede-verantwoordelijk gehouden voor het verraad van de 'operatie Market Garden' in september 1944, waarbij Britse luchtlandingstroepen bij Arnhem door de Duitsers werden opgewacht en praktisch vernietigd. Lindemans had zijn dodelijke informatie verzameld bij Prins Bernhard en zijn staf. Daarin figureerde ondermeer Kas de Graaf, een verzetsvriend van Lindemans. Beiden waren sedert najaar 1942 informanten van de Abwehr en betrokken bij het verraad van de onder communistische leiding staande onverzoenlijke verzetsgroep CS 6. De Graaf werd na de oorlog een soort 'enforcer' voor ZKH die bij sommige gelegenheden al te lastige mensen het zwijgen oplegde (ondermeer A.V.F. van der Gouw, schrijver van het nooit afgemaakte boekwerk "Alias Teixeira") en zonder twijfel tot het Prinselijk schaduwcommando behoorde. Voor de prinselijke aspecten van de zaak-Schallenberg zie ondermeer het artikel "Soestdijk contra Allende" in Kleintje Muurkrant # 326. Meer over de dood van Fens, de koning van de Haagse onderwereld uit de late jaren zeventig en vroege jaren tachtig, in één van de volgende afleveringen van het "Prinselijk schaduwcommando".
(8) Vergelijk de rol van Blok in het eerste deel van het "Prinselijk schaduwcommando" in het vorige Kleintje. Blok maakte bij zijn wapeninkopen in Praag overigens gebruik van de contacten van ene Frits "Rus". Een gevluchte Tsjech die eveneens tot de coterie van prins Bernhard behoorde en zowel deelnam aan bijeenkomsten op Warmelo als aan safari's in Tanzania.
(9) De Dienst der Domeinen was notabene verantwoordelijk voor het opslaan van de stay-behind voorraden.
(10) De Amsterdamse vereniging kwam in de jaren negentig nog ernstig in het nieuws nadat een hoog CentrumDemocraten-gehalte in haar ledenbestand werd aangetroffen.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 338, 18 november 1999

  • Datum: .

Het schaduwcommando van de prins (003)

In de twee voorafgaande afleveringen van dit epos hebben wij uiteengezet hoe de voormalige Joegoslavische veiligheidsagent Slobodan Mitric in de jaren zeventig in aanraking kwam met vertegenwoordigers van een geheime organisatie, die wij gemakshalve het prinselijk schaduwcommando hebben genoemd. Zoals vermeld werd Mitric vanaf midden jaren zeventig "gerund" door de als kolonel gekenschetste Hagenaar en ex-conservator van het Leidse Wapenmuseum, Kurt Görlitz. In opdracht van prins Bernhard's vriend Hans Teengs Gerritsen. In de aanvangsperiode van deze opmerkelijke samenwerking deden zich volgens Mitric twee grote zaken voor: de Menten-affaire en een voor die tijd formidabele drugszaak.

door Jan Portein

Met het gegeven dat het geheime commando van Teengs Gerritsen zich inliet met de Menten-affaire komt opnieuw de veronderstelling tot leven, dat de prins en de miljonair uit Blaricum wel degelijk iets met elkaar te maken hebben gehad. De Nederlandse pers heeft zich op een enkele uitzondering na het vuur uit de rubberzolen gelopen om de beweringen van Menten in die richting ten tijde van de tegen hem gevoerde processen in de jaren veertig en de jaren zeventig te ontzenuwen. Maar had "de miljonair uit Blaricum " wat dat betreft toch gelijk?

Contra's in de Oekraïne
Pieter Menten was rond 1920 naar Polen vertrokken om carrière te maken als zakenman. Na zich een paar jaar te hebben bezig gehouden met het plukken van bloemen aan de rand van het ravijn (1), vestigde hij zich aan de rand van de Karpaten in het Poolse gedeelte van Galicië. Een landstreek in het zuiden van Oekraïne, dat zich na WO I onder leiding van de OUN (Organisation of Ukranian Nationalists) onafhankelijk had verklaard. Het land beschikte echter over een gigantische graanschuur en was rijk aan grondstoffen, waaronder aardolie. Dat vormde voor de landen waartoe het oorspronkelijk behoorde, Polen en de nog prille Sovjet Unie, voldoende reden om in 1921 Oekraïne binnen te vallen en weer netjes op te delen. De OUN werd tegelijkertijd gereduceerd tot een eens in de maand bijeenkomend buurtcomité. Daarmee was met name de Koninklijke Shell opnieuw de nodige bezittingen aan de Russische communisten kwijtgeraakt. En daar konden noch concern-Führer Henry Deterding, noch groot-aandeelhouders als het Nederlands koninklijk huis een warm gevoel van krijgen. Toen de OUN dan ook na verloop van enige jaren opnieuw tekenen van leven gaf, aarzelde Deterding, die in 1924 aan de dochter van een Wit-Russische generaal zijn eeuwige trouw had beloofd, niet om de club in het geheim te gaan sponsoren. In de hoop dat hij via deze Oekraïnse contra's zijn greep op de olievelden in het betrokken gebied zou kunnen herstellen. Zijn "agent in place" werd Pieter Menten, die via de Duitse bankiers Hermann Josef Abs en Fritz Mannheimer (2) in de loop der tijd van zo'n anderhalf miljoen harde Nederlandse guldens werd voorzien. Die waren overigens niet alleen bestemd voor de financiering van subversieve activiteiten (3) maar ook voor de overname van een paar selectieve kleine olievelden annex raffinaderij van de Poolse vorstin Maria Lubomirska. Het zal niemand echt verbazen dat de Nederlandse, zich tot kunstverzamelaar verheffende entrepreneur via Abs en Mannheimer contact kreeg met de Duitse geheime dienst (Abwehr) en dat dat contact na Hitler's machtsovername in 1933 alleen maar inniger werd (4). Daarnaast ontving Menten de nodige assistentie van de rooms-katholieke kerk en wel in de persoon van de Rotterdamse jezuïet Jacob Peridon, rector van het klein-seminarie in de Galicische "hoofdstad" Lemberg (5).
Inmiddels was bij de contra's een schisma ontstaan. Het ene gedeelte wilde de onafhankelijkheid afdwingen langs diplomatieke weg. Het andere gedeelte (de OUN/B) via de weg van sluipmoorden, bomaanslagen en andere ludieke activiteiten. De leiding van deze al snel tot de top van de guerillacompetitie doordringende fractie berustte bij Evhen Konovalec, Stephan Bandera en Jaroslav Stetsko. Het moge duidelijk zijn dat juist deze OUN/B de warme sympathie van Deterding genoot. Er ontstond dankzij diens subsidies dan ook zowel in het Poolse als in het Russische gedeelte van Oekraïne een bittere ondergrondse strijd die heel wat slachtoffers eiste (6). In januari 1937, temidden van deze vrolijke ambiance deed een versgebakken bruidspaar uit Nederland het Galicische dorp Krinica aan, als eerste pleisterplaats van een zeer uitgebreide, en niet onbesproken gebleven huwelijksreis: kroonprinses "Jula" en haar gade prins "Bernilo" (7). Begeleid door maar één waakhond: de chef van de koninklijke veiligheidsdienst H. Sesink. Zij logeerden in het hotel van het vocale echtpaar Jan Kiepura en Martha Eggert dat vooral in het Berlijnse uitgaanswereldje een enorme populariteit genoot. Een wereldje trouwens waar ook prins Bernhard in de jaren dertig zijn weg had weten te vinden. In de voetsporen van zijn moeder, prinses Armgard, die er bekend stond als "tolle Lola". In de weken na hun aankomst in Krinica verloren de twee jonge vertegenwoordigers van Neerlands hoop in bange dagen zich in ongebreideld skiën en afterskiën. Tijdens een informele party die ter ere van hen in het hotel werd georganiseerd, zou ook Pieter Menten zijn opwachting hebben gemaakt. Niet zó vreemd. Het aantal Nederlanders van een beetje importantie in die streek zal zeker niet buitenproportioneel zijn geweest. En gezien zijn rol als agent van Deterding en zijn vriendschappelijke relatie met jonkvrouw Marie Louise Steengracht van Mooyland (8) was hij op zo'n party zeker niet "out of place". Menten zou prins Bernhard tijdens dat feestelijk samenzijn ook nog hebben uitgenodigd om bij hem in de buurt een lekker potje te komen jagen op beren, herten, zwijnen en ander loslopend of losvliegend wild. Het kwam er niet van. Maar een paar maanden later keerde Bernhard zonder begeleiding naar Krinica terug. En over die reis zijn verder geen bijzonderheden bekend. Mogelijk dat er toen alsnog is gejaagd en daarna de eerste ideeën zijn ontwikkeld om tot de vorming van een Wereld Natuur Fonds en een Panda-club te komen (9). Maar een niet bevestigd verhaal wil dat het "odd couple" Bernhard/Pieter toen deel uitmaakte van een groepje niet onbelangrijke hoogwaardigheidsbekleders dat aanwezig was bij de aankoop van een olieconcessie, mogelijk van de al eerder genoemde vorstin Lubomirska (10). Vraag is of Bernhard aanwezig was om gewicht in de schaal te leggen namens een van de groot-aandeelhouders of namens anonieme opdrachtgevers in Berlijn (11).

