Wolff in de klem

In Engeland ontrolt zich opnieuw een spionageschandaal van de eerste orde als gevolg van een zeer memorabele gebeurtenis eind 1998 in Berlijn. Ruim acht jaar na de val van de Muur werden daar namelijk de codes van het voormalige Staatssicherheitsapparaat (Stasi) gebroken. Uit de beschikbare dossiers kwam ondermeer naar voren dat zo'n honderd Britten, onder wie een aantal vrij prominente figuren uit de landelijke politiek, gedurende de Koude Oorlog als agent of informant actief waren geweest voor Markus Wolf's spionagevehikel. Tien van hen kunnen binnenkort al een justitiële klop op de deur verwachten. Ook in tal van andere westerse landen bleek de Stasi zijn pionnen te hebben gehad. Uiteraard in de Bondsrepubliek, maar zeker ook in Nederland. Dat biedt ons een mooie gelegenheid om nog eens terug te komen op een affaire waarbij de Stasi een belangrijke rol heeft gespeeld en die bij verschillende gelegenheden voor de nodige commotie heeft gezorgd: de affaire rond de voormalige CPN-topman Joop Wolff.

De Russische agent

In 1933, na de machtsovername door de Nazi's, verhuisde de toen 24-jarige Carl Stemmler vanuit Hamburg naar Amsterdam. Tot dan toe was hij werkzaam geweest voor de Duits-Russische onderneming Transpost, die q.q. de belangstelling had getrokken van de verschillende Duitse inlichtingendiensten. Daarnaast werd Stemmler ervan verdacht lid te zijn van de Duitse communistische partij en echt gezond was dat niet meer in die tijd. In Nederland kreeg hij een baan bij de Russische handelsonderneming Exportchleb. Eerst in Rotterdam, later in Amsterdam.
In datzelfde jaar was ook ene Richard Oehring uit Duitsland naar Nederland geëmigreerd. Hij werd economisch adviseur van Exportchleb, maar maakte tevens deel uit van het Westeuropese netwerk van de Russische militaire inlichtingendienst, OGPU (1). Het staat vrijwel vast dat Oehring niet de enige agent was binnen de Russische handelsonderneming en dat ook Stemmler meer dan waarschijnlijk tot dezelfde geheime organisatie behoorde. Op 14 mei 1940 pleegde Oehring zelfmoord. In juli van dat jaar werd Stemmler door de Gestapo gearresteerd en overgebracht naar Hamburg. Noch het onderzoek naar zijn vermeende lidmaatschap van de communistische partij, noch dat naar zijn spionageactiviteiten leverde doorslaggevend bewijs op. Hij werd tijdelijk "kaltgestellt", maar in 1943 werd hij tot Sonderfuhrer van de Abwehr benoemd om zich verdienstelijk te maken aan het oostfront. Stemmler dook onder en wist opnieuw uit te wijken naar Nederland. Daar wachtte hij het einde van de oorlog af. Na 1945 bouwde hij naarstig een zakenimperium op met filialen in Nederland, West-Duitsland, België, Engeland en Brazilië en innige contacten met het oostblok. Zo innig, dat de CIA Stemmlers bedrijven in 1955 op de "black list" zette wegens vermoedelijke leveranties van strategisch materiaal aan Rusland en zijn satellieten.
Desondanks gingen Stemmlers zaken crescendo en in de eerste helft van de jaren zestig was hij uitgegroeid tot één van de belangrijkste schakels tussen het Nederlandse bedrijfsleven en Moskou. Hij zette in die tijd een jaarlijks in de Russische hoofdstad terugkerende tentoonstelling op, waar Nederlandse bedrijven uit sectoren als de zware industrie, de bouwnijverheid en de landbouw hun produkten konden tonen aan de potentiële cliënt: de Russische staat. De organisatie ter plekke was in handen van de nog jonge Dirk Jan Keijer uit het lieflijke Huizen. Hij had al een aardige carrière achter de rug dankzij keihard zaken doen in landen als Liberia en Nigeria. Beginjaren zestig was hij in dienst getreden bij Carl Stemmler tot wederzijds voordeel en genoegen.
In 1965 besloot Stemmler een soort promotiefilm te laten maken van "zijn" Nederlandse beurs die tussen 11 en 30 september in Moskou zou worden gehouden. Zijn schoonzoon, Bert van Munster, werkte als cameraman bij de nog niet zo lang bestaande Amsterdamse Film Group One. Die had op dit gebied als enige palmares een paar promo's voor de bioscoopreclame van Peter Stuyvesant en Verkade op haar erelijst bijgeschreven. Stuwende kracht bij deze nieuwe productiemaatschappij was de filmer Claude Berkeley.