Agenten trekken voorbij
In februari 1934 werd door de Abwehr in Berlijn een Pools/Franse spionagering opgerold die onder leiding stond van de Poolse ritmeester Jurek Sosnovski (12). Daartoe bleek ook een uit Rusland afkomstige "ex-kolonel" Pantchoulidzew te behoren. Deze maakte al sinds 1917 deel uit van het huishouden van de Lippe Biesterfelds (verder bestaande uit: de zieke pater familias Bernhard sr., diens echtgenote prinses Armgard en de twee zoons Bernhard jr. en Aschwin). En al sedert jaren had deze Russische majordomus Armgard gechaperonneerd bij haar "tolle" uitstapjes in het zwoele uitgaansleven van de Duitse hoofdstad. Wij mogen dus gevoeglijk aannemen dat niet alleen Pantchoulidzew aan een pittig verhoor werd onderworpen, maar ook Armgard en misschien zelfs haar twee zoons. Hoe dit ook zij, Pantchoulidzew werd "omgedraaid" en ging voor de Abwehr werken. Wat aanvankelijk alleen maar inhield dat hij alle gegevens over de agenten en subagenten van de spionagering die hij kende aan zijn nieuwe werkgever overdroeg. Eén van zijn "runners" was Michael graaf Soltikov, die in het leven van de Lippe Biesterfelds een blijvende rol zou spelen. In juni van datzelfde jaar overleed Armgard's echtgenoot en op diens sterfbed liet Bernhard jr. hem weten dat hij mogelijk in de nabije toekomst in dienst van een vreemde mogendheid zou treden. Er werd kennelijk toen al gewerkt aan de verbintenis tussen "Jula" en "Bernilo", waarbij de Abwehr de handen ineen had geslagen met NW 7 (de spionageafdeling van IG Farben onder leiding van moeder Armgard's vriend Max Ilgner). Na het beëindigen van zijn studie kreeg Bernhard geheel binnen de context van het Abwehr/NW 7-plan een baan bij Ilgner's spionageafdeling. Na een stoomcursus in Berlijn vertrok de prins naar Amsterdam en vervolgens naar Parijs voor het opdoen van de nodige praktijkervaring die hem later als prinsgemaal te pas zou komen. Volgens Soltikov zou Bernhard na zijn huwelijk met Juliana onder de codenaam "Observator" voor de Abwehr hebben gewerkt. En dat zou dan inderdaad inhouden dat de prins bij zijn ontmoeting(en) in Galicië met de eveneens met de Abwehr verbonden Menten meer dan alleen maar beren, herten en zwijnen najoeg.
Toen Deterding's agent na de oorlog dan ook wegens oorlogsmisdaden in Polen (13) achter justitieel hekwerk verdween, was het niet verwonderlijk dat hij de prins vriendelijk verzocht om diens interventie. De prins zou tot tweemaal toe hebben geprobeerd aan dat verzoek te voldoen, maar vergeefs. Menten riep vervolgens een hele batterij advocaten in het geweer. Twee daarvan zou je daarin niet zo gauw hebben verwacht: dr. A. Lifschütz en dr. L.G. Kortenhorst.
De Duits/Joodse dr. Lifschütz was tijdens de oorlog werkzaam geweest bij de bank Teixeira de Mattos in Amsterdam en had zich daar volgens A.V.F. van der Gouw in zijn boek "Alias Teixeira" medeschuldig gemaakt aan het ontvreemden van Joods effectenbezit. Na de oorlog werd hij minister van politieke zuiveringen (!!!) in de stadstaat Bremen, maar hield wel zijn positie bij Teixeira aan. Later betrok hij een villa in Locarno waar hij (ook Nederlandse) politici, ambtenaren, industriëlen en handelaren ontving voor het formuleren van contracten die allen te maken hadden met defensieorders. Dat Lifschütz zich bij deze deals de rol van Sinterklaas aanmat en driftig met smeergeldnoten liet strooien is eveneens terug te vinden in Van der Gouw's oeuvre (14).
Dr. Kortenhorst was naast advocaat tevens voorzitter van de Tweede Kamer en prominent lid van de Katholieke Volks Partij. Zijn reputatie had stevige averij opgelopen door de affaire "REMACO". Ofwel het Reclamebureau tot exploitatie van reclameborden, dat tevens beschikte over de afdelingen projectie- en filmreclame en etalages. Het bedrijf vormde een onderdeel van de Algemene Publiciteits Unie (APU) in Amsterdam. Kortenhorst was commissaris van de APU en droeg medeverantwoordelijkheid voor de verkoop van Remaco aan A.L.A. Anzeigen A.G. uit Berlijn in augustus 1940. Dat kwam niet zomaar uit de hemel vallen. Remaco had voor de oorlog al met dit propaganda-vehikel van het Nazi-apparaat samengewerkt en verzorgde eveneens de verkiezingscampagnes van de NSB. Met de aankoop van Remaco kreeg A.L.A. Anzeigen in één klap ook in Nederland een goed geoutilleerd propaganda-bedrijf tot zijn beschikking en maakte daar de hele oorlog door intensief gebruik van. Met dank aan Kortenhorst cs (15). Het is zeker niet onmogelijk dat Menten over inside information beschikte met betrekking tot bovenstaande affaires en daarmee beide advocaten bewoog om hem te verdedigen. Want de sluwe zakenman ging chantage niet uit de weg om zijn vrijheid te behouden. En voor het verkrijgen van de daarvoor benodigde munitie deinsde hij evenmin terug voor krasse maatregelen. Zo gaf hij Kortenhorst in de loop van 1949, toen de spanningen rond zijn proces naar hun hoogtepunt liepen, opdracht twee ton over te hevelen naar de Duitser Friedrich Schallenberg (16). Een voormalig lid van de Grüne Polizei die zich na de oorlog bezig hield met het verzamelen van shit uit de oorlogstijd, van gestolen effecten tot informatie over prins Bernhard (17). Het valt te betwijfelen of Schallenberg die twee ton ooit heeft gezien. Hij werd in de nacht van 13 op 14 september 1949 gezelfmoord in een Haagse vijver aangetroffen. Op 9 november 1949 werd Menten in cassatie uiteindelijk tot acht maanden celstraf veroordeeld. Die periode stond gelijk aan de tijd die hij in totaal in voorarrest had doorgebracht. Menten was vrij man. Maar de laatste veldslag moest nog komen. Want bij Justitie in Den Haag bleef met de regelmaat van de klok nieuw bewijsmateriaal uit Polen en Israël binnenstromen over Menten's kwalijke rol in Galicië. Uiteraard kwam dat de nog zeer op zijn quivive zijnde miljonair ter ore. En opnieuw bracht hij zijn connectie met de prins in stelling om een eventuele heropening van de zaak te voorkomen. Maar hij liet het niet langer bij toespelingen over de gezamenlijke escapades in Polen. Hier en daar liet hij subtiel vallen dat hij ook over ander materiaal beschikte. Bijvoorbeeld over een order uit het bevrijde zuiden om een flink aantal communistische verzetsstrijders uit de regio Haarlem om zeep te helpen ("en ik zal maar niet zeggen welke handtekening daar onder staat") en over Bernhard's sollicitatiebrief van 24 april 1942 gericht aan het Duitse staatshoofd waarin hij zichzelf aanbood als stadhouder. De kwestie sleepte zich voort tot september 1952. Toen raakte Kortenhorst en de juist aangetreden minister van Justitie mr. L.A. Donker serieus in gesprek om er een eind aan te breien. Donker bracht kort achter elkaar twee bezoeken aan prins Bernhard om uit te vinden wat er waar kon zijn van Menten's beweringen. Alles berustte volgens de hoofdbewoner van Soestdijk op leugens. Een geluid dat ook nu nog af en toe uit hofkringen opklinkt. Niettemin haastte Donker zich om de Menten-affaire ten grave te dragen. Kortenhorst tevreden. Menten tevreden. Maar in Duitsland roerde zich inmiddels iemand die eveneens van de hoed en de rand wist met betrekking tot de spionagerol van de familie Lippe Biesterfeld en aanhang: Michael graaf Soltikov. Ook hij moest tot zwijgen worden gebracht. Hoe het hem verging en wat er tijdens het tweede proces Menten op de achtergrond gebeurde volgt in Kleintje Muurkrant 340.

noten:
1. Term die bankdirecteur Piet Slavenburg gebruikte voor het doen van zaken op de grens van het toelaatbare.
2. Zie hiervoor het helaas door vele slordigheden ontsierde boek "The Last Victim" van Malcolm C. McPherson, Londen: Weidenfeld & Nicholson, 1984. Abs zou tijdens het regime van Hitler directeur van de Deutsche Bank worden en dat vele decennia na de oorlog ook gewoon blijven. Hij werd eveneens commissaris van de Deutsche Shell AG en beheerde na Deterding's overlijden diens nalatenschap. Fritz Mannheimer diende al in de Eerste Wereldoorlog als betaalmeester van Abwehragenten. Voor zijn verder activiteiten in Nederland zie het eerste deel van "Alias Teixeira" van A.V.F. van der Gouw, Utrecht: uitgeverij P.R. van Amelrooij, 1968 en "Prins Bernhard, een politieke biografie" van Wim Klinkenberg, Haarlem: In de Knipscheer, 1979.
3. Die activiteiten bestonden naast de financiering van wapenaankopen ook uit het ondersteunen van het ondergrondse blad Soerma, dat al vroeg fascistoïde trekjes vertoonde.
4. Vergelijk artikelen uit juni 1978 in De Waarheid naar aanleiding van een publicatie van de Poolse historicus Jan Zaborowski.
5. Deze felle anti-communist beijverde zich in het na-oorlogse Nederland voor het instellen van een oosteuropese bufferzone tussen de beschaafde westerse wereld en "the evil empire".
Die zone, waartoe uiteraard ook Polen en Hongarije behoorden, zou onder leiding hebben moeten komen van de Jezuïetenorde. Bilderbergontwerper Joseph Retinger maakte zich eveneens sterk voor dit plan, dat door de tijd werd ingehaald. Het Kleintje putte hiervoor ondermeer uit een uitgebreide verklaring van de Belgische ex-SS-er Pierre Sweerts die na de Tweede Wereldoorlog actief was voor de Britse geheime dienst (MI 6), de nuntius in Den Haag en het hoofd van de Jezuïetenorde (zie Kleintje 326: "Soestdijk contra Allende").
6. Daartoe behoorde ook Konovalec. Hij blies in 1938 op de Coolsingel in Rotterdam zijn laatste adem uit nadat een pakje dat hij bij zich droeg tot ontploffing kwam. Met wie hij in Nederland een afspraak had is nooit aan de oppervlakte gekomen. De aanslag zou het werk zijn geweest van de Russische geheime dienst (NKVD). Bandera kreeg van de KGB zijn laatste enkele reis in München. Maar pas in 1959. Voor Stetsko zie Kleintje Muurkrant 328: "Brusselse Truffels".
7. De troetelnaampjes die de jonggeliefden voor elkaar hadden gekozen.
8. Zij was in 1932 naar Polen verhuisd samen met één van haar zusters die met een Poolse grootgrondbezitter was getrouwd.
9. Op 4 december jl. verloor de Pandaclub een prominent lid: Edmond Safra. Deze nog niet zo lang in Monaco gevestigde bankier werd op die datum het slachtoffer van een aanslag in zijn appartement. Safra was fel omstreden en werd ondermeer in verband gebracht met enorme drugs- en wapenaffaires waaronder de Iran/Contra. Vandaar dat zijn naam ook een paar maal in onze kolommen opdook.
10. Deze vorstin beschikte eveneens over 31 tekeningen van Albrecht Dürer. De Duitse experts op dat gebied waren daarvan keurig op de hoogte. In de slipstream van het bataljon Nachtegaal (onder leiding van Stetsko, Oberländer en Heinrich en gegidst door Menten; zie Kleintje 328: "Brusselse Truffels") arriveerden Hitler's kunstrovers al in Lemberg om de tekeningen te confisceren).
11. Menten zou later nog schermen met het bezit van foto's van deze bijeenkomst.
12. Een goede bekende van de Britse journalist Sefton Delmer (zie diens boek "De Duitsers en ik", Utrecht: Bruna, 1963). Sosnovski verscheen regelmatig op diens partys. Delmer werd in diezelfde tijd goede maatjes met prins Bernhard en behoorde zelfs tot de deelnemers van de eerste Bilderbergconferentie in 1954.
13. Zie Kleintje Muurkrant 328: "Brusselse Truffels".
14. Sommigen van deze witte boorden verenigden het zakelijke met het aangename en namen hun eigen escortdame mee. Eén van die dames was de op 10 oktober 1959 in een Haags bordeel vermoorde Sibilla Alida Johanna Niemans, alias Blonde Dolly. In haar spullen vond de recherche een bedrijfsagenda van het Nederlandse bedrijf Heemaf met onder andere de namen en telefoonnummers van deze heren. Vooral door de bemoeienissen van minister van Buitenlandse Zaken Josef Luns werd het dreigende schandaal samen met Dolly begraven.
15. Zie het artikel "Ik dank God advocaat te mogen zijn van De Telegraaf" van Jan Rogier in de VN van 11 december 1976.
16. Uitspraak van Menten zelf tegenover zijn privédetective Albert Niemeijer naar aanleiding van een artikel van de journalist Hans Knoop waarin deze beweerde dat Menten via Kortenhorst twee ton had overgemaakt naar de partijkas van de KVP om zo van die zijde steun te verkrijgen.
17. Zie Kleintje Muurkrant 326: "Soestdijk contra Allende".
18. Donker was aangetreden nadat hij beloofd had de doodstraf voor de voormalige SD-chef van Amsterdam Willy Lages om te zullen zetten in levenslang (zie "Landverraad. De berechting van collaborateurs in Nederland" van Koos Groen, Weesp: Unieboek, 1984), om zo een punt te zetten achter een slepend conflict met koningin Juliana die al een paar keer had geweigerd om officieel goedkeuring te verlenen aan de voltrekking van het vonnis. Donker had als voorzitter gefungeerd van de Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940 - 1945 en had al heel wat ellende uit de verhoren noodgedwongen moeten begraven (onder andere over de kwestie rond Cas de Graaf en Chris "King Kong" Lindemans die beiden een belangrijke rol hadden gespeeld bij het verraad van de linkse verzetsgroep CS6 en operatie Market Garden. Hij had dus ervaring. Overigens zou hij de nodige navolging vinden bij latere enquêtes.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 339, 17 december 1999

  • Datum: .

Het schaduwcommando van de prins (004)

In de jaren zeventig en tachtig stond Slobodan Mitric (alias Karate Bob) te boek als een gevaarlijke crimineel. Het Kleintje onthulde in het eerste deel van dit verhaal dat hij desondanks uiterst aktief was voor een in het geheim opererende groep onder leiding van Hans Teengs Gerritsen. Een vriend door dik en dun van prins Bernhard. Onze poging om een wat duidelijker beeld van deze groep te krijgen, bracht ons terug naar de Menten-affaire en de sinistere rol van voormalig Abwehr-agent Michael graaf Soltikov in het leven van de familie Zur Lippe Biesterfeld.

door Jan Portein

Soltikov had een niet gering aandeel bij het in Kleintje Muurkrant nummer 339 al vermelde oprollen van de Pools/Franse spionagegroep van Jurek Sosnovski in februari 1934. Deze Abwehr-operatie stond onder leiding van Kptlt. Richard Protze (alias Onkel Richard), die ook verantwoordelijk was voor het "omdraaien" van Sosnovski's rechterhand kolonel Alexei Pantchoulidzew, de levensgezel van prins Bernhard's moeder. Protze was een oude vriend van admiraal Wilhelm Canaris, die begin 1935 het roer van de Abwehr overnam. Op dat moment was de gezamenlijke operatie van de Abwehr-afdeling III F en NW 7 om prins Bernhard aan de Nederlandse kroonprinses te koppelen al enige tijd onderweg. Hoe belangrijk Canaris cs. deze liaison vonden bleek begin 1937. Kort na het huwelijk van hun "asset" met Juliana vestigde Protze, de nestor van de Abwehr IIIF, zich op de Bloemcamplaan 36 in Wassenaar. Later zou hij verhuizen naar een luxe villa aan de Wittenburgerweg 22. In het bijbehorend tuinhuisje bewaarde hij relikwieën die herinnerden aan de grote successen uit zijn roemruchte Abwehrcarriëre, waaronder het Englandspiel. En volgens getuigen hingen in de hal van het huis portretten van Wilhelmina, Juliana en Bernhard. Zo gefocust was hij op zijn laatste grote opdracht.

Tiny en Alexei
Soltikov vertrok na afloop van de zaak-Sosnovski naar Parijs om aan de Sorbonne zijn rechtenstudie voort te zetten. Een paar jaar later verhuisde hij naar Oxford. Daar maakte hij ondermeer kennis met Roland Walter Fuhrop. Deze veel jongere medestudent was in 1917 in een Brits concentratiekamp in India geboren. Zijn vader had de pech Duitser te zijn en dat was voor de Britten, die het in India toen nog voor het zeggen hadden, voldoende geweest om hem samen met zijn vrouw en zijn twee andere zoons achter prikkeldraad te deponeren. Oorlog is oorlog. Het vormde voor Fuhrop sr. echter geen enkel beletsel om zich met zijn Brits/Nederlandse vrouw en zijn drie kinderen na de Eerste Wereldoorlog toch in Engeland te vestigen en een pakketdienst in het leven te roepen tussen Hamburg en Londen. Na een bescheiden beginperiode kwam senior handen tekort en huurde daarom die van zijn twee oudste jongens in. Zijn derde, Roland, ging naar Oxford. Maar ook hij liet af en toe zijn handen wapperen in de zaak van zijn vader. In die periode leerde de jongste Fuhrop dus Soltikov kennen, die buiten zijn studie er wat bij schnabbelde als vertegenwoordiger van een producent van exclusieve Duitse limousines. Een solide cover voor de Abwehr-Sonderführer die dankzij deze nieuwe, zorgvuldig gekweekte relatie over een eigen perfect geëquipeerde verbinding met Hitler-Duitsland kon beschikken. Maar de Britse veiligheidsagenten waren niet op de achterkant van hun gleufhoed gevallen. Zij wisten wie Soltikov was en zetten hem in 1939 het land uit. De graaf keerde terug naar Duitsland en vestigde zich opnieuw in Berlijn. Volgens Britse bronnen verbleef hij in die tijd echter ook regelmatig in een pied-à-terre in Kaldenkirchen, net over de Nederlandse grens bij Venlo. Daar was het westelijk verdeelcentrum van de Reichspost gevestigd waar ook het brief- en pakjesverkeer uit de westeuropese landen werden behandeld. Of langs die weg de verbinding met Fuhrop, die na de oorlog zijn naam zou veranderen in Tiny Rowland en furore zou maken als internationaal zakentycoon, verder in stand werd gehouden vermeldt de historie niet. Mocht dat wel zo zijn dan duurde het in ieder geval niet lang. Na het uitbreken van de oorlog namen Fuhrop's twee oudste zoons dienst bij de Wehrmacht en verdween de jongste opnieuw achter prikkeldraad. Ditmaal in Ierland. Hoe dit ook zij, vanaf diezelfde tijd fungeerde de toen volledig in de Abwehr opgenomen Soltikov naar eigen zeggen tot aan het eind van de oorlog wel als postale trait-d'union tussen prins "Observator" Bernhard en diens op het familielandgoed Reckenwalde achtergebleven moeder Armgard met haar Abwehrsecondant Alexei Pantchoulidzew . De inhoud van de prinselijke correspondentie had voor een deel betrekking op een plan dat door Pantchoulidzew na de gezamenlijke Poolse veldtocht van de Wehrmacht en de SS-roedels was ontwikkeld. Zonder twijfel in samenspraak met Bernhard. Het plan had de codenaam 3 F gekregen en hield in dat Nederland zich niet gewapenderhand zou verzetten als Duitsland zijn invloedssfeer wenste uit te breiden tot aan de Noordzee. En dat na die geruisloze overname prins Bernhard met Juliana aan zijn zijde als Hitler's Reichsstatthalter zou fungeren. Daarmee zouden de Nederlandse havens en vliegvelden als belangrijke peilers van de Nederlandse economie intact blijven. Terwijl binnen die constructie bovendien het bijvoorbeeld rijk aan olie zijnde Nederlands-Indië de facto onder Duits gezag zou komen te staan en zo in ieder geval behoed zou worden voor een eventuele Japanse bezetting. Een optie die in politiek-Berlijn als uiterst aangenaam werd ervaren maar ook in politiek-Den Haag aanhang genoot. Met name in de "inner circle" (samengesteld uit minister-president De Geer, minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens en minister van Oorlog Dijxhoorn) van het in augustus 1939 aangetreden kabinet. De neiging tot deze oplossing werd versterkt door de alarmerende berichten van de Nederlandse militaire attaché in de Duitse hoofdstad, majoor G.J. Sas, die een paar weken na Hitler's operatie in Polen met eigen ogen de resultaten van de slachtpartij had mogen aanschouwen. Onder begeleiding van zijn "vriend" kolonel H. Oster, de rechterhand van Abwehrchef Canaris. De bedoeling was duidelijk. Daarna "verraadde" Oster de voordurend opschuivende datums van de ophanden zijnde Duitse inval aan Sas en verschafte deze op zijn beurt aan Oster de nodige gegevens over het Nederlandse defensieapparaat. Voor wat hoort wat. Zeker in dit soort business . Het voordeel voor de Abwehr was tweeledig. De dienst was via deze verbinding namelijk niet alleen in de gelegenheid om gevoelige informatie over de Nederlandse strijdkrachten en de militaire planning te verwerven, maar ook om de druk te verhogen en het plan van Pantchoulidzew en Bernhard door de Haagse strotten te wringen. Er was één probleem. Bernhard durfde het plan niet te ondertekenen. Hij was bang dat zijn voorgenomen greep naar de macht voortijdig zou uitlekken en dat hij dan gelyncht zou worden. Niettemin bleef hij op het terrein van geruisloze overnames buitengewoon aktief voor de Abwehr.