Claude en Max

Berkeley was in 1935 in Egypte geboren. Hij was van Joodse afkomst en heette eigenlijk Ben Nathar. Hij volgde colleges aan de filmacademie van Alexandrië toen hij in 1956 het slachtoffer werd van de wraakzucht van de toenmalige Egyptische leider Nasser na diens verloren oorlog met Israël. Samen met duizenden andere Joden werden Ben Nathar en zijn familie het land uitgezet. Hij belandde in Frankrijk, waar hij aan de filmacademie van Parijs zijn opleiding voortzette. Daar ontmoette hij voor het eerst de eveneens uit Alexandrië afkomstige Max Fischer. Na zijn studie vertrok "Berkeley" naar Londen en maakte van daaruit in 1959 een trip naar Moskou. Het doel daarvan is duister gebleven. Fischer verhuisde naar Amsterdam en toog aan het werk voor de filmproduktiemaatschappij van Joop Geesink.
In 1963 werd Geesink directeur van de juist opgerichte Reclame Exploitatie Maatschappij. Een besloten vennootschap die bezig was met de uitwerking van plannen voor de eerste commerciële televisiezender in Nederland. De drijvende krachten achter dit initiatief waren de ex-SS-er Pieter Heerema, die na de oorlog in Venezuela een imposant constructiebedrijf ten behoeve van de olie-industrie had opgebouwd, de bij de KGB in de belangstelling staande scheepsbouwer Cornelis Verolme, de later als zwendelaar-en gros geboekstaafde Teixeira de Mattos-bankier Jan Marie Fehmers en de advocaat Henri Minderop. Zij wilden de zender installeren op een platform in zee ter hoogte van Noordwijk en buiten de driemijlszone. Als facilitair bedrijf zou de Amsterdamse Oscar Film Productie Maatschappij NV fungeren. Dat stond onder leiding van Piet de Man, een telg uit een linkse verzetsfamilie. Aan productiezijde was een belangrijke rol weggelegd voor Fischer en de inmiddels naar Nederland overgestoken Berkeley. In september 1964 ging de REM definitief van start en zorgde meteen voor grote politieke commotie, die blijkbaar voor Moskou interessant genoeg was om van nabij te volgen.

Ingenieur Arkadi Vasilevich Zotow, een als handelsattaché opererende agent van de Russische militaire inlichtingendienst GRU (2), die tussen 1962 en april 1965 in Nederland verbleef, kreeg daartoe de opdracht. Zotow raakte op iets meer dan "speaking terms" met invloedrijke Nederlanders als admiraal De Booy, ir. H.M. Damme van Werkspoor, de met Fehmers nauw samenwerkende voormalige Mussolini-adept A.D. van Buuren en scheepsbouwer Cornelis Verolme. Hoe vriendschappelijk moge blijken uit een citaat uit boek "Alias Teixeira" van ex-SS-er A.V.F. van der Gouw (3):
"Het kontakt van Zotow met de genoemde personen was inderdaad zeer intensief: op een gegeven ogenblik stelde Van der Gouw de BVD ervan in kennis, dat Zotow zelfs foto's, in Moskou opgenomen, liet circuleren waarop enkele van deze heren met hun dames en het echtpaar Zotow in een relatief vrolijke houding te zien waren. Een ander voorbeeld is ook, dat Zotow bijna dagelijks door Verolme op de hoogte werd gehouden van de situatie ten tijde van de REM-affaire. Bovendien bleek Zotow nauwkeurig op de hoogte te zijn van een privé-pied-à-terre dat Verolme er in Amsterdam-Zuid op na hield".
De zender, die zijn populariteit voornamelijk aan mister Ed (het sprekende paard) en omroepster Mary Schuurman dankte was een kort leven beschoren. Commerciële televisie bleek in die tijd politiek nog niet haalbaar. Op 17 december 1964 bezette de Rijkspolitie het REM-eiland en nam de vitale zendonderdelen in beslag. Dankzij een verzekeringsovereenkomst met Lloyd's leden de initiatiefnemers nauwelijks financiële schade.

Anders was dat met Oscar Film. De florissante toekomst was plotseling achter de rug en een tijd lang was schraalhans keukenmeester. Dat was ondermeer aanleiding tot een stevig conflict tussen De Man en Berkeley over een bedrag van rond de drieduizend gulden die Berkeley nog tegoed had. Het leidde uiteindelijk tot een breuk tussen De Man en het filmersduo Berkeley/Fischer. De laatste twee besloten voor zichzelf te beginnen en huurden een ruimte in het pand van filmproducent Thijs Chanowski in Amsterdam. Film Group One was geboren, maar had in het eerste jaar van haar bestaan zeker de wind niet mee. Er ontstond een aanzienlijke huurschuld en de groep verhuisde naar de Brouwersgracht. Als een soort genoegdoening droegen Berkeley en Fischer een door hen uitgewerkt idee aan Chanowsky over: poppenfilms aan de hand van de fabels van de Franse schrijver Lafontaine. Het werd de basis voor Chanowsky's formidabele televisie-produktie "De Fabeltjeskrant", waarin figuren als Bor de Wolf, de gebroeders Bever, juffrouw Ooievaar, Lowieke de Vos, Zoef de Haas en Meindert het Paard tot nationale beroemdheden uitgroeiden.
Langzamerhand kreeg Filmgroup One in de maanden daarna vaste grond onder de voeten. Vooral dankzij de al gememoreerde opdrachten voor Peter Stuyvesant-reclame van tabakmagnaat Orlov. Een bekende figuur uit het jet-set circuit in die jaren en een goede bekende van een andere beroemdheid uit het Nederlandse filmwereldje van die tijd: John Rosenga.