Bernhard en Leopold
Begin november 1939 zag het er even serieus naar uit dat de Tweede Wereldoorlog zijn "phoney"-karakter zou verliezen . In de nacht van 6 op 7 november kwamen koning Leopold van België en zijn stafchef, de zeer pro-Duitse generaal Raoul van Overstraeten, dan ook naar Den Haag voor spoedoverleg met koningin Wilhelmina en prins Bernhard. Bij die gelegenheid zou de prins volgens diens moeder tegen Leopold hebben gezegd: "Midden november rukken de Duitsers binnen. Neem een besluit: vecht of geef zonder strijd de havens en vliegvelden over, de tijd dringt". In hoeverre de toch al van de Duitse overwinning overtuigd zijnde Belgische koning door de uitspraken van onze "Observator" is beïnvloed zal misschien ooit in deze eeuw nog eens uit stoffige dossiers worden opgevist. Maar opvallend is wel dat de vorst der Belgen niet lang daarna de voormalige socialistische voorman Hendrik de Man op pad stuurde met een geheim plan dat werd gesteund door de top van het Belgische militaire apparaat en het Belgische bankwezen. Het plan behelsde de vorming van een Belgisch militair bewind na een soepele Duitse machtsovername. De leiding ervan zou berusten bij koning Leopold die op zou treden als Gauleiter i.c. Hitler's vertegenwoordiger in Brussel . Statthalter, Gauleiter, what's in a name? Vooral onder invloed van Frans/Britse diplomatieke druk en militair-strategische voorbereidingsactiviteiten kwam van deze geruisloze Duitse overnameplannen echter niets terecht. In tegenstelling tot Bernhard bleef Leopold waar hij was toen in mei 1940 Hitler's tanks en vliegtuigen de Lage Landen nog platter maakten dan ze al waren. Hij zou een paar jaar lang als nutteloze marionet fungeren en na de oorlog de rekening gepresenteerd krijgen voor zijn lafhartig gedrag.

Met Bernhard liep het anders. Nadat hij zijn schoonmoeder en zijn vrouw en kinderen in Londen had gedropt keerde hij op initiatief van jonkheer H.F.L.K. van Vredenburch, een topambtenaar van Van Kleffen's ministerie van Buitenlandse Zaken, naar Nederland terug . Op het oog een onderneming die net zoveel nut had als het uitbaten van een ijssalon op Nova Zembla en die door Wilhelmina categorisch zou zijn verboden. Maar in het licht van het plan 3 F was het een logische stap. Het aanstellen van een Statthalter die inmiddels de poten had genomen naar Londen zou voor Berlijn immers ondenkbaar zijn. Dwars tegen de richting Duinkerken vluchtende meute van burgers en militairen in reed de prins dan ook met de moed der wanhoop in gezelschap van koningin Wilhelmina's adjudant kolonel Phaff (!) en Van Vredenburch naar Sluis in Zeeuws-Vlaanderen. Met wie hij vandaaruit contact heeft proberen te zoeken in verband met 3 F is onbekend, maar door de toenemende chaos zal het kwartje niet gevallen zijn. Het trio repte zich vervolgens naar Parijs, waar de prins via zijn oude inlichtingennetwerk wellicht alsnog verbinding hoopte te maken. Het mocht niet baten en het trio keerde na een paar dagen onverrichterzake naar Londen terug. In de maanden daarop werden door het défaitistische kabinet De Geer nog verschillende pogingen ondernomen om tot een separate vrede met Hitler-Duitsland te komen . Bij één daarvan zou Soltikov betrokken zijn geweest. Hij was volgens zijn eigen relaas in de zomer van 1940 door de Abwehr samen met Pantchoulidzew naar Zwitserland gezonden om met een vertegenwoordiger van de Nederlandse regering opnieuw te onderhandelen over het stadhouderschap van Bernhard. Mogelijk was die vertegenwoordiger wederom jonkheer Van Vredenburch die in diezelfde zomer door Spanje, Portugal en het nog niet bezette deel van Frankrijk rondbanjerde om in opdracht van de Nederlandse regering steunpunten aan te leggen voor Nederlandse vluchtroutes. Onder dat mom bracht hij echter ook een paar dagen in Zwitserland door en over dat verblijf is altijd een diep stilzwijgen bewaard.
Op 24 april 1942, toen de Russen de Duitsers een halt hadden toegeroepen, het linkse verzet in Nederland steeds driester optrad en in Nederlands-Indië de Japanse vlag was gehesen, zou Bernhard tijdens een verblijf in Washington het stadhouderplan van Pantchoulidzew weer uit de ijskast hebben opgediept. Op die datum zou hij volgens een aantal artikelen in de Nederlandse pers een schrijven naar Berlijn hebben gezonden waarin hij aan de Führer liet weten graag als diens Statthalter te willen fungeren en Nederland in nationaal-socialistische zin willen te besturen. Ondertekend en wel. En opnieuw stond Nederland bij deze vrijage niet alleen. Er zijn aanwijzingen dat men in kringen van de Belgische regering in Londen in diezelfde periode evenmin afkerig was van een vergelijk met de Duitse bezetters en koning Leopold . Het liep allemaal even anders.

Zur Lippe - Soltikov: 0 -1
Net als bij de affaire rond King Kong moesten na de oorlog om begrijpelijke redenen ook bij de kwestie 3F loodgieters aan het werk om lekkages te voorkomen. Zo werd een Nederlandse Abwehragent die beweerde over een copie van de brief uit 1942 te beschikken in Fort Blauwkapel opgesloten en geroosterd door een Brits/Nederlands debriefingteam van in totaal 22 man. Zijn vroegere Duitse Abwehrmentor werd zelfs naar Nederland gehaald om hem te bewerken. Maar vergeefs. Hoewel hij ruim en breed de doodstraf had verdiend, ondermeer voor zijn formidabele aandeel bij het Englandspiel, werd hij in 1953 al op vrije voeten gesteld en verdween in de vergetelheid.
Tussen 3 april en 1 mei 1946 verbleef ook de oude Richard Protze in Blauwkapel. In hoeverre zijn debriefing serieus valt te nemen is de vraag. Op 25 juli schreef hij vanuit zijn woonplaats Schönberg in Sleeswijk Holstein aan één van zijn Nederlandse ondervragers, de BNV-er Hein Siedenburg, een vriendelijk bedankbriefje voor de voortreffelijke manier waarop hij en zijn vrouw in Nederland waren behandeld en de uitstekende begeleiding bij hun terugkeer naar huis. Dat ruikt op zijn minst naar een fris boeketje deals.
Een groter probleem vormde Michael graaf Soltikov, die zich in het naoorlogse Duitsland in de journalistiek had gestort. Om hem tijdelijk uit de roulatie en in ieder geval monddood te krijgen beschuldigde de familie Zur Lippe Biesterfeld de schrijvende graaf ervan tijdens de oorlog verantwoordelijk te zijn geweest voor de executies van de gerenommeerde Duitse diplomaat Albrecht graaf Von Bernstorff en van de jonge officier Ewald von Kleist. Tijdens het proces versus Soltikov in München bleef van beide beschuldigingen geen spaan heel. Von Kleist bleek zelfs nog in leven te zijn. De graaf ondernam na zijn vrijspraak onmiddellijk een tegenaanval en wist langs gerechterlijke weg een financiële genoegdoening wegens smaad af te dwingen. Prinses Armgard zegde toe 100.000 gulden naar de rekening van Soltikov over te zullen hevelen zodra zij een herstelbetaling zou hebben ontvangen voor haar landgoed, dat na de oorlog in Poolse handen was overgegaan. Op aandringen van Konrad Adenauer, Duitsland's eerste na-oorlogse Bondskanselier, beloofde graaf Soltikov op zijn beurt niets over de Abwehrconnecties van de familie Zur Lippe en de operatie 3 F naar buiten te brengen vóór het aftreden van koningin Juliana. Dat Soltikov goed beslagen ten ijs wilde komen als die gelegenheid zich in de toekomst mocht voordoen, laat zich raden. Drie van zijn vroegere superieuren bij de Abwehr (Rohleder, Von Bentivegni en Von Brandenstein) bleken begin 1956 op zijn verzoek bereid om schriftelijk te verklaren dat het plan 3 F wel degelijk had bestaan en dat het door Canaris als een uiterst serieuze optie was beschouwd. Zoals afgesproken zou Soltikov deze formidabele bom niet voor Juliana's abdicatie tot ontploffing brengen. Maar dat hij in datzelfde jaar al bijna de lont kon aansteken, zal hij nauwelijks hebben verwacht. Toen werd namelijk de affaire rond de op Soestdijk actief zijnde gebedsgenezeres Greet Hofmans via Der Spiegel en de Daily Express aan het rollen gebracht door een oude bekende van zowel Bernhard als Soltikov: Sefton Delmer. Langs die weg probeerden Berhard en diens moeder, geassisteerd door KVP-leider Romme Juliana als niet helemaal fris weg te stoppen in de Ursula-kliniek van dokter Ed Hoelen in Wassenaar .
Met in het nabije verschiet de abdicatie van Juliana. Een riskante onderneming, maar wellicht waren de Zur Lippes van oordeel dat Soltikov's vuurwerk weinig kwaad kon als zij eenmaal de koninklijke lakens uitdeelden. Het op Warmelo uitgebroede plan mislukte en Soltikov moest wachten tot het midden van de jaren zeventig voor hij opnieuw naar de lucifers kon grijpen.
Toen kwamen parallel aan elkaar de Lockheed-affaire en een nieuwe versie van de zaak-Menten tot leven. En keren we terug naar waar we begonnen: de rol van Karate Bob.