De dood van een filmer

En toen kwam Stemmler. Hij wilde een film die een totaalbeeld zou geven van de beurs in Moskou. Het vervoer, dat werd verzorgd door Van Ommeren , de presentatie, de VIP's enz. In de zomer van 1965 maakte Berkeley samen met een assistent een oriënterende reis naar Moskou. Een maand later ging Van Ommerens caravaan op weg naar de Sovjet Unie begeleid door twee cameraploegen. In Polen werd een aantal ongebruikte filmrollen en kledingstukken ontvreemd, zodat Berkeley zich gedwongen zag één van de leden van zijn crew naar Amsterdam terug te sturen voor het aanvullen van de voorraden. In Moskou liep anvankelijk alles naar wens. Organisator Carl Stemmler en zijn rechterhand Dirk Keijer waren zeer tevreden. Maar rond Berkeley hing van meet af aan een waas van geheimzinnigheid. Zo hadden alle leden van zijn filmploeg hun intrek genomen in hotel Boedapest in de Russische hoofdstad. Maar Berkeley verbleef elders. Niemand wist waar. En op de boekingslijst van het reisbureau Vernu was zijn naam zelfs niet te vinden. Het viel de crew verder op, dat Berkeley, die ook nog een "no cure-no pay" opdracht had verworven voor een promo van Peter Stuyvesant op het Rode Plein, tijdens zijn verblijf in de schaduw van het Kremlin steeds nerveuzer werd. Hij beweerde dat hij door de KGB in de gaten werd gehouden, omdat hij foto's had gemaakt van niet nader omschreven verboden objecten. Die moesten naar een vriend in Engeland om ontwikkeld te worden. Waar de foto's gebleven zijn en wat er precies op stond is voor zijn kennissen altijd duister gebleven (4).
Na Berkeley's terugkeer uit Moskou half september tekende zich al snel een ramp af. Er leek te zijn geknoeid aan het geschoten materiaal. Het was voor een groot gedeelte onbruikbaar. De verzekering dekte weliswaar de schade, maar zeker op korte termijn zag het er financieel voor Film Group One even somber uit. Berkeley besloot een bezoekje te brengen aan De Man om zijn drieduizend gulden op te eisen. Het gesprek tussen de filmer en de producent liep hoog op. Er was geen geld. Woedend verliet Berkeley het pand van Oscar Film Productie Maatschappij NV aan de Weesperzijde. Vanaf dat moment was hij spoorloos. Op 20 september werd zijn verdwijning officieel bij de politie aangegeven. De hierop volgende speurtocht leverde al spoedig een klein succesje op. Berkeley's auto werd aangetroffen onder één van de viaducten bij het Amsterdamse Centraal Station. In die tijd een bekende ontmoetingsplaats voor homofielen. Enkele dagen daarna, op 28 september, werd het ontzielde lichaam van de filmer in het Amsterdam-Rijnkanaal gevonden. Het was gewikkeld in een zeildoek, dat met touw was dichtgesnoerd en verzwaard met stenen. De schedel bleek eerder te zijn ingeslagen. Directeur De Man van Oscar Film werd onmiddellijk opgepakt en verhoord. Hij was per saldo de laatste geweest die Berkeley in leven had gezien en had bij die gelegenheid volgens getuigen een knallende ruzie met zijn debiteur gehad. Maar de politie moest de arrestant al snel in vrijheid stellen. Bewijs voor De Mans betrokkenheid bij de moord was niet te vinden.
Het recherche-team onder leiding van hoofdinspecteur De Rhoodes concentreerde zich vervolgens hoofdzakelijk op Berkeley's homofiele contacten. Het onderzoek zou zich nog jaren voortslepen. Elke tip werd grondig nagetrokken. Zelfs sommige geruchten. Maar zonder resultaat. Volgens één van die geruchten uit de kring rond Rosenga zou de in financiële moeilijkheden verkerende Berkeley gedreigd hebben met openbaarmaking van een paar homo-liaisons van prins Claus, wiens verloving met prinses Beatrix op 28 juni van dat jaar toch al een golf van protest door Nederland had laten rollen (5). De Provo-slogan "Claus rauss" zou nog tijden lang op vele Amsterdamse muren preiken. Een gerucht van hetzelfde genre wilde, dat Berkeley van plan was sappige bijzonderheden naar buiten te brengen over een door hem kort voor zijn verscheiden bijgewoond feestje, waarbij de zoons van een zeer bekende Amsterdamse bestuurder zich sexueel stevig in de promiscuïteit hadden geworpen.
En dan deed nog het verhaal de ronde dat Joop Wolff, de toenmalige hoofdredacteur van het communistische dagblad De Waarheid en lid van het dagelijks bestuur van de CPN, ook verhoord was in de zaak Berkeley. Maar niet door De Rhoode's recherche-team (6). Die story vond een gretig oor bij de journalist Jan Snellen, een "asset" van de Stasi.

De journalist en de slimme jongen

Snellen was al jarenlang een absolute topper bij De Waarheid toen Wolff in 1958, na twee jaar correspondent in Moskou te zijn geweest, hoofdredacteur van de krant werd. Ze lagen elkaar niet. En Snellen vreesde bovendien dat Wolff door diens homosexuele avonturen, waarbij net als bij Berkeley sprake zou zijn van omgang met jeugdigen, chantabel zou kunnen worden. Al dan niet in opdracht van de Stasi begon hij al in 1959 met het aanleggen van een dossier over Wolff. Het bevatte volgens zijn in 1995 overleden vriend en collega Wim Klinkenberg naast een aantal uiterst scabreuze foto's (onderandere van een incident dat zich in de vroege jaren zestig zou hebben voorgedaan bij de Amsterdamse Munttoren) ook gegevens over gebeurtenissen binnen dit genre in een door Wolff gehuurd pandje aan de Spuistraat (7).
In oktober 1963 werd Snellen ontslagen. Vrijwel direct gevolgd door Klinkenberg. Officieel wegens reorganisatie. Maar er was meer. Wolff tegenover schrijver dezes: "Er was daarvoor al een conflict geweest. Een medewerker van de krant had ontdekt dat Snellen iets deed voor de DDR. En dat was tegen de gemaakte afspraak. Niemand mocht op persoonlijke titel dergelijke contacten onderhouden."
Op vragen over de inhoud van het dossier-Snellen ging Wolff niet in. Hij zocht de verspreiders van "zulke smeerlapperij" bij rechtse mensen uit het voormalig verzet die met een oude wrok zaten opgescheept! Hoe dit ook zij, Snellen werd na zijn ontslag correspondent van het Oostduitse persburo ADN en bleef trouw zijn dossier-Wolff bijhouden met alle "harde" informatie die hij kon veroveren. Maar ook met roddel.