Noten.
1. De spionagetak van IG Farben. Zie ook Kleintje 339.
2. Belangrijke burgerinformanten kregen bij de Abwehr de officieuze titel Sonderführer.
3. Soltikov frequenteerde vaak dezelfde feesten als Sefton Delmer die ten opzichte van de Britse geheime dienst dezelfde positie innam als Soltikov ten opzichte van de Abwehr. Soltikov trad op als getuige in het proces tegen Sosnovski. Dat kan Delmer nauwelijks zijn ontgaan.
4. Zie Kleintje 339.
5. Idem.
6. 3 F stond voor "Drei Frauen": Wilhelmina, Juliana en Armgard.
7. Sas' voorganger in Berlijn, kapitein Hasselman, deed hetzelfde (zie Het Parool 29 augustus 1992). Sas werd tijdens de oorlog voor alle zekerheid veilig weggestopt in Canada waar hij opgezadeld werd met de beveiliging van prinses Juliana en haar kroost.
8. Daags na de Duitse inval in Polen begin september 1939 verklaarden Frankrijk en Engeland de oorlog aan Hitler. Maar pas in mei 1940 werd het menens. De tussenliggende periode werd betiteld als "Phoney-war" ofwel schijnoorlog.
9. Zie "De mooiste jaren van een generatie" van Walter de Bock, Berchem: uitgeverij EPO, 1982.
10. Van Kleffens was de vroegere secretaris van Shell-Führer Deterding, die zowel met Bernhard als Pieter Menten te maken had gehad (zie Kleintje 339).
11. Bijvoorbeeld via KLM-direkteur Plesman en de Nederlandse gezant in Istanbul, Visser.
12. Zie bijvoorbeeld het artikel "Oerwoud vol tegenstrijdigheden" van Henk de Mari in De Telegraaf 22 januari 1977.
13. Zie "De mooiste jaren van een generatie" van Walter de Bock, Berchem: uitgeverij EPO, 1982.
14. Samen met Kortenhorst betrokken bij de Remaco- en Mentenaffaire. Zie Kleintje Muurkrant 339.
15. Na de oorlog wist Hoelen de van oorlogsmisdaden verdachte Pieter Menten een tijdlang uit de gevangenis te houden door hem psychisch niet in orde te verklaren en hem te laten verzorgen in de Ursula-kliniek.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 340, 14 januari 2000

  • Datum: .

Het Schaduwcommando van de prins (005)

Slobodan Mitric - alias Karate Bob - knapte in de jaren zeventig en tachtig klussen op voor een geheime groep onder leiding van Hans Teengs Gerritsen. Eén van die klussen had naar eigen zeggen te maken met de zaak Menten, de ander met een grote drugszaak. In de voorafgaande nummers volgden wij het Mentenspoor en stuitten daarbij op het plan 3 F en de Abwehragent Michael graaf Soltikov. In dit nummer keren we terug naar het Schaduwcommando.

door Jan Portein

In 1971 overleed prins Bernhard's moeder, prinses Armgard. Drie jaar na de dood van haar vaste slippendrager Alexei Pantchoulidzew. Kasteeltje Warmelo, dat in 1952 door prins Bernhard was gekocht om zijn moeder en haar kolonel een redelijk dak boven het hoofd te verschaffen, stond leeg. Het duurde tot 1 juli 1974 tot de prins het keurig onderhouden landgoed van de hand deed. Volgens de boeken van de nieuwe eigenaar Evlyva Trust in Liechtenstein had hij daar 1 miljoen dollar voor gebeurd. In veler ogen een krats. Temeer daar in diezelfde boeken de waarde van het nieuw verworven bezit op 45 miljoen dollar werd geschat. Evlyva was een volle dochter van de in een uiterst kwade reuk staande International Credit Bank (ICB) en werd beheerd door dr. Herbert Batliner, een achtenswaardige ingezetene van Vaduz wiens naam momenteel wordt verbonden aan de CDU-affaire (1). Aan het hoofd van de ICB stond de louche bankier Tibor Rosenbaum, een goede vriend van prins Bernhard en net als Batliner toegetreden tot de fine fleur van de World Wildlife Foundation, de Pandaclub (2). Het feit, dat de prins op financieel gebied niet bekend stond als iemand die vaak zei "laat de rest maar zitten" doet het vermoeden rijzen dat aan de verkoop van Warmelo een ranzig luchtje zat. Inmiddels zat de naar Zuid-Frankrijk verhuisde Soltikov op hete kolen. De deal met prinses Armgard uit de jaren vijftig, waarbij hem 100.000 DM was toegezegd als compensatie voor de schade die de Lippe Biesterfelds hadden toegebracht aan zijn eer en goede naam, was door het overlijden van Bernhard's moeder in een juridisch vacuüm terechtgekomen (3). Ook al omdat de verkoop van het in Polen gelegen landgoed Reckenwalde, waaruit die 100.000 DM gegenereerd zouden worden, nog steeds niet rond was.
Wat dat laatste betrof gloorde er hoop. Eind 1974 ontving de staat der Nederlanden 8 miljoen gulden van Polen als een soort Wiedergutmachung voor de financiële aderlating die een aantal Nederlanders had ondergaan na de communistische overname van het land. Prins Bernhard eiste 1 miljoen daarvan op voor het verlies van Reckenwalde. De regering Den Uyl vond 150.000 gulden met belastingaftrek voldoende en ergens in 1975 viel het bericht op de deurmat van Soestdijk dat de prins in de loop van de weken daarop een bedragje van 75.000 gulden mocht verwachten. Of dat de prelude vormde voor het gerucht dat een deel van het crème van onze samenleving een staatsgreep overwoog ten behoeve van de prins is de vraag (4). Maar dat Bernhard pisnijdig was over het onverwachte staaltje gruttersmentaliteit van de "potverteerders" in Den Haag staat zo vast als een koninklijk huis. Opnieuw stond Soltikov in dubio. Was Reckenwalde juridisch gezien nu verkocht of niet en kon hij prins Bernhard over de onopgeloste kwestie benaderen? Desnoods door subtiel aan het plan 3 F te herinneren. Of de graaf tot stappen is overgegaan blijft duister. Maar inmiddels maakte Nederland zich op voor een zeldzaam natuurverschijnsel. Er naderde een cycloon die van het KNMI de naam "Lockheed" had meegekregen. Met in zijn kielzog een enorme randstoring onder de naam "Pieter". We zullen ons focussen op het laatste.

De belegger
In 1976 kondigde de aartsrijk geworden Blaricumse belegger Pieter Menten de verkoop van zijn schilderijenbezit aan in De Telegraaf. Er kwamen heel wat reacties los, maar sommige daarvan zal de doorgewinterde miljonair zeker niet hebben verwacht. In Israël verschenen in de pers namelijk opnieuw berichten over zijn wandaden in Galicië, die in Israëlische ogen na de oorlog niet cq. veel te lankmoedig waren bestraft. De journalist Hans Knoop, hoofdredacteur van het tot het Telegraaf-concern behorende weekblad Accent, nam de handschoen op en begon de jacht op Menten. Merkwaardigerwijs nam De Telegraaf zelf de verdediging van de voormalige Sonderführer op zich, in de persoon van journalist Henk de Mari. Hoewel niemand in Nederland voor hetzelfde vergrijp opnieuw berecht kan worden (ne bis in idem), begon Menten zich langzaamaan toch wat onrustig te voelen bij de stortvloed aan beschuldigingen dat hij actief betrokken was geweest bij de bloedbruiloft die het bataljon "Nachtegaal" in Lemberg en naaste omgeving had aangericht (5). Menten nam na een tip vanuit het justitieel apparaat in de nacht van 14 op 15 november 1976 de benen naar Zwitserland. Samen met zijn vrouw. In de haast vergaten zij het cijferslot van de brandkast in te stellen. Een zalfje voor de recherche die zich later toegang verschafte tot hun verlaten villa. Mogelijk is bij die gelegenheid ook materiaal in beslag genomen dat betrekking had op Menten's connectie met de prins en/of op het plan 3 F. Pieter betrok een eenvoudige hotelkamer in het Zwitserse dorp Uster en ontving daar zo discreet mogelijk via de garage-ingang van tijd tot tijd zijn vrouw, die bij kennissen logeerde, en wellicht ook anderen (6).
Ondertussen werd minister van Justitie Van Agt in Nederland met de grond gelijk gemaakt. Als reactie trok Justitie alle registers open om Menten terug te vinden, waarbij zelfs diens advocaat, in die periode de Amsterdamse advocaat mr. Hoorneman, illegaal werd afgeluisterd. Dankzij een tip van een journalist van het Usterse sufferdje werd Menten op
6 december 's avonds laat met medewerking van de Zwitserse hermandad ingerekend en na ettelijke dagen juridische haarkloverij gevankelijk naar Nederland teruggevoerd. Daar belandde hij in het Amsterdamse Huis van Bewaring. Het echte onderzoek kon beginnen en Menten nam een nieuwe advocaat: mr. B. Simon uit Utrecht.