Eén van de gebeurtenissen die een prominente plaats erin kreeg was de aanhouding van de inmiddels tot Kamerlid benoemde Wolff aan de Duitse grens in december 1968. De volksvertegenwoordiger was in de Bondsrepubliek geweest voor het aanknopen van kameraadschappelijke betrekkingen met de in oktober van dat jaar heropgerichte communistische partij. Zowel door de douane als door de Koninklijke Marechaussee werd hij bij terugkeer in Nederland grondig door de mangel gehaald. De getergde Wolff deed zijn beklag bij zowel het ministerie van Justitie als dat van Financiën, maar daar bleef het bij.
De kwaliteit van Snellens dagelijks bestaan ging inmiddels zienderogen achteruit. Hij dronk veel en in sombere buien dreigde hij zelfmoord te plegen. In 1972 viel hij uit het raam van zijn Amsterdamse etagewoning. Zijn vrouw stelde direct Klinkenberg telefonisch op de hoogte van het drama. Klinkenberg: "Na Jan Snellens dood was er paniek in de tent. Nog geen uur daarna had ik Boris Grigorjev van Tass in Den Haag aan de telefoon. Iedereen was op zoek naar het dossier Wolff. Maar het was nergens te vinden."

Ondertussen was het Stemmlers associé Keijer voor de wind gegaan. In 1969 had hij zich voor het eerst enigszins losgemaakt van zijn oude werkgever door het in moeilijkheden verkerende electronica- en computerbedrijf International Systems van Stemmler over te nemen en over te hevelen van IJsselstein naar Hilversum. Hij doopte het bedrijf om in Intercontinental Systems Information NV (ISI). De aandelen werden opgesplitst tussen Keijer (35 procent) en Simon Joor (65 procent), tot 1965 directeur bij Philips Telecommunicatie in Keijers geboorteplaats Huizen. Samen met hun Russische handelspartners stichtten zij een aantal joint-ventures die allemaal min of meer op hetzelfde gebied aktief waren: handel in elektronica, fototechnisch en telecommunicatie-materiaal en alles op het gebied van computers. Een daarvan was de op 1 februari 1971 in Hilversum opgerichte BV Elorg. Het bedrijf opereerde vanuit het pand Larixlaan 1 en telde nogal wat Russische medewerkers.
Dat de BVD vanaf het ontstaan van Keijers netwerk er grote belangstelling voor aan de dag legde, zal niemands wenkbrauwen in beweging brengen. Het leek Keijer allemaal een zorg te zijn. Vooral dankzij een voor hem zeer voordelige verkoop van ISI aan het Amerikaanse bedrijf Itel was hij in goede doen geraakt. Naast een gezonde bankrekening en kapitale huizen in Hilversum en Monaco beschikte Keijer over een alleraardigst jacht en een uitgebreide lap grond op de Veluwe. Daar organiseerde hij jachtpartijen voor zijn zakenrelaties. Ook de Russische ambassadeur Aleksander Romanov trok daar meermalen met Keijer achter de konijnen aan. Wat dan weer in dubbele betekenis "red alert" veroorzaakte bij de woelmuizen van de BVD en MID omdat Dirks grond grensde aan een van de oefenterreinen van het Nederlandse leger. Romanov onderhield eveneens goede contacten met het kroonprinsesselijk paar dat in de luwte van kasteel Drakesteyn warm liep om de vorstelijke fakkel ooit van het koppel Juliana/Bernhard over te nemen. Die connectie zat de regenjassen in Den Haag en in Langley niet lekker. Ook al omdat het gezag van het koninklijk huis in die tijd behoorlijk op de tocht stond door de revelaties over Bernhard's avonturen in Lockheedland en een onverhoeds aftreden van Juliana geenszins ondenkbeeldig was. Er moest iets gebeuren. Vooral om de anti-Bernhard hype af te zwakken. Journalist Robert Kroon, een "asset" van de CIA, deed daartoe een drieste poging in een artikel in het Amerikaanse blad Time van 9 maart 1976 dat de dag ervoor brede aandacht kreeg in De Telegraaf. Kroon beweerde daarin dat Bea en Claus samen met Romanov en de tot KGB-agent gebombardeerde journalist Willem Oltmans betrokken waren bij de anti-Bernhardcampagne.
Op 2 april 1976, een kleine maand na Kroons merkwaardige uitval naar het kwartet Beatrix, Claus, Oltmans en Romanov, bezorgde De Telegraaf de wakkere Nederlanders een gevoel van opluchting en dankbaarheid. De Nederlandse regering had na advies van de BVD en inlichtingendiensten van NAVO-partners besloten twee Russen ons land uit te zetten. "Vanwege activiteiten die erop gericht waren tegen betaling geheime gegevens te verkrijgen, welke onder meer betrekking hadden op een gevechtsvliegtuig (de F-16, red.) alsmede op het gebruik van elektronica in de lucht- en ruimtevaart, vooral op militair terrein". Het ging om G.M. Burmistrov, een lid van de Russische handelsdelegatie alhier, en om de directeur van Keijers Elorg, V.T. Khlistov.

De bewering dat zich in zijn bedrijf een paar Russen hadden genesteld die spioneerden voor hun dagelijks brood, moet in Keijers oren niet als iets atonaals hebben geklonken. Maar hij zal zich wel de ogen hebben uitgewreven toen De Telegraaf in de sensationele artikelen over zijn spionage-concern ook nog meldde, dat honderden Russische trucks maandelijks onze wegen onveilig maakten. En dat in heel wat gevallen de chauffeurs ervan waren geïdentificeerd als officieren van Russische pantserbataljons, die ons land niet alleen doorkruisten voor het afleveren van hun vrachtje bij klanten als Keijer, maar ook voor het uitvoeren van terreinverkenningen. Verder hielden volgens de krant bemanningsleden van Oostduitse binnenvaartschepen zich onledig met peilingen van onze rivieren op zoek naar voor tanks doorrijdbare plaatsen. Eén van de voornaamste bronnen van al dit verontrustende nieuws was de met de CIA verbonden Amerikaan van Zweedse afkomst: graaf Carl Armfelt. Een maand daarna speelde deze achter de coulissen opnieuw een rol van betekenis bij de aanval van Elseviers Magazine op PSP-voorman Bram van der Lek, de PvdA-prominent Han Lammers, Soeharto-bestrijder professor Wertheim en een aantal mensen uit de linkse jongerenscene, die er allen van beschuldigd werden actief te zijn (geweest) voor de KGB cq. de Stasi (8).

Een bom en twee fractieleiders

We keren terug naar Wolff. In 1977 kregen de fractieleiders van de grote partijen in de Tweede Kamer (onder wie Willem Aantjes van het CDA) , die qq. deel uitmaakten van de commissie voor inlichtingen- en veiligheidsdiensten een zeer gedetailleerd vertrouwelijk CIA/BVD-rapport in handen met betrekking tot de Nederlandse Vredesbeweging. Een gedeelte daarvan had betrekking op de aktie "Stop de Neutronenbom".
Oud-redakteur van De Waarheid Constant Vecht daarover in de Volkskrant van 9 mei 1992: "Er werd bijna per minuut beschreven wat Tweede Kamerlid Joop Wolff, die ook in het bestuur van de aktiegroep zat, in de DDR voor ontmoetingen had gehad met plaatselijke vredesaktivisten. Dat waren natuurlijk allemaal lui die voor de Stasi werkten".
Ten aanzien van deze rapportage zijn er vier mogelijkheden:
1. Wolff maakte tijdens zijn reizen in de DDR minitieuze aantekeningen en droeg die na terugkeer in Nederland, wellicht via vertrouwde tussenpersonen, over aan de BVD cq. CIA;
2. Wolff maakte tijdens zijn reizen in de DDR minitieuze aantekeningen, droeg die over aan het bestuur van de actiegroep, waarvan een ander lid ze vervolgens doorsluisde naar de BVD cq. CIA;
3. De BVD/CIA beschikte over een dubbelagent bij de Stasi die de Haagse combinatie nauwkeurig op de hoogte hield van Wolffs doen en laten gedurende diens Einzelgänge in de DDR in verband met zijn vredesapostolaat;
4. De rapportage was vals.
Optie twee wordt wel erg onaannemelijk na het lezen van een andere uitspraak van de in deze materie goed ingevoerde Vecht in hetzelfde Volkskrant-artikel: "Uiteindelijk bleek daaruit, dat "Stop de Neutronenbom" vrijwel zeker vanuit het buitenland werd gefinancierd, waarschijnlijk zonder dat het dagelijks bestuur dat wist. Kennelijk regelde Wolff dat soort zaken zelf".
De opties 3 en 4 blijven beide mogelijk, maar in het licht van de latere gebeurtenissen is optie 1 toch het meest waarschijnlijk.
Wolff had overigens ondermeer in verband met deze actie ook het contact tussen de CPN en Moskou, dat zo'n tien jaar Siberisch koel was geweest, weer op wat vriendelijker niveau getild. Wellicht mede daardoor hebben ook de Russen zich intensief bemoeid met de organisatie van "Stop de Neutronenbom". Dat bleek bijvoorbeeld uit de ferm opgepoetste medaille die president Brezhnev persoonlijk op de toch al imposant versierde torso van ambassadeur Romanov bijprikte voor diens inspanningen om bezorgde Nederlanders in grote getale de straat op te krijgen.
Gezien de door Armfelt cs. georkestreerde persraids op Bea, Claus, Oltmans, Van der Lek, Lammers, Wertheim enz. in april 1976 is het op zijn minst verwonderlijk, dat een frontale aanval op Wolff naar aanleiding van zijn geheime ontmoetingen en deals met Oostduitse en Russische vredesactivisten zowel in de politiek als in de pers uitbleef. Temeer daar een jaar later een ander bekend politicus tot een security risk werd verklaard op grond van zijn plotseling herontdekte "oorlogsverleden": mr. Willem Aantjes. Op dat moment fractieleider van het CDA in de Tweede Kamer en lid van de Commissie Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Tevens behoorde hij tot de zeven dissidenten binnen de fractie, die door de krappe meerderheid waarover het kabinet Van Agt/Wiegel in de Kamer beschikte (77 - 73) een sleutelpositie innamen bij belangrijke kwesties als de toen aan de orde zijnde rigoureuze bezuinigingen, de sancties tegen Zuid-Afrika en ... het invoeren van de neutronenbom.