De pianist
Eind december kreeg de Utrechtse advocaat mr. L. Simons een telefoontje van de hem onbekende Loek van der Gaag. Deze verkeerde kennelijk in de veronderstelling dat hij te doen had met Menten's verdediger die zonder de letter "s" achter zijn naam door het leven ging. Van der Gaag kondigde tijdens dat gesprek aan dat hij met een aantal Haagse vrienden een poging zou doen om Menten te bevrijden uit het Huis van Bewaring. De naam van één van die vrienden luidde Paardekoper (al dan niet met dubbele "o"). Van der Gaag gaf de verbijsterde mr. Simons zijn geheime telefoonnummer in Leiden en zei dat hij nog nader contact met de advocaat zou opnemen. Na het gesprek waarschuwde Simons direct de Utrechtse recherche. Wat die met de informatie heeft gedaan begrijpt zelfs een eerstejaars student in de rechten. Van der Gaag nam overigens nooit meer contact met Simons op. Dat kon ook moeilijk want in de nacht van 2 januari 1977 verdronk hij in de Vliet bij Leiden.
Samen met Jopie Nipius, de koningin van de Haagse roze buurt en levensgezel van Henk Bartels, alias "de zingende rat" (7). Een merkwaardige dood. Bij het rechercheonderzoek kwam aan het licht dat de wagen waarin zij zaten eerst was gestopt bij een verderop liggende brug. Daar had Van der Gaag een koffer aan de kant van de weg gedeponeerd, die even later door een taxichauffeur werd opgehaald en in een hotel in Leiden werd afgeleverd. Van der Gaag en zijn vrouwelijke metgezel waren doorgereden en vervolgens via het talud te water geraakt. Hun wagen had daarbij een hoek van bijna negentig graden gemaakt en was precies tussen twee bomen door gehobbeld. Ging het om een bizar ongeluk of was Van der Gaag gezelfmoord vanwege zijn ondoordachte telefoontje? Was de aanwezigheid van Jopie Nipius toeval? Wat was de inhoud van de koffer, die blijkbaar droog moest blijven? En wie was eigenlijk Van der Gaag?

Ten tijde van zijn dood was Loek van der Gaag 39 jaar. Hij was een bekende figuur in het mondaine uitgaansleven van DenHaag en stond als impresario annex concertpianist te boek. Maar erg succesvol was hij niet. Behalve merkwaardigerwijs in het Oostblok, waar hij nogal vaak vertoefde. Verder gaf hij tot volle tevredenheid pianoles aan "tout" Wassenaar en verzorgde in dat milieu ook huisconcerten. Eén van de knusse gezinnetjes die hem buiten de regio DenHaag daarvoor af en toe inhuurde was de familie Menten uit Blaricum, die hem ook anderszins af en toe financieel bijstond. Een andere sponsor was... Jopie Nipius. Na Van der Gaag's somber overlijden trof de recherche een officieel diplomatiek paspoort bij hem aan, afgegeven door de Franse ambassade in DenHaag. Alles bij elkaar genomen vertoonde de pianist alle trekken van iemand die in het grijze grensgebied van spionage en onderwereld opereerde. Zoals gebruikelijk werd de geschiedenis rond zijn dood bijna net zo snel begraven als hijzelf. Maar één naam in de berichtgeving was intrigerend: Paardeko(o)per. Hij was volgens Van der Gaag één van de Haagse vrienden die hem zou helpen bij de bevrijding van Menten uit het Amsterdamse Huis van Bewaring. Toevallig was die naam synoniem aan die van de ex-directeur van het Leidse legermuseum. Toevallig was deze Paardekooper de beste vriend van de conservator van dat museum, Kurt Görlitz. En toevallig was dat nou net de man die samen met William Küchler in die tijd bij verschillende gelegenheden Slobodan Mitric uit de Scheveningse gevangenis haalde om niet ongevaarlijke klussen uit te voeren. Eén daarvan had volgens Mitric zelf te maken met Menten. Een conclusie hieraan verbinden is misschien wat voorbarig. Eén van de weinigen die klaarheid in deze kwestie zou kunnen brengen is Mitric zelf, maar die heeft daar geen enkel belang bij. Hoewel. Ondanks zijn assistentie bij allerlei geheime operaties ten behoeve van de staat der Nederlanden heeft diezelfde staat der Nederlanden hem beroerd behandeld. Talloze malen is hem het Nederlanderschap toegezegd. Maar die toezeggingen zijn nooit geëffectueerd, zodat hij sedert de invoering van de koppelingswet zelfs zijn uitkering verloor en zijn rijbewijs niet verlengd werd. Maar dat kon hij in de jaren zeventig nog niet bevroeden en hij werkte dus noodgedwongen mee aan allerlei acties die het licht zelfs nu nog niet kunnen verdragen. Soms zelfs buiten onze landsgrenzen. In 1978 bijvoorbeeld werd hij uit de gevangenis in Scheveningen opgetrommeld voor een missie in België. Met een wagen die op naam stond van de Rotterdamse BV Veenendaal trok de Joegoslavische gedetineerde vrolijk de grens over. Wat zijn opdracht precies heeft behelsd wilden onze bronnen niet kwijt. Zij wezen er echter wel fijntjes op dat de wagen van de BV Veenendaal volgens de Brusselse recherche gesignaleerd was bij de plek waar een aanslag was gepleegd op een Joegoslavische militaire hoogwaardigheidsbekleder...

De graaf
Wat was er inmiddels, na het echec van het bevrijdingsplan van Van der Gaag cs. begin januari 1977, met de verdediging van de gedeeltelijk met die van prins Bernhard parallel lopende belangen van Menten gebeurd? Al een paar weken na het "verongelukken" van de pianist verscheen De Telegraaf met een artikel van de hand van Henk de Mari, waarin voor het eerst de contouren van het plan 3 F aan de oppervlakte kwamen (8). Met name de brief van 24 april 1942 waarin prins Bernhard zijn diensten aanbood als Statthalter. De mededelingen daarover waren afkomstig van de in de jaren zestig naar Majorca verhuisde Jeanette Kamphorst. Geen onbekende van Menten en oud-eigenaresse van een café op het Amsterdamse Rembrandtplein die in de naoorlogse periode fanatiek naar de brief op zoek was geweest. Met welk doel dan ook (9). Op het oog heeft deze publicatie weinig effect gesorteerd. Maar De Mari liet dit onderwerp niet zomaar schieten. Een paar jaar later kwam hij achter het bestaan van Michael graaf Soltikov en reisde met gezwinde spoed af naar diens verblijfplaats in het Franse Villefranche sur Mer. De graaf vertelde hem exact hoe het zat met het plan 3 F en dat hij nog iets tegoed had van de familie Lippe Biesterfeld. De Mari kende misschien wel een paar Nederlandse advocaten die iets voor de oude graaf konden doen. Niet veel later meldde zich bij Soltikov een verrassend specimen uit onze advocatuur, samen met zijn echtgenote. De in 1979 uit de vergetelheid getrokken Pim Lier, de halfbroer van koningin Juliana. Mevrouw Soltikov in een brief dd. 14 maart 1996: "... I met mr. Lier with his charming wife. With both of them we had friendly contacts and French restaurant dinners".

De andere advocaat die Soltikov werd aanbevolen was mr. Van Heijningen, de advocaat van Menten. Het Soltikov-artikel van De Mari werd door zijn krant niet gepubliceerd. Begin 1980 nam Vrij Nederland journalist Igor Cornelissen de fakkel van De Mari over en liet vanaf 12 april een formidabele artikelenreeks het licht zien waarvan de essentie voor een groot gedeelte ook is terug te vinden in Soltikov's boek "Ich war mitten drin" (Wien/Berlin, 1980). Kort daarvoor was koningin Juliana afgetreden. Soltikov had zich tot het laatst aan de afspraak met Adenauer gehouden (10). Of hij daar ooit voor is beloond is twijfelachtig. In 1982 verhuisde hij terug naar Duitsland en nam zijn dossiers mee. Volgens zijn weduwe zijn ze verbrand na zijn dood. Het effect van Cornelissen's publicitaire hoogstandje was nul. Misschien was Nederland Bernhardmoe.

In onze laatste bijdrage onder het hoofdje "Het prinselijk schaduwcommando" besteden we in het volgende Kleintje aandacht aan de activiteiten van de groep van Teengs Gerritsen versus de georganiseerde misdaad.

Noten:
1. Zie recente artikelen over de CDU-affaire op de Stelling-internetsite www.stelling.nl/morgenster
2. Zie voor de geschiedenis rond Evlyva en de ICB bijvoorbeeld het boek "Prins Bernhard, een politieke biografie" van Wim Klinkenberg (Uitgeverij In de Knipscheer, 1986 - derde druk).
3. Zie Kleintje Muurkrant 340.
4. Dat was niet voor het eerst. Ook in 1965 werden op bescheiden schaal voorbereidingen getroffen voor een coup. Zowel in 1965 als in 1975 waren daarbij volgens de spaarzame verhalen uit die kring zowel de door zijn rol in het na-oorlogse Indonesië omstreden kapitein Westerling als figuren uit het ultra-rechtse Veteranenlegioen actief. Het is zeker niet onmogelijk, gezien de gemeenschappelijke achtergronden, dat ook het schaduwcommando van Hans Teengs Gerritsen en Kurt Görlitz daarin een aandeel hebben gehad.
5. Zie Kleintje Muurkrant 328.
6. In onderwereldkringen gaat het verhaal dat ook prins Bernhard de gevluchte miljonair daar bezocht heeft. Per auto. Voor die rit zou een employé van de PTT uit 't Gooi zijn ingehuurd die wel vaker dergelijke klussen opknapte en in het wereldje bekend stond onder de naam "Jan de slappe" vanwege zijn lange, wat slungelige figuur.
7. Bartels was goede maatjes met Chris Lindemans (alias King Kong) tijdens diens laatste levensdagen in juli 1946. In diezelfde periode stond King Kong onder controle van Hans Teengs Gerritsen, toen één van de topmensen van het Bureau Nationale Veiligheid.
8. Zie De Telegraaf van 22 januari 1977: "Oerwoud vol tegenstrijdigheden".
9. Zie Nieuwe Revu van 17 november 1978: "De dubbelspion Van Reede wist teveel".
10. Zie Kleintje Muurkrant 340.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 341, 11 februari 2000

  • Datum: .