Van postbode tot fractieleider

Aantjes was in zijn jonge jaren altijd "deutschfreundlich" geweest. Ook toen Nederland bezet was. Na zijn schooltijd werd hij in 1943 als postbode te werk gesteld in Gutrow, een gehucht in het oosten van Duitsland. In de winter van 1943/1944 gaf hij de burgemeester van een aanpalend dorp aan bij de locale justitiële autoriteiten. Die had namelijk in het bijzijn van Aantjes een kwalijke uitspraak gedaan in de richting van de in de strijd met de Russen gevallen "Ortsgruppenleiter". De burgemeester kreeg bij het proces dat volgde en waarbij Aantjes als kroongetuige optrad een gevangenisstraf van 11 weken aan de broek. Later werd hij ook nog uit de NSDAP gegooid. Zijn straf ging in op 10 augustus 1944. Als alles mee zat zou de burgemeester dus begin november weer naar huis en haard terugkeren.
Inmiddels had Aantjes zich aangemeld bij de Germaanse SS. Naar eigen zeggen om langs een gemakkelijke weg naar Nederland te remigreren. Het feit dat bij veel mensen uit de omgeving de populariteit van de buitenlandse postbesteller Aantjes na het proces rond de burgemeester een vrije val had gemaakt, zal zeker hebben meegespeeld. Daarnaast waren de berichten van zowel het westelijk als het oostelijk front niet om naar huis te schrijven. Aantjes' bede dat hij als lid van de SS snel naar Nederland zou worden teruggezonden werd op 12 oktober verhoord. De consequentie was echter wel, dat hij vrijwel direct werd ingedeeld bij de Nederlandse afdeling van de Waffen-SS, die actief deelnam aan de strijd tegen de opdringende geallieerden.
Aantjes' eer bleek geen trouw te heten. Hij weigerde dienst te doen bij de Waffen-SS en werd dientengevolge gevangen gezet in kamp Natal bij Assen. Daar haalde hij verder ongeschonden het einde van de oorlog (9).

Toen hij in 1959 voor de Anti Revolutionaire Partij in de Tweede Kamer kwam, ontstonden onmiddellijk geruchten over Aantjes' Deutschfreundlichkeit voor en tijdens de oorlog en zijn pro-Duitse gedrag in kamp Natal. Verder zou hij lid zijn geweest van de NSB en als chauffeur hebben dienst gedaan voor het NSKK (beide beschuldigingen bleken later onjuist).
Het bestuur van de ARP wendde zich tot de BVD, die erkende dat zij over een dossier-Aantjes beschikte. Maar het zou niet meer dan een paar kwajongensstreken en wat vage geruchten bevatten. Niets onrustbarends. Wel onrustbarend was het feit, dat de Oostduitse inlichtingendienst - naar achteraf bleek - aan het eind van de jaren vijftig haar dossier-Aantjes had gecompleteerd met de hierboven beschreven gegevens over de gebeurtenissen in Gustrow in 1943/1944 en Aantjes' aanmelding bij de Germaanse SS. Precies dus in de periode waarin Aantjes' naam hoog op de groslijst van de ARP verscheen en de veelbelovende politicus vervolgens zijn opwachting in de Tweede Kamer maakte. Handig om te hebben. Vooral als zo'n kamerlid opklimt in de hiërarchie van een belangrijke Nederlandse partij en het zelfs tot fractieleider schopt.

De guillotine

In februari/maart 1967, na de verkiezingen die volgden op de nacht van Schmelzer, werd Aantjes als een serieuze kandidaat beschouwd voor de post van Minister van Volkshuisvesting. Maar hij zag er "om gezondheidsredenen" van af. De werkelijke reden was een nieuw gerucht: de ARP-voorganger zou lid zijn geweest van de Germaanse SS. De top van zijn partij, waartoe onder andere verzetsman, Vrij China-lobbyist en Armfelt-adept Maarten Schakel behoorde, wees ook dit gerucht naar het land der fabelen en Aantjes zelf hulde zich in stilzwijgen. Het blijft een raadsel waarom kennelijk niemand het initiatief nam om in de annalen van het Rijksinstituut van Oorlogsdocumentatie te gaan snuffelen. Daar bevond zich bijvoorbeeld het archief van de "Deutsche Dienstpost in den besetzten niederländischen Gebieten". En daarin stond Aantjes' lidmaatschap van de Germaanse SS netjes vermeld. Pas toen Aantjes in het najaar van 1978 de CDA-fractie wist te bewegen tegen de door de regering Van Agt/Wiegel voorgestelde invoering van de neutronenbom (!) te stemmen en zelfs Nederlands lidmaatschap van de NAVO ter discussie wilde stellen, werd de weg vrijgemaakt en bolderde de kar met de eenzame Aantjes door de jouwende menigte naar de guillotine. Ineens wapperde de als atlanticus te boek staande RIOD-baas Lou de Jong als een volmaakte Robespierre met de al die tijd al aanwezige documenten. Ineens waren daar de getuigen. Ineens werd Aantjes gebombardeerd tot iets wat hij altijd geweest was: een security risk. In zijn hoedanigheid van fractieleider van respectievelijk de ARP en het CDA was hij zoals al eerder opgemerkt bijvoorbeeld jarenlang q.q. lid van de Kamercommissie van Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten geweest. Als één van de weinigen was hij altijd aanwezig op de vergaderingen van deze commissie. Alleen al vanwege dit lidmaatschap vormde Aantjes een interessant potentieel object voor politieke chantage. Zowel voor de Oostduitse en Russische inlichtingendiensten als voor de BVD en de CIA. Zelfs de Tweede Kamer meende, dat rond het proces dat leidde tot de politieke dood van Aantjes een te duidelijke odeur hing van duistere intriges en chantage. Een uit haar midden benoemde commissie onder leiding van Schelto Patijn moest uitvogelen of al dan niet sprake was geweest van een complot. Na een half jaar broeden bleek het ei leeg te zijn.