Het schaduwcommando van de prins (006)

Naar eigen zeggen werd Slobodan Mitric, alias Karate Bob, in de tweede helft van de jaren zeventig toen hij tijdens zijn detentie in Scheveningen verbleef door de geheime groep rond Hans Teengs Gerritsen ingezet in een grote heroïnezaak. Die affaire vormde de inleiding tot een langdurig kruisen der degens met "Mooie Tinus" Fens, de toenmalige koning van de Haagse onderwereld. Mitric werd daarbij gerund door "kolonel" Kurt Görlitz en overste b.d. William Küchler.

door Jan Portein

Op 9 februari 1978 nam de recherche in een garagebox in Papendrecht 93 glimlachende Buddhabeeldjes uit Thailand in beslag. De actie maakte geen onderdeel uit van een Beeldenstorm-reprise maar vormde het sluitstuk van een internationaal gecoördineerde jacht op een partij heroïne ter waarde van 12 miljoen gulden, die in de beeldjes verborgen zat. Eén van de bij de jacht betrokken organisaties was de zelf tot zijn nek aan toe bij drugshandel betrokken CIA, die vanaf het moment waarop de beeldjes Thailand verlieten de partij in het oog hield (1). De eigenaar/financier van de verzameling Buddha's met inhoud was volgens het Openbaar Ministerie Tinus Fens, uitbater van sekshuizen en gokholen, handelaar in onroerend goed en al dan niet verboden commodities, levensgenieter. Na een monsterproces werd "Mooie Tinus" een paar maanden later tot acht jaar gevangenisstraf veroordeeld en met een wat eenvoudig uitgevallen busje overgebracht naar de penitentiaire inrichting Esserheem in het Drentse Veenhuizen. Wat de rol van Karate Bob is geweest bij het oprollen van Fens cs. is nooit naar buiten gekomen. Zelf was hij niet erg tevreden over de dekking die de groep-Gerritsen hem had geboden tijdens zijn activiteiten binnen deze affaire. En hij was bang dat Fens een licht was opgegaan. Dat bleek niet zo te zijn. De kwestie werd uitgesproken en ruim een jaar later werd Mitric opnieuw tegen de Haagse onderwereldkoning in het veld gebracht.

Connecties
In december 1979 verhuisde Bob vanuit Scheveningen eveneens naar het hoge noorden en begon de gekooide Fens systematisch "af te leggen". Niet alleen in opdracht van de groep-Gerritsen maar ook in het verlengde daarvan de Inlichtingen Dienst Buitenland (IDB) tussen 1980 en 1986 onder leiding van generaal-majoor b.d. A.J. Romijn, die Mitric in zijn correspondentie aanduidde als "Romano". Binnen het project werd nauw samengewerkt met de CIA. Als reden voor deze blijvende belangstelling van de zijde van de Company voor de organisatie van Fens, werd gefluisterd dat zij "Mooie Tinus" op politieke gronden niet vertrouwde. Hij zou namelijk in de jaren zeventig een maand of vier om onduidelijke redenen in de Sovjet Unie hebben vertoefd. Mogelijk. Zeker is in ieder geval, dat hij op grote schaal zaken deed met de Libanees/Palestijnse zakenman Hassan Zubaidi, die in het geheim de PLO financierde. Zubaidi werkte samen met Rifat Assad, de broer van de Syrische president, en Manzur al Khassar. Een Syrische tophandelaar op het terrein van wapens en drugs, die in later jaren zelfs tot een deal zou komen met Iran/Contra-complotteur Oliver North. Diepgaand onderzoek in deze materie van Kleintje Muurkrant heeft uitgewezen dat de PLO en Zubaidi in de periode kort na het in gijzeling nemen van het Amerikaanse ambassadepersoneel in Teheran (november 1979) een belangrijke rol hebben gespeeld bij de vrijlatingsonderhandelingen tussen de regering-Carter en het Khomeini-bewind. Die bemiddelingsrol legde Zubaidi geen windeieren. Hij werd op zakelijk gebied een belangrijke intermediair tussen het geïsoleerd geraakte Iran en de westerse wereld. Allerlei commodities waarvan het land in een klap was verstoken, werden via Zubaidi al dan niet legaal geleverd. Zelfs nucleair materiaal (2). Een sterke anti-Carter fractie binnen de Amerikaanse geheime diensten, die zich onder meer in 1980 onderscheidde bij de October Surprise-affaire (3) en later bij het Iran/Contra-complot, zag dit hele gebeuren met lede ogen aan en nam maatregelen om de Zubaidi-connectie onder controle te krijgen. Inclusief de Haagse koning van de onderwereld.
Mitric had al in 1976, toen hij juist in Scheveningen was gearriveerd, pogingen ondernomen om in contact te komen met de CIA. Hij had de Agency een paar brieven geschreven waarin hij een uitgebreid resumé gaf van de activiteiten van de verschillende Joegoslavische inlichtingendiensten en solliciteerde naar een vaste baan. Voor de verzending ervan had hij de hulp ingeroepen van Dusan Sedlar. Een via de World Anti Communist League (WACL) met de CIA in verbinding staande Servische ballingenleider, die in april 1980 in Düsseldorf zou worden vermoord. De eerste epistels die Mitric langs deze weg verzond waren aan hem terugbezorgd door Görlitz en Küchler, die de brieven in wezen gebruikten als een soort bewijs voor hun uitstekende contacten in de intelligence-wereld, naast hun lidmaatschapkaartjes van de MID (4). Na Sedlars ruw overlijden stuurde Mitric in het vervolg zijn voor de CIA bestemde post naar de Amerikaanse ambassade in Den Haag via Ebel Kuiper, de directeur van Esserheem. De als gevaarlijk bestempelde Joegoslaaf ging zelfs met directeur Kuiper een paar maal op stap om bezoekjes af te leggen aan de Amerikaanse consul in Rotterdam en de ambassade in Den Haag om kracht bij te zetten aan zijn wens om te verhuizen naar de Verenigde Staten en in dienst te treden van de CIA. Met ditzelfde doel introduceerden zijn "handlers" Görlitz en Küchler hem zelfs nog bij de Amerikaanse militaire attaché in ons land, Elmer Naber. Maar de Amerikaanse autoriteiten hielden de boot af. Onderwijl maakten zij wel dankbaar gebruik van de inlichtingen die Mitric hen verschafte. En die inlichtingen waren soms uiterst interessant.