De twee gezichten van Joop

Eén van de leden van Patijns volière was Joop Wolff, wiens samenwerking met de club van Markus Wolf inzake de anti-neutronenbom-acties in Nederland zo gedetailleerd bekend was, maar blijkbaar geen aanleiding vormde voor de Haagse bloedraad om ook hem naar het schavot te verwijzen. Weliswaar verscheen een aantal artikelen in de vaderlandse pers die wezen op de mogelijke oostblok-financiering van "Stop de Neutronenbom", maar daarmee was de grens wel bereikt. Wolff werd nergens aangemerkt als de door de erfvijand geïnspireerde agent binnen de vredesbeweging, een duistere anti-democraat. Integendeel.
Zijn opvallend gematigd, haast Bernhard-vriendelijke optreden tijdens de Lockheed-schermutselingen in de Tweede Kamer en zijn felle retoriek in de discussies rond de van oorlogsmisdaden in Polen verdachte miljonair Pieter Menten bezorgde hem een groeiende populariteit in Nederland. Na zijn wat plotselinge afscheid van de Tweede Kamer op 1 februari 1982 wegens "een ernstige hartkwaal", werd hij langzamerhand zelfs salonfähig in ongedachte kringen. Zo gaf hij in september 1983 acte de présence op de party ter ere van Thomas Lepeltaks 25-jarig jubileum bij De Telegraaf. En via diens Stan Huygens Journaal werd de wereld in de jaren daarna regelmatig ervan kond gedaan, dat de voormalige communistische verzetsstrijder en anti-fascist uit het Haarlemse het glas weer eens had geheven met andere verzetskanonnen als prins Bernhard, Hans Teengs Gerritsen, Bib van Lanschot etc. Nota bene mensen, die deel uitmaakten van een groepering die zich zowel tijdens als tientallen jaren na de oorlog in samenwerking met allerlei geheime diensten en genootschappen heeft ingezet om alles wat echt rood was met de grond gelijk te maken.

Porno en de BVD

Eind 1991 deden voor het eerst in wat bredere kringen geruchten de ronde dat Wolff een BVD-informant was. Al sinds kort na de oorlog. Daartoe gedwongen met chantagemateriaal op sexueel gebied. Voor een beetje inlichtingendienst niets bijzonders. De conclusie dat zelfs de voorlopers van de BVD al in de voetsporen van Hoover's FBI traden en niet alleen politieke dossiers van linkse Nederlanders samenstelden maar tevens zogenaamde "fagfiles" (10), valt voorzichtig te trekken uit een brief dd. 15 november 1946. Hij is afkomstig van mr.J.P.G. Goossen. In die tijd hoofd van het bureau Kabinet van de afdeling Politie op het ministerie van Justitie. Een citaat:
"... Ter illustratie moge ik nog uw aandacht voor een tweede geval vragen. Aan de centrale ter bestrijding van de handel in pornografische uitgaven is onlangs overhandigd een aantal afdrukken van foto's van zeer pornografische aard. De originele foto's zouden in handen zijn van een hoofdbestuurslid van de CPN, die voornemens zou zijn deze foto's in de communistische afdelingen en jeugdorganisaties te verspreiden".
En in het boek "De geschiedenis van de BVD" (11) valt het volgende, helaas apocriefe verhaal te lezen uit de jaren vijftig, waarbij: "... Een BVD-medewerker,op gymschoenen om zich zonodig snel uit de voeten te kunnen maken, een vooraanstaand CPN-functionaris (zou) hebben aangesproken op diens sexuele escapades (...) met de bedoeling hem hiermee onder druk te zetten en zo tot medewerking te bewegen."
Deze poging tot chantage zou niets hebben opgeleverd. Feit is wel, dat volgens hetzelfde boek de BVD laat in de jaren vijftig voor het eerst over een informant binnen het partijbestuur van de CPN beschikte, die gerund werd door de PID van een grote stad. In de jaren na 1961 werden dat er meer. In die periode ontdekte volgens Wolff de niet nader aangeduide Waarheid-medewerker, dat Snellen voor de Oostduitse geheime dienst werkte.

Op 9 mei 1992 bracht de Volkskrant de steeds sterker wordende geruchten over Wolff's gedwongen informantenrol in de openbaarheid via het artikel "De mol in de top van de CPN". Twee voormalige agenten van de BVD stonden mede aan de basis van het wat wankelmoedige verhaal. Eén van hen was het duidelijkst. Een fragment:
"Kamerleden van de CPN traden dus op als BVD-informant, beweert de oud-agent. Maar namen wil hij niet noemen. Daarvoor moeten wij naar een tweede informant. Ook een gepensioneerde van de inlichtingendienst en nog steeds begenadigd met een beroeps-tic, naar we spoedig vaststellen. CPN-kamerleden als BVD-bron? Daar kent hij er één van. Niet over de telefoon natuurlijk. In zijn huiskamer, verwikkeld in een gezellig gesprek over het weer, pakt hij des verslaggevers pen en papier om de initialen op te tekenen van het CPN-kamerlid dat door het initiaal B. van de BVD werd gerund, zoals dat heet. Kamerlid J.W. werd gerund door de BVD'er B. staat er.
- U bedoelt de heer Joop Wolff?
"Ja, die bedoel ik."
- En wie is die mijnheer B. van de BVD?
"Dat zeg ik niet".
Wolff wilde na contact te hebben gehad met Arthur Docters van Leeuwen, het toenmalige hoofd van de BVD, eigenlijk alleen maar kwijt dat het hele verhaal onzin was en dat hij persoonlijk nooit door de dienst was benaderd. De beide ex-agenten kregen van de leiding van hun vroegere club in Leidschendam in niet mis te verstane bewoordingen te horen dat zij zich in het vervolg dienden te houden aan hun geheimhoudingsplicht. Daarmee leek de affaire te doven als een nachtkaars bij windkracht negen.

Chinese Annie

Begin juni van datzelfde jaar kregen de journalisten Igor Cornelissen en Ger Verrips echter een soort pamflet toegezonden, dat een bedrieglijk echt briefhoofd droeg van de vereniging Nederland - DDR, die zich onder andere bij de organisatie van de actie "Stop de Neutronenbom" bijzonder had onderscheiden. Zowel Vrij Nederland-journalist Cornelissen als voormalig Waarheid-medewerker Verrips onderhielden in die tijd redelijke contacten met de BVD. De eerste had medewerking van de dienst gehad bij het verzamelen van informatie voor zijn boek "De GPOe op de Overtoom", de ander voor zijn wetenschappelijk werk over de geschiedenis van de CPN. In het pamflet werd gerefereerd aan het rapport van Jan Snellen dat zich in Berlijn zou bevinden en dat een boekje zou opendoen over de interne spionage van Wolff bij zijn partij, de CPN. Cornelissen probeerde aan de hand van de inhoud van het pamflet nog wat meer aan de weet te komen. Maar veel meer dan een bevestiging van de weduwe van Jan Snellen dat het dossier-Wolff inderdaad bestond, wist hij niet boven water te tillen. De ook door hem gebelde Klinkenberg hield de boot af. Daarna duurde het tot november 1993 voor Wolff opnieuw onder vuur kwam te liggen. Aanleiding was de televisie-documentaire "Kameraden" van Anita van Ommeren en Pauline Senn. Van Ommeren is de dochter van Annie Averink, een legendarische communiste en een leidinggevende figuur uit het harde, onverzoenlijke verzet tegen de Duitsers in de regio Haarlem. Eén van de mensen die "Chinese Annie" in de tweede helft van de oorlog onder haar hoede nam, was de toen nog zeer jonge Joop Wolff. Zijn taak bestond voornamelijk uit het verspreiden van de illegale Waarheid.

Na de oorlog zette Averink zich met hart en ziel in bij het op poten zetten en uitbouwen van de PKI, de communistische partij in "Nederlands-Indië". Daarbij ondervond zij de nodige steun van de Chinese kameraden onder leiding van Mao. Zij betrok ook Joop Wolff bij dit internationale werk en volgens sommige bronnen heeft hij daarvoor zelfs enige jaren in Peking vertoefd. Ook na die bewogen periode bleef de band tussen Annie Averink en haar snel in de Nederlandse partij-hiërarchie opklimmende pupil bijzonder hecht.
Bij de zoektocht naar materiaal voor haar documentaire die Anita van Ommeren na de dood van haar moeder in 1991 ondernam, stuitte zij op aanwijzingen dat de BVD in contact stond met iemand die zeer "close" met haar moeder was omgegaan. De NRC van 24 november 1993 meldde zelfs dat de BVD over meer dan een breekijzer binnen de CPN beschikte. Een van hen werd gespecificeerd als een "volksvertegenwoordiger wiens seksuele voorkeuren zo nu en dan problemen veroorzaakten".
Dat Wolff in de Tweede Kamer in 1982 via chantage gesneuveld zou zijn in de bikkelharde strijd die geheime diensten met elkaar uitvochten in het zich steeds feller tegen de plaatsing van de 48 kruisraketten verzettende Nederland, is dus beslist niet ondenkbaar. Omdat de ooit door dr. Arthur Docters van Leeuwen gepropageerde grotere openheid van de BVD een slecht opgeblazen ballon bleek te zijn, is Wolff zelf de enige die uitsluitsel zou kunnen geven over zijn dubbelrol in het spel tussen de duo's Stasi/KGB en BVD/CIA. Misschien gebeurt dat nog eens in zijn autobiografische boek, dat hij in 1992 al aankondigde.

Noten:

  1. Zie het boek "De GPOe op de Overtoom" van Igor Cornelissen, Amsterdam: Van Gennep, 1989.
    2. Zie het boek "KGB, the secret work of Soviet secret agents" van John Barron, New York: Bantam Books, 1974.
    3. "...Alias Teixeira" door A.V.F. van der Gouw werd in 1968 uitgegeven door Uitgeverij P.R. van Amelrooij te Utrecht.
    4. Het materiaal over Berkeley's reis naar Moskou is afkomstig uit een zeer uitgedund BVD-dossier dat schrijver dezes ooit mocht inzien.
    5. Citaat uit een artikel van Janhuib Blans (alias Pim Dekker) in het blad Provo dd. 18/12/65: "... Een Nederlandse (homosexuele) vriend in Münster kent twee knapen waarmee Von Amsberg zeer intieme relaties onderhield".
    6. Wolff heeft dit gerucht altijd ontkend.
    7. Bij afwezigheid van Wolff op de burelen van de Waarheid vroeg men op de redaktie vaak niet "Waar is Wolff?" maar "Waar is de Spuistraat?".
    8. Zie voor Armfelt's perfide rol in Nederland onder andere Kleintje Muurkrant 328 ("Brusselse Truffels") en Kleintje Muurkrant 337 ("Schaduwcommando van de Prins, deel 1").
    9. Zie voor dit stukje doopceel o.m. het boek "... van bijkomstig belang" van N. van Nieuwenhuysen, Meppel: Boom en Taconis, 1981. Van Nieuwenhuysen onderhield nuttige contacten met de tot april 1981 in Den Haag gedetacheerde KGB-agent Vadim Vasilevich Leonov.
    10. De benaming van dossiers bij de CIA en de FBI die betrekking hebben op mensen die zich aan homosexueel gedrag "te buiten gingen".
    11. "Geschiedenis van de Binnenlandse Veiligheidsdienst" door Dirk Engelen, 's-Gravenhage: SduUitgevers, 1998

Morgenster, begin december 2000

  • Hits: 628
Klik hier om uw reactie toe te voegen

Kleintje Muurkrant - Postbus 703 - 5201 AS - 's-Hertogenbosch