Chantage à la carte
In de loop van 1980/1981 stuitte de Joegoslavische karate-expert op intrigerende verhalen over de connecties van Fens cs. in het zuiden van Spanje. Zij zouden daar in navolging van bijvoorbeeld het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds hun avontuurlijk verworven kapitalen beleggen in verschillende vakantiecentra. Met als ultieme klapper de bouw van een luxe jachthaven met een aanpalend exclusief winkel- en uitgaanscentrum en prijzige appartementen in het tegen Torremolinos aanleunende vissersplaatsje Benalmadena. Daarvoor was in maart 1979 in Den Haag een contract getekend door de Madrileense zakenman don Edmundo Alfaro Villen namens Fidecaya en de met Fens gelieerde Haagse huisjesmelker Harry Hilders namens Almathon BV, die voor 44 miljoen gulden deelnam (5). Op de 29ste van diezelfde maand tekenden de aannemers van het project: Jack Velez (namens de ondernemingen Ocatio, Outinord en Sacra) en Michel Unal (namens Spada). Benalmadena zou in de toekomst niet alleen gaan dienen als jachthaven maar ook als aanlegplaats voor uit Marokko en Libanon afkomstige drugsschepen van de Nederlandse mafia (6). Alles leek op rolletjes te gaan, maar in de loop van 1980 begon Villen's beleggingsonderneming Fidecaya plotseling water te maken en zonk. Dat had niet alleen rampzalige gevolgen voor alle kleine Spaanse beleggers in zijn onderneming, maar bracht ook de voortzetting van het Benalmadena-project in gevaar. Villen beschikte namelijk over de licentie voor het hele project. Tussen 29 augustus en 2 september 1979 kwamen de topmensen van het project in het Madrileense hotel Melia Castillo bijeen voor een spoedoverleg dat door CIA-agenten werd gemonitored. Besloten werd om door te gaan. Het gat in de begroting dat door het Fidecaya-schandaal was ontstaan, zou worden gedicht. Op welke manier dan ook.
Eerder dat jaar, op 6 maart 1980, was bij Wassenaar een geldwagen van Van Gend en Loos overvallen door lieden uit de côterie van Tinus Fens. Officieel bedroeg de buit een schamele 950.000 gulden. Tijdens het recherche-onderzoek kwam al spoedig aan het licht dat één van de chauffeurs, Philip van Loon, bij het opzetten van de overval betrokken was geweest, zij het onder druk van Fens' paladijnen. Hij was het haasje en belandde bij de andere haasjes in Esserheem. In de loop van 1981 vertelde hij aan Mitric dat de wagen buiten de kleine miljoen gulden ook nog onofficieel 3 miljoen dollar en 240 kilo goud van de Nederlandse bank had vervoerd. Die zouden bestemd zijn geweest voor de financiering van de mede door de CIA geïnitieerde militaire coup in Spanje op 23 februari van dat jaar (7). Maar volgens Van Loon was dat geld nooit gearriveerd en was mede daardoor de coup mislukt. Mocht dit verhaal juist zijn dan ligt de conclusie voor de hand dat de totale opbrengst van de Wassenaarse overval richting Benalmadena is gesluisd. Waarmee Fens een slechte wissel op zijn toekomst trok. Of hij zich dat heeft gerealiseerd blijkt niet uit zijn gedrag in de jaren daarop. Hij was herhaaldelijk om allerlei redenen buiten de poorten van Esserheem te vinden om zijn zaken op de rails te houden. En als hij binnen die poorten verbleef stond hij bijna dagelijks in contact met Willem Meijer, een belegger in onroerend goed die eveneens belangen had in het project aan de zuidspaanse kust. In later jaren zou deze kleurrijke figuur nog furore maken in de ABP-affaire door een vermeende chantagepoging op de directeur beleggingen van het op één na rijkste pensioenfonds ter wereld Ed (Mussert) Masson. En het bezorgen van rode oortjes aan een paar redacteuren van de Volkskrant met verhalen over de chantabiliteit van vele witte boorden in Nederland door hun bizarre sexuele escapades. Niet moeilijk te achterhalen wie in veel gevallen de auctor intellectualis daarvan was.
Inmiddels was Mitric op redelijk goede voet geraakt met de eveneens op tijdelijke basis in Esserheem verblijvende Frans de Wit, alias Pappa Blanca. Van deze Rotterdamse koppelbaas vernam hij een verhaal dat ook aan Fens en zijn volgelingen bekend was. Nederland zou volgens De Wit verzeild zijn geraakt in een deal waarbij Urenco tegen een navenante betaling in het geheim een gestolen partij uranium zou verrijken ten behoeve van een cliënt van Hassan Zubaidi, die voor Pappa Blanca geen onbekende was. Eén van de participanten in deze deal aan Nederlandse zijde zou een lid van de familie Lubbers zijn. En ook daarmee zou Pappa Blanca connecties onderhouden. Hij zou namelijk als koppelbaas arbeiders hebben geleverd aan Hollandia Kloos, één van de bedrijven van de familie Lubbers, en daardoor vooral directeur Rob Lubbers redelijk goed hebben leren kennen. Mitric zag zijn kans schoon om zowel voor zichzelf als voor De Wit een flinke krop sla uit de affaire te slaan. Ruud Lubbers had zich dan ook in 1982 nog maar nauwelijks in het Torentje gevestigd of hij ontving over deze nucleaire materie al een brief van Slobodan Mitric. In de loop van de volgende drie jaar ontstond een vrij regelmatig contact tussen de premier en Karate Bob, waarvoor de ambtenaar van Algemene Zaken Mansfeld (alias Mansfield!) als postillion d'amour fungeerde. Maar de onderhandelingen, waarbij Bob een pakket eisen bij de premier op tafel legde in ruil voor de partij gestolen uranium, leverde uiteindelijk niets op. De Joegoslavische ex-agent bleek namelijk in tegenstelling tot wat hij beweerde niet te weten waar de handelswaar verborgen was.

wapentuig
Ook op andere wijze was Mitric in de nesten geraakt. Tijdens een paar trips die hij in 1982 onder supervisie van Görlitz en Küchler maakte binnen het kader van het anti-Fens offensief zou hij een paar dames hebben verkracht, onder wie de echtgenote van Frans de Wit. Karate Bob bestreed dit in alle toonaarden en riep tijdens de rechtszittingen dat er een complot tegen hem was gesmeed. Najaar 1982 zou zijn straf voor de schietpartij in Amsterdam (8) erop zitten en hij verdacht de Nederlandse autoriteiten ervan de verkrachtingszaak te hebben geënsceneerd om hem achter slot en grendel houden. Omdat ze bang waren dat hij zijn kennis over de uranium-affaire naar buiten zou dragen. Dat was onzin. Want Bob had tijdens zijn detentie al het nodige over zijn belevenissen in Joegoslavië, Zweden, Frankrijk en Nederland in boekvorm uitgebracht. Zij het nogal versluierd, waardoor de kritische lezer nogal snel afhaakte. Eind 1983 zou hij een nieuw boek op de helling zetten dat in 1985 op de markt kwam onder de titel "Nederland's maffia" en een exposé bevatte over zijn wederwaardigheden rond de kwestie-Fens. Hoewel hij het in een briefwisseling met schrijver dezes ontkende, maakten ook Görlitz en Küchler onder de pseudoniemen Grauw en Thiessen hun entrée in het voor niet-ingewijden moeilijk te doorgronden boekwerk. Tijdens het gerechterlijk vooronderzoek in de verkrachtingszaak belde Mitric herhaaldelijk even Apeldoorn (i.c. Küchler) met het verzoek om op te draven als getuige à décharge. En Görlitz ook. Maar Küchler maakte de steeds bozer wordende Joegoslaaf duidelijk dat daarmee het bestaan van het geheime commando van prins Bernhard's vriend Teengs Gerritsen aan het licht zou komen. Hij kon dus niets voor hem doen. En Görlitz ook niet. Mitric begon Küchler persoonlijk te bedreigen. Volgens zijn echtgenote was dat naar haar overtuiging één van de oorzaken van het plotseling overlijden van haar man in het najaar van 1982. Zonder twijfel heeft Küchler "kolonel" Görlitz op de hoogte gesteld van de dreigende moeilijkheden. Gezien diens ook door Mitric geroemde integriteit zal Görlitz zeker hebben overwogen zijn trouwe Joegoslavische "enforcer" uit de puree te halen. En dat ook ter tafel hebben gebracht bij zijn superieuren.
Op 27 augustus 1984 werd Görlitz ten huize van zijn vriend Paardekooper (9) onwel. Hij werd met spoed overgebracht naar het Haagse Rode Kruis ziekenhuis, waar een hersenbloeding werd geconstateerd. Misschien niets bijzonders voor een man van 72 jaar, hoewel hij nooit iets had gemankeerd. Wel bijzonder was het geladen pistool dat hij bij zich bleek te dragen. Het was voor de leiding van het ziekenhuis aanleiding om de politie te alarmeren. De volgende dag om half een overleed Görlitz. Ruim twee uur daarna betraden een aantal agenten, een paar leden van de Explosieven Opruimingsdienst en een paar niet nader geïdentificeerde heren in burger in aanwezigheid en met toestemming van zijn nichtje zijn woning aan de Haagse Gasseltestraat. Het gezelschap trof er naast een enorme hoeveelheid boeken, kranten en tijdschriften ook een niet zo misselijke wapenvoorraad aan, waarvan een deel gekwalificeerd kon worden als museumstuk. Maar voor de rest gold dat zeker niet. Vooral de dertien schiet-balpennen vormden een aanduiding tot welke maatregelen de groep-Gerritsen zich soms geroepen voelde. Om negen uur 'savonds waren zowel de woning als de verschillende boxruimtes die de overledene in gebruik had gehad leeg. Vijf geheime tot ultra-geheime brieven, waaronder één van oud-president Soekarno van Indonesië uit de periode 1945/1949 (10), werden geconfisceerd.
In diezelfde maand augustus waarin Görlitz plotseling overleed werd Karate Bob van de koepel in Haarlem overgeplaatst naar Leeuwarden. Dat had nogal wat voeten in de aarde. Het was namelijk de enige keer in zijn jarenlange periode van detentie dat Mitric bang was om vermoord te worden. Dat gebeurde echter niet. Op zijn oude tegenstander Fens was inmiddels kort na zijn vrijlating een mislukte aanslag gepleegd. Een tweede, ditmaal succesvolle poging om bij hem het licht uit te doen volgde op 17 december van hetzelfde jaar in de hal van Almathon BV (11). Mitric maakte daarna zijn boek over de Fens-affaire af. Maar niet nadat hij aan de Nederlandse, Amerikaanse, Britse en Israëlische autoriteiten had beloofd daarin niets over de nucleaire zaak naar buiten te dragen (12). Hij hield zich aan zijn woord. Het geheime commando liep in de tweede helft van de jaren tachtig op zijn laatste benen en hield op te bestaan in 1990 toen Hans Teengs Gerritsen alias "Titani" op 7 oktober van dat jaar overleed. Temidden van gekrakeel over Gladio en de IDB, die beide door Lubbers in de periode die volgde om hals werden gebracht. Niet lang daarna kwam eveneens een roemloos einde aan zijn eigen politieke bestaan. Vooral door toedoen van de Amerikaanse president Clinton. Toeval bestaat niet.

Noten.
1. Uit "La Mafia Hundio Fidecaya" van de journalist Julian Lago in het Spaanse blad Interviu, z.j.
2. Vergelijk het Belgische gerechtelijk dossier betreffende de sekte "Ecoovie".
3. Zie daarvoor onder meer het gelijknamige boek van Gary Sick, uitgegeven door Times Books, Random House, New York 1991.
4. Zie het eerste deel van deze artikelenserie in Kleintje Muurkrant 337.
5. Zie het derde deel van "De achterkant van het beursschandaal" in Kleintje Muurkrant 320.
6. Idem.
7. Zie voor Amerikaanse rol onder meer "La alternativa militar" van José Luis Morales en Juan Celada, Editoral Revolucion, Madrid 1981.
8. Zie het eerste deel van deze artikelenserie in Kleintje Muurkrant 337.
9. Zie het tweede deel van deze artikelenserie in Kleintje Muurkrant 338.
10. Idem.
11. Zie het derde deel van "De achterkant van het beursschandaal"in Kleintje Muurkrant 320.
12. Dat valt te concluderen uit documenten uit het dossier-Mitric dat voorlag bij het proces rond de verkrachtingszaak en voor een klein deel in bezit zijn van Kleintje Muurkrant.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 342, 10 maart 2000

  • Datum: .

Kleintje Muurkrant - Postbus 703 - 5201 AS - 's-Hertogenbosch